JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

ANNO DOMINI 1978

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ANNO DOMINI 1978

6 minuten leestijd

Nog even, zo de Heere wil, en het is zover. Als straks op Oudejaarsavond de klok twaalf uur slaat, glijden wij van A.D. 1977 in A.D. 1978. Een mooie afkorting, dat A.D. Voluit staat er Anno Domini. Zoals je weet is het latijn en het betekent „in het jaar des Heeren".

De tijd is van God

Ja, dat komt in dat A.D. duidelijk uit. In de schepping gaf God de indeling in dag en nacht. Daar is meteen al sprake van: „Het was avond geweest, het was morgen geweest, de eerste dag". En al wordt er in de Bijbel gesproken van „mijn tijden" of „dat ook de mens zijn tijd niet weet", toch is voor ons mensen dat bezit van de tijd een onzekere zaak. Wij hebben er zelf niet de beschikking over.

En wat geeft God ons al niet in Zijn tijd! „Gij kroont het jaar Uwer goedheid". „Die ons de regen geeft op Zijn tijd, Die ons de weken en de gezette tijden van de oogst bewaart". „Geloofd zij de Heere, dag bij dag overlaadt Hij ons". Het gehele werk van de schepping prijst zijn maker, ook in de tijdsindeling. „De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk. De dag aan de dag stort overvloediglijk spraak uit en de nacht aan de nacht toont wetenschap".

Voor de Heere Zelf gelden de wetten van de tijd niet. Bij Hem zijn duizend jaren als één dag en één dag als duizend jaren. Toch spreekt Hij tot ons binnen ons denkkader over uren, dagen en jaren. En wat een goedheid en liefde klinkt daar vaak in door! „Ik heb Mijn handen uitgebreid de ganse dag tot een wederstrevig volk." „In de aangename tijd heb Ik u verhoord, en in de dag der zaligheid heb Ik u geholpen. Ziet, nu is het de welaangename tijd, ziet nu is het de dag der zaligheid".

Ineens zal de dag der zaligheid echter voorbij zijn. Plotseling zal daar de jongste dag zijn. Ineens, „want van die dag en die ure weet niemand". Vreselijk zal dat zijn voor allen, die de tijd niet uitgekocht hebben: „Die dag komt, brandende als een oven". „God heeft een dag gesteld, op welke Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen". Dan zal er geen tijd meer zijn. Dan is het voor allen ineens eeuwigheid.

De tijd is aan ons gegeven

Ik zei zoëven, dat wij zelf niet de beschikking hebben over de tijd. Dat is niet helemaal juist. De Heere stelt ons n.1. wel tijd ter beschikking en wij zijn verantwoordelijk voor de besteding daarvan. De lengte van de tijd is echter door Hem bepaald en staat onder Zijn bestuur. „Wij weten de dag van onze dood niet, wij brengen onze jaren door als een gedachte".

Tegelijk hebben wij echter de opdracht te werken zolang het dag is! Lukas vertelt ons in Hand. 17

dat de mensen te Athene hun tijd tot niets anders besteedden, dan om wat nieuws te zeggen of te horen. Het is niet te hopen dat van ons hetzelfde gezegd moet worden.

Er is veel te doen. Laten wij nooit vergeten, dat onze studie of ons beroep een roeping van God is. Bovendien wordt ons bevolen de tijd uit te kopen, dewijl de dagen boos zijn. Wij moeten zo een wijs hart verkrijgen.

Wij kunnen daarbij een voorbeeld nemen aan de christenen te Berea. Die onderzochten dagelijks de Schriften. Wij kennen allemaal de regel uit Psalm 105: „Zoekt dagelijks Zijn aangezicht", of zoals er onberijmd staat: „Zoekt Zijn aangezicht geduriglijk". „Zoekt de Heere terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan terwijl Hij nabij is". En dat is nu!

Mijn tijden zijn in Uw hand

Toen ik mij bezon op dit artikeltje, moest ik steeds terugdenken aan de jaarwisseling 1944-1945. Wat een benauwde tijd was dat toen. Het Zuiden van ons land was bevrijd, maar in het Noorden was de bange hongerwinter begonnen. Als je het niet hebt meegemaakt, kun je je het haast niet voorstellen. Honger, razzia's, beschietingen, geen vervoer, geen gas, geen water, geen elektriciteit. Het is te begrijpen, dat de Oudejaarsdienst in een gedrukte stemming gehouden werd. De bevrijding was wel in zicht, maar hoevelen zouden door de Duitsers nog meegesleept worden in de ondergang? De ergste slag voor de gemeente kwam echter van een heel andere kant: in het voorjaar van 1945 overleden negen jonge kinderen. Niet door direkt oorlogsgeweld, maar door difterie. Men kan zich de verslagenheid en het diepe leed voorstellen, waar zoveel gezinnen door moesten. Ik weet natuurlijk niet precies, wat jullie je van het komende jaar voorstellen. Dat kan per persoon zo sterk verschillen.

Het kan zijn, dat je net als de gemeente van Lisse in 1944, met een bang hart het nieuwe jaar ingaat. Dat er verschillende dingen zijn, waar je met een benauwd hart tegen aan kijkt, als een komend examen, een baan, je werkkring, een noodzakelijke operatie, een verhuizing. Het kan zijn dat je het op het ogenblik erg moeilijk hebt. En wij hebben net gezien, hoe wij het verdriet en de zorg in een bepaalde hoek verwachten, maar dat de beproeving van een heel andere kant komt. Laten wij daarom samen maar eens Psalm 31 lezen, vanaf vers 10. Dan zien wij dat David in grote nood tot de Heere zucht: „Wees mij genadig Heere, want mij is bang". Vijanden aan alle kant en de vrienden en bekenden vluchten bij hem vandaan.

Maar temidden van die ellende klinkt het ineens: „Maar ik vertrouw op U, o Heere! Ik zeg: Gij zijt mij God. Mijn tijden zijn in Uw hand". Wat mooi he? Wat de toekomst ook in mag houden en hoe moeilijk het op het ogenblik ook mag zijn, David weet dat de Heere Davids toekomstige tijd in Zijn hand houdt. In die wetenschap is rust en veiligheid. Om jaloers op te zijn. Je zou zeggen, hoe is het mogelijk, dat de Heilige God gemeenschap kan hebben met een onheilig zondaar, zodat de laatste weer kan zeggen: Mijn God. Het kan en wel alleen om Christus wil, Die blijkens Jes. 61 gekomen is om uit te

roepen het jaar van het welbehagen des Heeren onzes Gods, om alle treurigen te troosten. Valt Hem te voet, Hij heeft nimmer een zondaar afgewezen. En als wij tot onze eeuwige verwondering door genade Zijn eigendom geworden zijn, laten wij dan met groot verlangen Zijn wederkomst tegemoet zien. Als de Heere Jezus zegt: „Ja, Ik kom haastelijk. Amen", moge dan onze roep zijn: „Ja, kom, Heere Jezus". Om zo in de jongste dag, als er geen tijd meer zijn zal, God Drieënig volmaakt te mogen dienen, verlost van de zonde, het boze hart en het eigen ik. En als je nu je hart niet mee kunt krijgen en voelt dat je jezelf niet bekeren kunt? Wel, bid dan het bijbelse gebed: „Heere bekeer mij, dan zal ik bekeerd zijn". De Heere is machtig om te verlossen, daarvoor is de Heere Jezus juist gekomen. En waar Hij verlost, komt in de tijd — en dat kan ook A.D. 1978! — al een stukje eeuwigheid, als uit het hart opklinkt:

mijn God, U zal ik eeuwig loven, omdat Gij het hebt gedaan!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1977

Daniel | 24 Pagina's

ANNO DOMINI 1978

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1977

Daniel | 24 Pagina's