TOCH NAAR ROME
(5)
Heil Domitianus, heil
Toen Plinius en Cornelius de grote arena binnen kwamen, moesten ze zoeken naar een plaatsje. Het was er al zo vol, dat het moeilijk was om tussen die woelige mensenmenigte nog een open plekje te vinden. Het lukte gelukkig en kauwend op hun koeken keken ze rond. Op de voorste rijen zitplaatsen zaten de voornaamsten van de stad. Soms was de keizer er. Wie weet, misschien kwam hij nu ook wel.
Men zegt, dat hij een vreselijke hekel heeft aan de Christenen, omdat die hem geen goddelijke eer willen bewijzen.
Plinius en Cornelius kijken vol spanning naar de keizerlijke loge. Zou hij komen, de machtige keizer over dat grote Romeinse Rijk? Ja, o ja, als één man staat die geweldige mensenzee op: „Heil Domitianus, heil!" Plinius voelt zijn hart bonzen. Eindelijk, eindelijk ziet hij de keizer. Al de jaren, die hij nu in Rome woont, heeft hij noch keizer Titus, noch zijn broer ooit gezien. „Wat een nijdas", sist Cornelius tussen zijn tanden. Plinius schrikt. Als iemand dat hoort! Maar daar hoeft hij niet bang voor te zijn.
„Heil, heil" schreeuwt, brult de mensenmassa. Domitianus is gaan zitten. De norse uitdrukking op zijn gezicht is iets verzacht bij het zien en horen van zoveel hulde. Wantrouwend als hij is, verdenkt hij iedereen. Hij heeft een diepe haat in zijn. hart tegen de Christenen die weigeren hem te offeren. Anders dan zijn vader: Vespasianus en zijn broer Titus, die ; .de Christenen met rust lieten, vervolgt hij ze te vuur en te zwaard. Ah, daar komen ze. Niemand heeft meer aandacht voor de keizer, 't Wordt stil in het grote amfitheater. De spanning is voelbaar. Bijna iedereen weet wat komen gaat. Straks gaan de kooien open, waarin hongerige leeuwen zitten opgesloten. Die zullen de groep mensen, middèn in de arena al gauw in de gaten hebben. En dan ah, een rilling van opwinding gaat er door de rijen. Plinius en Cornelius voelen die spanning, die opwinding. Ze vergeten hun koek, ze buigen zich een beetje voorover en houden hun adem in. Een gruwelijk gebrul vervult het grote gebouw.
De roofdieren hebben mensenlucht geroken. Ze duiken ineen. Hun groenig glanzende ogen gericht op het groepje mannen en vrouwen, dat dicht bij elkaar staat. Na het gebrul van de hongerige leeuwen lijkt de stilte in het amfitheater wel voelbaar. Plinius schokt plotseling op. Hoort hij het goed? Zingen die mensen? Ja, ze zingen van hun God, Die helpt in nood, Die de muilen der leeuwen toesluit.. Plots vallen de roofdieren aan. Een kort ogenblik en het groepje Christenen is niet meer.
Slaven jagen de leeuwen weer terug in hun kooien, anderen strooien nieuw zand in de arena. De mensen schreeuwen en roepen. Domitianus steekt zijn hand op. Ha, er komt nog meer. Opnieuw wordt het stil. Cornelius heeft Plinius hard op de schouder geslagen. „Dat was nog eens een schouwspel, vind je niet? " Maar Plinius had niets teruggezegd. Er zat een vreemde brok in zijn keel. Waren dat nou Christenen? Waren die nou zo gevaarlijk, dat ze niet mochten blijven leven? Oh, als hij daar had gestaan. Hij zou zich verdedigd hebben. Hij zou zomaar niet hebben afgewacht tot de leeuwen aanvielen. Maar 't vreemdste was dat zingen Oh, er komt nog wat. Twee slaven brengen een meisje in de arena. Ze hebben ook hout bij zich en een lange paal. Ze binden dat meisje vast aan de paal, die ze in de grond hebben gezet. Eerst hebben ze een stapel takken op het zand gelegd. Daar moet het meisje bovenop gaan staan, dan wordt ze vastgebonden. De slaven steken de takken aan en het duurt niet lang of de vlammen grijpen het meisje. Zonder een kreet te slaken
of om hulp te roepen, staat ze zomaar te midden van die vlammen. Oh, hoor, ze roept toch wat. Plinius houdt zijn adem in. Weer hoort hij de Naam van de God van de Christenen. En weer juichen en schreeuwen de mensen hun kelen schor. „Weg met de Christenen, heil Domitianus, heil!"
„Waar kan ik Hem vinden? "
Een jaar is er voorbij gegaan. Nog drie keer is Plinius naar de arena geweest.
Toen Cornelius hem voor de vierde keer voorstelde naar het Collosseum te gaan, zei hij: „Nee Cornelius, ik doe het niet meer. Ik kan het niet meer. Ik wil die God van de Christenen ook leren kennen. Hij moet een machtige God zijn. Eén Die veel machtiger is dan onze goden. Ik heb nog nooit een Christen bang gezien".
Cornelius had hem verbaasd aangekeken. Vader Marius had hem gewaarschuwd. „Plinius, bemoei je niet met die mensen, het zal je dood zijn". Maar Plinius is niet meegegaan. Wie, o Wie is die God toch. Waar woont Hij, waar zou ik Hem kunnen vinden?
Je bent de laatste, Plinius
Het is nacht. Door de straten van Rome loopt een jongeman. Zonder aarzelen gaat hij zijn weg. Bij elke hoek van een straat kijkt hij om zich heen. Als hij een plein over moet, wacht hij tot de maan achter een dikke wolk verdwenen is, dan steekt hij vlug over. Bij een voornaam huis staat hij stil. Hij klopt een paar keer op de deur, die bijna direkt daarna open gaat. De jongeman weet de weg, hij loopt regelrecht naar de kelder van het huis. Daar branden olielampen. Dat kun je vanaf de straat niet zien. Er zijn zeker twintig mensen bij elkaar. Ze begroeten hem vriendelijk. „Je bent de laatste Plinius, nu kunnen we beginnen". Er staat een man achter een lessenaar. Hij knikt Plinius vriendelijk toe, dan vouwt hij zijn handen Twee uur later is het weer donker in de kelder. Door de straten van Rome gaan verschillende mensen, ze lopen niet bij elkaar, ieder gaat apart zijn weg, Plinius ook. Zijn hart is licht en blij. „Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen". Straks als hij thuiskomt zal hij het vertellen aan vader, aan Cornelius. Ze moeten het horen Wie zijn God is. Plinius doet er een stapje op.
Plinius is Thuis
Bij de triomfbogen van keizer Titus staat een kraampje. Een dikke koopman komt handen te kort om zijn klanten te bedienen. Het grote Collosseum stroomt langzaam vol en ieder wil wel wat te snoepen hebben. „Hier man, ik een handvol noten!" „Vooruit koopman, geef eens vier dadelkoeken". De dikkerd glundert. Het zweet stroomt van z'n gezicht. Hij heeft hier maar een best plaatsje gehuurd. Hoe meer Christenen er gedood worden hoe beter. „Ja, ja, geduld, ik zal u helpen". Zijn dikke vingers pakken vier verse dadelkoeken.
„Als 't u blieft, één denarie". Langzamerhand wordt het minder druk bij het stalletje en als het Collosseum tot de laatste plaats bezet is kan de dikke koopman gaan zitten.
Terwijl hij zijn geld veilig opbergt en de lege manden in elkaar stapelt, is het in het grote theater stil geworden. Middenin de arena staat een jongeman, zijn gelaat naar de keizerlijke loge gekeerd. Voor z'n voeten ligt een kort zwaard. „Ge moogt u verdedigen", zo klonk het uit de mond van de keizer. Maar de jongeman heeft het scherpe wapen in het zand gegooid. Veel is er in dit korte ogenblik door hem heengegaan. „Ik wil later ook zwaardvechters hebben, Cornelius". Hoe lang was dat geleden? En z'n gedachten gaan terug naar het lege amfitheater in Pompeji waar hij met Cornelius stond te griezelen voor de deuren van de gladiatorenverblijven. En nog geen twee jaar geleden? Toen zat hij toe te kijken en stond er een groepje Christenen op deze plaats. „Ik zou me verdedigen, ik zou vechten", was toen zijn gedachte geweest. En nu? Daar ligt het zwaard. Terwijl een slaaf de schuif vast heeft van de kooi, om die open te trekken, steekt de jongeman zijn hand op. 't Wordt nog stiller in de grote schouwburg. „Mijn God, o keizer, Die ik eer, is machtig mij te verlossen. Maar zo niet, het zij u bekend o keizer, dat ik uw goden niet zal eren noch aanbidden".
De duizenden mensen houden de adem in. In menig hart komt verwondering over de moed van deze jongeman. De keizer is opgestaan. Hij strekt zijn hand uit. „Gij zult zekerlijk sterven". De slaaf trekt de kooi open. Rustig staat de jongeman te wachten. Dan een sprong, een geweldige slag en Plinius, de zoon van Marius, de wijnhandelaar is Thuis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1977
Daniel | 20 Pagina's