LEER ONS ONZE DAGEN TELLEN
Psalm 90.
Deze psalm is door Mozes gedicht ten tijde van Israëls woestijnreis. Het is een lied dat geboren is in de ervaring van de toorn des Heeren over de zonde, in het bijzonder de zonde van het ongeloof, waardoor het merendeel van Israël niet inging in het beloofde land. Honderdduizenden Israëlieten werden in de kracht van hun leven door de dood weggenomen. Daarachter wist Mozes de rechtvaardige toorn van God, Die de zonde van Zijn volk bezocht.
Maar bij alle smartelijke ervaring van het nietige en het ijdele van het mensenleven kent de man Gods het voorrecht zijn sterkte en toevlucht te vinden bij de eeuwige God. Want die eeuwige God is een Woning en Toevluchtsoord voor allen die Hem vrezen. Naast de gedeelten die als een treurzang in het sterfhuis worden aangeheven vinden we gedeelten, die rijk zijn aan hoop op de ontferming en trouw van God. We vinden de blijde klanken van de vreugde in God, naast de uitspraken over de ernst van het leven en de verschrikking van de dood. Mozes klaagt en juicht beide, hij weent en is tegelijk verblijd.
God is een Toevlucht
Mozes begint en eindigt met en in de Heere zijn God, Die zijn Toevlucht is. Die hij kent als de God, Die aan Zijn verbond gedenkt. Hij was en is en zal de God zijn die allen ten goede gedenkt, die tot Hem vluchten. Het eerste vers is de grondgedachte van de gehele psalm. Als de Eeuwige is Hij vóór alle dingen en Hij is ook het begin van alle dingen. Wat een diepe kennis van God openbaart Mozes hierin. Een kennis die alle natuurlijk weten van Hem ver overtreft. Het is een bevindelijke kennis van de Heere, verkregen door de verborgen omgang met God.
Tegenover Hem bekent Mozes de mens in zijn nietigheid. Want er is wel een voortbestaan van het menselijk geslacht op aarde zolang de wereld bestaat. Maar het is een voortbestaan in geslachten die elkaar vervangen door geboorte en sterven.
De mens is de ijdelheid gelijk en niets blijft voor hem over als de eeuwige God zijn Toevlucht, zijn vaste en veilige Woning niet is.
De kortstondigheid van het leven
Het leven van de mens is als het gras dat slechts een enkele dag bestaat. Het houdt zich in zijn bloei niet staande. Doorweven met bloemkleuren vertoont het zich fris in de morgen, maar de brandende zon verdort het. In de koele avond wordt het afgesneden. Niet dat de mens geschapen is om te sterven. Maar de zonde heeft hem aan de dood als een rechtvaardig oordeel van God onderworpen en heeft hem aan het gras gelijk gemaakt. Dat veroorzaakt ook juist de smart van Mozes; de zonde en de gevolgen van de zonde.
Diep gevoelt Mozes het algemene, maar ook het bijzondere oordeel dat Israël treft om zijn murmurering en ongeloof. Want de dood is een openbaring van Gods verbolgenheid, die ons verschrikken moet. Toch is het geen willekeur, geen tirannie dat Hij de zonde straft. De heilige God moet rekening houden met de zonde en met alles wat van Zijn Woord afwijkt. En dan daalt Mozes af in het gemoed van de mens. Hij weet de verdorvenheid aanwezig in de diepste schuilhoeken. Vleselijk zijn we geworden.
Dat houdt tevens in onze beperkte levenstijd. Het gering aantal jaren, in onze jeugd nog als respektabel gezien, waartoe wij het hooguit brengen wordt door hem aangegeven. Waarbij het beste in het korte leven moeite en verdriet is. De hoge leeftijd van Mozes en anderen bevestigen slechts de regel van 70 of 80 jaren.
En hoe kort is de vreugde daarin en hoe lang vaak de smart. De enige ware verkwikking in het leven is de rust van het geloof. Dat schenkt de kracht zich in de Heere te verblijden bij alle moeite en verdriet, in kruis en zorgen, bij stormen en gevaren.
Mozes' gebed
Bij vers 12 begint zijn ootmoedig maar tegelijk hoopvol gebed: Laat ons alzo onze dagen tellen. Deze bede slaat terug op vers 11 waar hij in een klacht de vraag stelt: wie kent de sterkte uws toorns? Dwaas en schuldig is de mens door voorbij te gaan aan Gods rechtvaardige toorn over de zonde, deze niet te vrezen en zich niet te verootmoedigen tot bekering.
Daarom bidt Mozes dan ook om een wijs hart. Hij bidt dat het centrum van zijn innerlijk leven, de bron waaruit zijn verlangens voortspruiten, vernieuwd mag worden.
Deze vernieuwing geeft pas het rechte zicht op het leven in haar kortstondigheid, maar ook in haar ware doel. Dan is de waarde van ons leven zo hoog. Het is de voorbereidingstijd, de bekeringstijd die God ons nog geeft.
Deze rechte beschouwing van het leven schenkt de Heere Zelf. Daarom bidt Mozes ook: eer ons alzo. Dan erkennen we de ernst van de zonde, het wonder van Gods verdraagzaamheid, het rechtmatige van Zijn toorn maar roepen we ook Zijn ontferming in. Ook Mozes bidt om een weerkeren van God in gunst en ontferming tot Zijn schuldig volk. Zo bidt hij hier maar ook in Exodus 32 : 12: aat het U over het kwaad uws volks berouwen. In vers 14 lezen we dan: oen berouwde het de Heere over het kwaad, hetwelk Hij gesproken had Zijn volk te zullen doen.
Mozes' vrijmoedigheid
De wetenschap van Gods genade geeft hem vrijmoedigheid zijn gebed uit te breiden. Hij vraagt verkwikt te mogen worden na de lange lijdensnacht in de woestijn met een morgen der verlossing. Dan wordt het leed verslonden door juichen en verblijd zijn al onze dagen (vs. 14).
Dan is ook de bede zo gepast: laat uw werk aan uw knechten gezien worden. Dan is het werk Gods voor Zijn volk, door hen als een verlost volk in Kanaan te brengen, voorbeeld en onderpand van de geestelijke verlossing. Daarin komt Zijn heerlijkheid openbaar. Een bede die haar geldigheid en noodzaak behoudt. Tenslotte bidt hij om het welgevallen van de Heere te mogen ervaren en dat Hij het werk van hun handen zal bevestigen. Deze laatste bede herhaalt Mozes. Maar opmerkelijk is, dat hij niet begint met het werk van hun handen, maar er mee eindigt en van de Heere alleen de volvoering en bevestiging verwacht. Zo begint en eindigt de man Gods alleen met en in de Heere Zijn God. Dan geldt voor hem en voor allen die in zijn woorden leven:
Welzalig, Heer die op U bouwt, En zich geheel aan U vertrouwt.
Gespreksvragen
1. Waardoor kan de Heere ons, tot een Toevlucht zijn?
2. Wat is het kenmerkend verschil tussen het berouw van God (zie vers 13) en menselijk berouw?
3. Welk uitzicht biedt dit berouw hebben van God voor zondaren?
4. Welke waarschuwing bevat Hebr. 3 : 7 - 4 : 2 als les uit Israëls woestijnreis?
5. Op welke wijze vraagt David in Psalm 39 de kortheid van het leven op de rechte wijze te zien? Zie je een overeenkomst met Psalm 90 : 12?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 januari 1978
Daniel | 20 Pagina's