JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

5 minuten leestijd

„Maar die de HEERE verwachten, zullen de kracht vernieuwen". (Jesaja 40 : 31a).

Bij de jaarwisseling

Wanneer je dit nummer van ons blad onder ogen krijgt, staan wij vóór de jaarwisseling. Als de Heere het geeft, mogen wij weer een nieuw jaar binnengaan, het jaar onzes Heeren 1978.

Het is dan de gewoonte, dat onze familieleden, onze vrienden en kennissen ons mondeling of schriftelijk hun nieuwjaarsgroet doen toekomen, met hun beste wensen.

Ook als hoofdredakteur van ons blad wil ik graag de mijne er aan toevoegen en U allen van harte Gods zegen toebidden voor het nieuwe jaar.

Dit geldt in het bijzonder de leden van onze redaktiekommissie, het bondsbestuur, de jeugdwerkleiders en allen, die op welke wijze ook in ons jeugdwerk betrokken zijn, alsook het bestuur van onze Vrouwenbond en voorts alle lezers van ons blad.

De groet des hemels

Maar lezers, tot ons allen komt bij de ingang van het nieuwe jaar de vraag of wij reeds de groet des hemels mochten vernemen? Die groet, door Woord en Geest in ons hart gewerkt: „Ik zal U niet begeven en Ik zal U niet verlaten". Het is een kwaad begin als we zonder de Heere dit nieuwe jaar met al zijn onzekerheden moeten ingaan. Het kan ook zijn, dat we dit jaar gaan sterven. Hoevelen zijn het afgelopen jaar met ons begonnen maar hebben het niet met ons mogen beëindigen?

Daarom, lezer en lezeres, is er bij ons een verlangen, een smachtend verlangen naar tijding, goede tijding uit de hemel, naar ontmoeting met de Heere, nu we staan in de poort van het nieuwe jaar?

Leeft het in ons hart: „Heere, zegt Gij tot mijn ziel: Ik ben uw heil"? Als dat niet zo is, als we niet die levende betrekking op God in ons leven hebben leren kennen, als we nog nooit een groet des hemels hebben vernomen, wat is er dan overvloedige reden om bezwaard dit jaar in te gaan, in het bijzonder in deze tijd, zo vol onzekerheden, noden en zorgen.

Maar die de Heere verwachten

Doch zij, die naar de Heere hebben leren uitzien, in wier hart het leeft: „Heere, indien Uw aangezicht niet medegaat, laat ons dan van hier niet optrekken", zij worden bemoedigd, want Gods Woord zegt ook: „Maar die de Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen". Het woordje „maar" waarmee de tekst begint, wijst op een tegenstelling. We lezen immers in het voorafgaande vers: „De jongen zullen moede en mat worden en de jongelingen zullen gewisselijk vallen". Ja, dat is waar. De jongen en de jongelingen zijn moede en mat in deze tijd. En dan de jongelingschap, die immers haar eer stelt in haar kracht, in haar durf, in haar toekomstidealen! En nu moede en mat!

De tijden zijn immers zo donker. Velen laten zich maar meedrijven met de stroom van de tijdgeest en verliezen zich in de onverschillig pessimistische levens-houding van: „Je moet er nog maar van maken, wat er van te maken is". En toch is er ook heden een mogelijkheid om te volharden, een mogelijkheid om levensmoed te hebben, ook te midden van de bange nood der tijden.

En die mogelijkheid is: „De Heere verwachten".

„Maar die de Heere verwachten, die zullen de kracht vernieuwen".

Van nature kennen wij dat verwachten, dat uitzien niet. Van nature verwachten wij alles van dit leven, van de aarde, ja dan verwachten wij het van alles en nog wat, behalve van de Heere. En toch, toch zullen alle verwachtingen buiten de Heere zo

bitter, ja voor eeuwig teleurstellend zijn.

Alleen als wij het door wederbarende genade van de Heere leren verwachten en wij Hem tot ons deel mogen verkrijgen, dan zal werkelijk 1978 het jaar onzes Heeren worden en dan mag Gods Kerk ervaren: „Hetzij dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren".

Uitzien met verlangen

Vrienden, wat is het toch noodzakelijk om met God verzoend en bevredigd te worden bij het voortwentelen der jaren, bij het naderen van de eeuwigheid.

Het moet tot een wezenlijke beslissing komen in ons leven om het door genade alleen van de Heere te verwachten.

Want dit verwachten houdt in een opgeven van eigen kennen en kunnen, een opgeven van eigen wijsheid, een verloochening van ons eigen doen. Want anders gaan we met onze plannen het nieuwe jaar in, met onze wijsheid, met onze kracht en dan ontbreekt het verwachten waarvan Jesaja spreekt.

En toch, „tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen, waarlijk, in de Heere is Israëls heil".

Dit verwachten des geloofs, dat door genade wordt beoefend, is een uitzien met verlangen. Het houdt in de lijdzaamheid der hoop. „Zo Hij vertoeft, verbeid Hem, Hij zal gewisselijk komen".

Dan is dus die verwachting de verbindingsschakel met de God onzer verwachting.

De Heere lere ons bij aanvang en voortgang iets van dat ware verwachten, opdat het in onze harten leve: „Zijn goedertierenheid is beter dan het leven, daarom zal ik op Hem hopen".

En als U of jij moet zeggen: „Mijn hoop is vergaan van de Heere", dan doe Hij ervaren wat Hij getuigt: „Gij zult weten dat Ik de Heere ben, dat zij niet beschaamd zullen worden, die Mij verwachten".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1977

Daniel | 24 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1977

Daniel | 24 Pagina's