JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

EEN LIED OP DE SABBATDAG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN LIED OP DE SABBATDAG

8 minuten leestijd

(Psalm 92)

Israël had vele feesten. Op die feesten verzamelde zich het volk in de tabernakel of tempel, en werd God, mede door middel van de psalmen, lof en aanbidding toegebracht.

Toch vinden we in de psalmbundel geen bepaalde aanduidingen, dat voor dit of dat feest, die of die psalm bestemd was. Er is slechts één psalm, die uitdrukkelijk voor een feestdag wordt bestemd en dat is psalm 92, „een Psalm, een lied op de Sabbatdag". Mogen we daarin niet iets bijzonders zien? Is daardoor de sabbat niet geplaatst aan het hoofd der feesten? Leert het ons niet, dat we in het bijzonder op de sabbat de Heere mogen en moeten loven en ons in Hem mogen verblijden?

Niet slechts op de feesten, enkele malen in het jaar gevierd, maar van week tot week, thans op de zondag, mag de gemeente Gods het zingen: „Het is goed, dat men de HEERE love, en Uw Naam psalmzinge, o Allerhoogste".

Kerst-, Paas-en Pinksterliederen zijn er vele, maar wat zijn er weinig zondagsliederen!

Hoe komt dat? Zou misschien de oorzaak zijn, dat we niet bij de zondag leven zoals het behoort.

Ik weet wel, in vele van onze gezinnen wordt de eerste dag der week gelukkig nog met vreugde tegemoet gezien, menigeen verlangt naar de kerkdienst; maar voor anderen, ook onder ons, is de zondag een dag waarop v/e allerlei dingen niet mógen doen; een dag waarop we naar de kerk móeten; een dag zelfs met obstakels en prikkeldraad, als was het een gevangenisdag.

Hoe komen ook daarin openbaar de bittere gevolgen van onze zondeval. Immers: hoe anders was het toen de mens sabbat vierde in het Paradijs. Daar was vrede en blijdschap. Alles wat adem had, loofde de Heere. Het was de dag, waarop alle werk volmaakt was. Daar was niets wat de rust en de vrede verstoorde.

Maar hoe spoedig is dat licht verdonkerd en die vrede verstoord. Het scheen wel of er een eeuwige nacht volgde op die morgen van het Paradijs.

Doch dit is het laatste niet geweest. Opdat er een rust zou overblijven voor Zijn volk, heeft de Heere in het midden van deze donkerheid het Licht der lichten doen opgaan. En zo predikt iedere sabbat telkens weer, dat er een rust is overgebleven voor het volk des Heeren. Iedere sabbat predikt de heerlijkheid, die de Heere tegenover de verdorvenheid van de zonde stelde.

Werd op de eerste sabbatdag het loflied gezongen van de werken, die in het verbond der werken volbracht waren, nü wordt het lied een loflied op het volkomen werk van de Heere Jezus Christus, waardoor en waaruit alleen het leven en de heerlijkheid is van het volk dat door genade de eeuwige sabbat leert aanvangen.

Hoe groot zijn Uw werken

De dichter van psalm 92 mocht dit door het geloof ervaren in het heiligdom, en daarbij in het bijzonder letten op het einde aller dingen. Hij roept uit: „o Heere, hoe groot zijn Uw werken, zeer diep zijn Uw gedachten".

Immers; hij zag in dat heiligdom, dat. er hier niets zonder doel en zin is; hij zag het grote onderscheid in leven en levensdoel onder de kinderen der mensen. Hij zag een volk, dat veel voorspoed in de wereld genoot. Al wat het deed gelukte. Zoals bloemen en planten welig opgroeien en met sierlijke bloemen pronken, zo was het ook met dit ene volk.

Hij zag ook een ander volk. Al staat dat niet letterlijk in deze psalm, het mag toch wel uit hetgeen gezegd wordt, worden opgemaakt. Veel wederwaardigheden waren het deel van dit volk, en hun bestraffing was er elke morgen. Hun groei

zag hij in een heel ander beeld. Hij zag dat volk namelijk groeien als bomen op het veld, die veel tegenheden moeten verduren en eerst na lange tijd met vruchten zijn beladen.

En als de dichter dit gezien heeft, roept hij vol verwondering uit: , , Een onvernuftig man v/eet daar niet van, en een dwaas verstaat dit niet"!

Een dwaas in geestelijke zin merkt niet op het einde, die ziet niet dat de voorspoed van de goddelozen daarop uitloopt, dat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.

Het is alsof de dichter zegt: wat is hij dwaas, die zich daar geen rekenschap van geeft. Want zoals plant en bloem in de morgen van hun leven wel met hun schoonheid pronken, maar na korte tijd verwelken en dan afgesneden worden en nergens anders toe deugen dan weggeworpen te worden, zo zullen ook allen, welker levenswortels in de wereld liggen en welker bestaan uit en van de wereld is, tot in eeuwigheid verdelgd worden.

En daartegenover mag de dichter van zichzelf en mede van al Gods kinderen in het geloof zeggen: „Gij zult mijnen hoorn verhogen gelijk eens eenhoorns; ik ben met verse olie overgoten. En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan". Met andere woorden: zoals-Uw gerechtigheid openbaar wordt in het droevig einde van de goddelozen, zo schitteren Uw barmhartigheid en Uw waarheid in alles wat Gij Uw kinderen schenkt. Wanneer dan de goddelozen mij tegenstaan, geeft Gij mij kracht om over hen te triumferen. Die overwinning zal zó volledig zijn, dat mijn oog de verslagen vijand voor mijn voeten zal zien liggen, en mijn oor zal horen hetgeen Gij over de boosdoeners zult zeggen.

De rechtvaardige za! bloeien als eer palmboom

En dan besluit de dichter deze psalm door in schone beeldspraak te schilderen het heerlijk deel van de rechtvaardigen.

Terwijl de voorspoed van de goddelozen is als de spoedig stervende bloei van het kruid des velds, is het deel van de vromen te vergelijken met de pracht van de palm en de ceder op Libanon. „De rechtvaardige zal groeien als een palmboom, hij zal wassen als een cederboom op Libanon".

De rechtvaardige? Zijn er rechtvaardigen op deze aarde? Rechtvaardig wil toch zeggen: zonder gebrek, volkomen recht en heilig?

Inderdaad, bovendien zegt de Schrift: „daar is niemand rechtvaardig, ook niet één". De rechtvaardigen waarvan hier sprake is, zijn dan ook niet rechtvaardig in zichzelf. In zichzelf kunnen zij voor God niet bestaan, en in zichzelf hebben zij ook geen leven. In zichzelf zijn ze verloren zondaren, zonder enige waardigheid.

Ja meer nog! Ze zijn in alles veroordeeld en beschuldigd, in alles benauwd en verlegen met en over zichzelf.

Maar daar zij nu in zichzelf niets hadden, en toch ook in hun zonden en verlorenheid niet blijven konden, omdat zij met onzichtbare banden van goddelijke barmhartigheid en goedertierenheid getrokken werden, werden zij in die nood gedreven om in Christus te zoeken wat zij volkomen misten.

En zo zijn de rechtvaardigen, van wie hier sprake is, degenen die zonder enige verdienste hunnerzijds, uit loutere genade, de volkomen gerechtigheid en heiligheid van Christus werd geschonken, zodat de Heere hen in de Zoon Zijner liefde kan aanzien, als hadden zij nooit zonde gedaan en alle gehoorzaamheid der wet volbracht. Zoals de palmboom zijn wortels in de diepte boort, zodat zij terecht komen in de verborgen wateraders die onder de woestijn lopen, zo trekken de rechtvaardigen hun levenssappen uit het Woord, waarin de Levensader Jezus Christus verborgen is. Zoals de cederboom zijn wortels uitslaat in de vaste grond van de Libanon, zo wortelen de gelovigen in de vaste grond Jezus Christus, en uit Hem dragen zij heerlijke vruchten.

Geplant in het huis des Heeren

En heel deze schoonheid van de rechtvaardigen is te verklaren uit het geplant zijn in het huis des HEEREN, in de voorhoven Gods, dat wil zeggen in het Koninkrijk des Heeren, in de gemeenschap Gods.

Let er op: ze zijn geplant, dat wil zeggen: overgeplant!

Oorspronkelijk stonden ze in de wereld. De levensbodem deugde niet. Zij groeiden in een grond van vijandschap tegen God en haat tegen hun naaste; in een bodem van diepe afval, opstand en hoogmoed, zonder dat zij ooit een goede vrucht konden voortbrengen. En uit die giftige bodem zijn ze uitgerukt. Zij werden gesnoeid en gekapt, en daarna ingeënt op een nieuwe wortel, op de Levensstam Jezus Christus, om nu met nieuwe heerlijkheid bekleed te worden en te leren roemen in een andere roem dan de hunne. En het gevolg? In de grijsheid, waar achter een rijke ervaring van 's Heeren goedheid ligt, verblijden zij zich nog steeds in God. De vrucht, die zij ook dan nog dragen, ligt in hun verkondiging van Gods rechtvaardigheid in al wat Hij doet.

Deze zekerheid is ook het deel van de dichter van psalm 92 geworden, en hij eindigt zijn sabbatslied dan ook met een persoonlijke belijdenis: „Hij is mijn Rotssteen, en in Hem is geen onrecht".

Oude, geoefende kinderen van God kunnen dat zo hartelijk, zo diep overtuigd verkondigen. Dat de Heere recht is, dat hebben zij in hun lange leven zo kunnen waarnemen. In hun lange leven zagen zij, dat de straffen, die God dreigde over zondaren, metterdaad kwamen. Hoe zagen zij de oordelen Gods neerkomen, nadat zij lang geleden gedreigd waren, en lang op zich hadden laten wachten. Hoe zagen zij anderzijds de beloften Gods, die lang te voren beloofd waren, en die lang op zich lieten wachten, tenslotte vervuld aan Gods arme en ellendige volk, opdat zij tot in eeuwigheid het recht van hun God zouden bezingen.

Een psalm, een lied op de Sabbatdag. Dat leert de wereld ons niet en nooit! Dat wordt alleen geleerd in het huis des HEEREN, in de voorhoven onzes Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1977

Daniel | 24 Pagina's

EEN LIED OP DE SABBATDAG

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1977

Daniel | 24 Pagina's