ONZE NODEN
Onze noden zijn vele. Om ze goed te zien hebben we het onderwijs van de Schrift nodig. Echt uitkomst is er dan ook alleen op het gebed tot God, Die helpt in nood. Als vereiste van het Gode aangename gebed noemt de Catechismus ook: „Dat wij onze nood en ellendigheid recht en grondig kennen, opdat wij ons voor het aangedicht Zijner majesteit verootmoedigen".
Noden zijn er altijd
Nood is er altijd, zolang wij in deze zondige wereld leven, tot de jongste dag toe. Nood, niet alleen in oorlogs-, maar ook in vredestijd. Ook in tijden van voorspoed en welvaart. Dan is de nood misschien wel het hoogst. Als we er maar oog voor krijgen en onze nood recht en grondig leren kennen. We zouden zo zeggen, dat er niets was, dat we grondiger kenden dan onze nood. Niets is minder waar. We zijn er zo erg aan toe, dat we in de nood zitten, uit onze nood om hulp roepen en nog niet eens weten hoe diep de nood is, waarin we zijn geraakt. Want, we menen, dat de stoffelijke noden het meest kwellen.
De nood: onbewogenheid
Maar toch is dat niet de nood! Die ligt veel dieper. Wij moeten onze nood grondig kennen, dat is: tot de grond toe peilen. En als we dat doen, stoten we op de geestelijke nood. Wat een nood, dat we zo diep gevallen zijn, dat we nu geheel onbekwaam zijn geworden tot enig geestelijk goed en geneigd zijn tot alle kwaad. De geestelijke nood van de kerk is ook in één woord te noemen: onbewogenheid. Een stroom van goddeloosheid gaat over deze wereld, waardoor Gods Naam wordt ontheiligd, en het beroert nauwelijks. De buitenkerkelijkheid en onkerkelijkheid nemen dagelijks toe en het schijnt maar weinigen te benauwen.
Terwijl eenheid en saambinding nu meer dan ooit geboden is, is er helaas twist en tweedracht waardoor de kerk des Heeren verdeeld is. Is dat geen werkelijke nood?
Onze noden
Ik denk in de regel aan mijn eigen nood. Ieder mens is van nature egocentrisch. Maar er is ook de nood van anderen. Hoe meer ik daar aan denk, hoe geringer mijn eigen nood wordt. En daar moet ik aan denken, want als ik de nood van anderen niet ken, en er niet in meeleef, kan ik voor hen ook niet bidden. En ik moet ook de nood van Gods kerk en Zijn koninkrijk recht en grondig leren kennen. Wat ons voor alles zou moeten interesseren, is de stand van de fronten in de strijd tussen het Koninkrijk Gods en het rijk van satan. Wie daar niet van weet, kan er ook niet voor bidden. Het gebed: Uw koninkrijk kome, wordt dan een holle klank. Velen stellen er geen belang in. Hoe hoog is dan wel de nood gestegen!
De oorzaak van onze noden
Op de bodem aller vragen ligt der wereld zondeschuld. Onze ellendigheid is, dat al die nood het gevolg is van onze zonde. En dat wij al dit kwaad ten volle verdiend hebben, hoewel wij in onze opstandigheid God er soms een verwijt van maken. Onze grootste nood is, dat we van nature gescheiden van God leven. En ook na ontvangen genade is er die nood en ellendigheid, dat we zo geesteloos, ver van de Heere afleven.
Als wij onze nood en ellendigheid recht leren kennen, hebben wij maar één gebed meer: Heere, vergeef! Dat is de rechte ootmoed, die voorwaarde is voor het gebed, en waarvan de Catechismus spreekt: opdat wij ons voor het aangezicht Zijner majesteit verootmoedigen. Verootmoedigen wij ons? Voelen we pijn, als we geslagen worden? Hebben we leren inzien, dat het met ons en met de kerk helemaal niet goed gaat? Dat we
de gedaante der godzaligheid hebben, maar dat de kracht ervan ontbreekt?
Zijn we in de smeltkroes gelouterd, en belijden we voor de Heere, dat we 't in alles verkeerd gedaan hebben, dat er niets van deugde? En begeren we voor alle dingen bekeerd te worden, nieuwe mensen te worden, die geheel voor de Heere willen leven? Dit is tenminste iets van de ware verootmoediging. Moet je belijden: er is bij mijzelf zo weinig verootmoediging? Dat is dan ook wel een grote nood. Vooral als je in Gods Woord de gebeden van de heiligen leest, dan vind je ook altijd de rechte toon der verootmoediging.
Abraham in zijn voorbede voor Sodom en Gomorra stelde zichzelf niet hoog boven die goddeloze steden, maar „heeft zich onderwonden te spreken tot de Heere, hoewel hij stof en as is!"
Funktioneert het Christendom nog?
Moet het ons niet mét toenemende zorg vervullen, als we zien hoe het Christendom voor velen totaal niet meer funktioneert, dat duizenden hun heil elders zoeken en aan de kerkdeuren voorbij gaan? Het is het verbijsterende van onze tijd, dat velen zich niet meer willen laten leiden door het Woord des Heeren; zij staan geheel buiten het geloof in God en Christus. Voor hen is de kerk allang onbekend, of zij is in hun latere leven onbetekenend geworden als normatieve en waardenscheppende instelling. Meer en meer jongeren laten God en kerk koud. Sportevenementen, popmuziek, konsumptiegoederen en akties nemen hun plaats in. Dit houdt in dat miljoenen jongeren in ons land opgroeien zonder enige reële konfrontatie met het Evangelie. En dit kan betekenen, dat over een aantal jaren het grootste deel van het Nederlandse volk en van de Westerse mensheid nauwelijks enige notie van het Evangelie van Gods vrije genade hebben.
Heeft het Christendom in onze Westerse wereld nog toekomst? Of is het ten dode opgescreven? Dat is een nood, als je je dat afvraagt!
De Kerk heeft de belofte van het eeuwige leven. De poorten van de hel zullen Gods duurgekochte Gemeente niet overweldigen. Het ware geloof in Jezus Christus blijft een geloof met toekomst. Ook al zal het Christendom mogelijk gaan naar een geloof van minderheden, en levend aan de basis.
Velen leven zonder hoop
Onze noden zijn vele. Velen zijn nu als losgeslagen schepen, die op drift zijn geraakt in de woedende stormen van het leven. Velen zijn diep geschokt en hebben geen uitzicht, geen verwachting', geen hoop. Al meer duidelijk wordt het, dat de mens van nature leeft zonder God en dat wil ook zeggen: zonder hoop.
In een wereld zonder zin, doel, waarde en norm, zonder houvast, predikt Gods Woord de onaantastbare zin, het onaantastbare doel, de onaantastbare waarde en norm, hèt onaantastbare houvast. Tegenover het uitzichtloze nihilisme van de moderne wijsheid wil de God der genade ook het werk op de verschillende verenigingen die zegen schenken van de ware vreze Gods, waardoor het „onaantastbare" troost in de wankelheid van het leven, richting geeft in de verwarring van het bestaan, uitzicht biedt dwars door de blinde muren van de dood.
De christelijke hoop
Wanneer alles ontvalt, ontnomen wordt, in de diepste nood, dan is het de christelijke hoop, die in God Zelf genoeg doet hebben. In de werkelijkheid van het leven der genade zijn geloof, hoop en liefde nooit te scheiden. Wie Christus door een oprecht geloof is ingeplant, zal Hem liefhebben, maar ook alles van Hem verwachten en altijd op Hem blijven hopen Christus wordt genoemd „de hoop der heerlijkheid". Wanneer de apostel opwekt: verblijdt u in de hoop, dan behelst dit een blijdschap in Christus, Die Zijn werk niet alleen begint in het heden, maar ook voleindigt in de laatste toekomst.
Het wonder van de Goddelijke verlossing is daarom zo groot, omdat die verlossing zo volkomen is, uit alle noden; naar lichaam en ziel, voor tijd en eeuwigheid.
Alle hooggespannen verwachtingen op dit leven, in plaats van op de God van dit leven, zijn niet anders dan een zich vleien met een ijdele hoop. De algemene menselijke hoop hoopt altijd te veel, al hoopt zij nog zo weinig en is daarom gedoemd tot troosteloze teleurstelling.
Maar de ware christelijke hoop hoopt altijd te weinig, al hoopt zij nog zo veel en is daarom uitverkoren tot troostvolle verwondering van Gods kinderen.
De natuurlijke mens hoopt op de dingen van deze tijd, maar bij de ware hoop
gaat het om wat eeuwig is, gaat het om het eeuwige leven. Gelukkig zij, die door genade aan een uitzichtloos leven in de tijd ontvangen de wijde blik op Gods eeuwigheid. Voor die de Heere vrezen is er geen onzekere en onbekende en evenmin een donkere toekomst. Tegenover alle denkbare vijanden heeft God Zelf gesteld Zijn hoogst denkbare overwinning. God blijft Dezelfde. Die Zijn volk doet ingaan door veel verdrukkingen en Die eenmaal „alles zal zijn in allen".
De zon van het toekomende werpt zijn stralen in de duisternis van het heden.
De Koning van de Kerk heeft het gezegd: „In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goede moed; Ik heb de wereld overwonnen". Is Israël in nood, er zal verlossing komen; Zijn goedheid is zeer groot.
Door het geloof in Jezus, als de volkomen Zaligmaker, is er de zekere verwachting van de volkomen verlossing van alle schuld, van alle macht en van alle gevolgen van de zonde. Dat doet ook leven als vreemdeling en niet als burger op deze aarde. De gelovige, die gelooft, is steeds aan het hopen, omdat het hoogste goed nooit te vinden is in deze wereld.
De ware hoop doet wel de wereld verzaken, maar niet onze roeping in deze wereld. Het leven van het geloof is ook een strijd om in te gaan. Zonder strijd is er geen overwinning. En wanneer wij geen droefheid over de zonde hebben, zo kunnen wij ook geen blijdschap over de vergeving en eenmaal de volkomen verlossing van onze zonden hebben.
Het is aan de mens in het algemeen en aan de jeugd in het bijzonder eigen om idealist van nature te zijn. Wat wij van nature zijn is helaas niet meer mooi, maar zeer lelijk, zeer gevaarlijk, zeer goddeloos door de zonden. Wij willen, of wij nu jong of oud zijn, evenals Petrus heel graag een Christus zonder kruis en daarom een christen zijn zonder kruis. Genade alleen leert wat en wie recht heeft op de eerste plaats in ons verwachten, namelijk Christus en Zijn rijk. Dat Koninkrijk is niet van deze wereld.
De mens heeft nu veel, soms alles, van zijn idealen verloren. Toch kan hij bij brood alleen niet leven, maar nog minder bij niets. Geen enkel mens kan konsekwent nihilist zijn. Aan de rand van de vertwijfeling schreeuwt hij toch weer om levensredding.
Gods Woord predikt geen menselijke idealen en geen humanistische verwachtingen. Maar Jezus Christus, de hoop der heerlijkheid. Alleen zij, die de Heere verwachten in hun leven, zullen niet beschaamd, niet teleurgesteld worden. Voor het leven nu en straks niet.
De stormloop der geschiedenis leert steeds weer: opgaan, blinken en verzinken. Alleen de ware hoop van Gods kinderen heeft hier verwachting en uitzicht. Die hoop zingt in het geloof, dat, hoewel „niets hier blijvend is, en alles, hoe schoon ook, eenmaal zal vergaan", dat er toch iets is, dat „eeuwig zijn waarde houdt en eeuwig zal bestaan".
Dat iets is het Koninkrijk der hemelen zelf, puur geestelijk, als puur werk van God. Er zijn blijvende waarden, onaantastbare goederen, veilig beschermde kinderen. Deze komen uit de grote verdrukking toch binnen.
Onze noden zijn vele. Maar weet je: hoe slechter het gaat, des te beter wordt het! Groter dan de Helper is de nood toch niet! Zijn Woord geldt zeker nog: moesten deze dingen niet alzo geschieden? Want als de nood het hoogst is, dan is de redding nabij. Daarom heeft de verhoogde Koning het alvast gezegd:
„Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zo ziet omhoog, en heft uw hoofden opwaarts, omdat uw verlossing nabij is".
Zoekt die God, Die helpt in nood; uit alle nood!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1977
Daniel | 20 Pagina's