EEN ONBEKEND GEBIED ONTSLOTEN
Drs. A. H. Hofman: , , Ledeboerianen en Kruisgezinden. Een kerkhistorische studie over het ontstaan van de Gereformeerde Gemeenten (1834-1927). Uitg. B.V. „De Banier'" Utrecht, 298 blz. Prijs ƒ 39, 50.
Ontwerpers van aardrijkskundige kaarten schreven in vroeger tijd bij sommige delen van de aardbol de woorden neer: terra incognita, onbekend gebied. Dat waren streken die niet of nauwelijks waren verkend. Wel had men het vermoeden dat daar wat te ontdekken viel. Zó was het tot voor enkele tientallen jaren ook met de geschiedenis van de Geref. Gemeenten. Ds. G. H. Kersten gaf in de avond van zijn leven als eerste wat grote lijnen in het nog altijd lezenswaardige „Kort historisch overzicht" van 1947. Daarna publiceerde vooral de heer H. M. Stoppelenburg in zijn „Kerkhistorische Kroniek" menig waardevol detail. Doch belangrijke gedeelten van de historie der Geref. Gemeenten vöör 1907 bleven onbekend gebied. Daarom is het zeer verheugend, dat Drs. Hofman, ook in de kringen van het jeugdwerk geen onbekende, nu in een studie over „Ledeboerianen en Kruisgezinden" dit terra incognita voor een brede lezerskring heeft ontsloten.
Indeling, literatuur en archieven
Het boek valt in drie hoofddelen uiteen. Blz. 15—146 tekenen „Het kerkhistorisch leven der gemeenten". Het tweede deel beschrijft „Het geestelijk en maatschappelijk leven der gemeenten" (blz. 147-212). De studie wordt afgerond met een korte „Slotbeschouwing" (blz. 213-218) en gevolgd door een fors aantal pagina's noten, bijlagen en een uitvoerige, waardevolle literatuurlijst. Uiteraard komen daarop de titels voor van een aantal bekende werken, maar ook die van vele oude, weinig voorkomende geschriften uit de kring der gemeenten. De schrijver heeft echter ook geput uit nimmer gepubliceerde archiefstukken, zoals notulen van kerkeraden en Algemene Vergaderingen. Zo zijn o.m. gegevens verwerkt uit de archieven van de gemeenten te Moerkapelle, Dirksland, Leiden, Middelburg, Meliskerke, Rotterdam-C, Aagtekerke, Lisse, Vlaardingen, de Oud-Geref. Gemeenten te 's Gravenpolder en het Kerkelijk Archief te Zeist. Uit deze opsomming blijkt al, dat de betekenis van dit boek niet moet worden gezocht in de éérste hoofdstukken over de Afscheiding, Ds. Ledeboer en Ds. P. van Dijke. Die bieden een goede samenvatting van bestaande literatuur, maar geven praktisch geen nieuwe gezichtspunten. Dat geldt trouwens ook voor het hoofdstuk over Ds. C. van den Oever. Een uitzondering wordt gevormd door de blz. 39 t/m 41, die informeren over de persoon van Jhr. Willem Versluys, de „beschermer" van de volgelingen van Ds. Ledeboer op Walcheren.
Wegen in de wirwar
De bijzondere waarde van deze studie ligt in de met grote zorg en tot in kleine details beschreven geschiedenis van de periode van omstreeks 1869 tot 1907. Om dit onbekende gebied werkelijk goed te ontsluiten, geeft de schrijver niet slechts de geschiedenis van de gemeenten van Ds. Ledeboer en de Kruisgemeenten, die in 1869 ontstonden, maar ook die van de betrekkelijk vele Vrije Gemeenten die na dit jaartal worden gevormd en de gemeenten van Ds. C. van den Oever.
Uiteindelijk zijn deze vier groepen vrijwel geheel of gedeeltelijk samengegaan in de Gereformeerde Gemeenten. Het is een bekend feit, dat in deze periode het belang van een goed geordend kerkelijk leven nauwelijks werd ingezien. Dat is een van de redenen waarom de historie der gemeenten in dit tijdvak het beeld van een „wirwar van draden en draadjes" vertoont (blz. 124).
Ieder zal beseffen dat dit voor een schrijver een extra moeilijkheid meebrengt t.a.v. de verwerking van de stof. Drs. Hofman is er meestal in geslaagd dit probleem te overwinnen en in de wirwar zodanige orde te scheppen, dat een informatief en leesbaar geheel is ontstaan. Soms bedreigt de reeks feitelijke medededelingen de vlotte kennisname van de inhoud van het boek en zou men wat meer zicht op de grote lijnen wensen.
Een lange rij van gestalten
In het algemeen heeft de auteur de beschrijving van gemeenten en „rek"-verbanden wel op een aanvaardbare wijze weten te kombineren met geschreven portretten van oefenaars en predikanten, die deze gedeelten van de kerk des Heeren in eenvoud en liefde hebben gediend. Bijzonder boeiend is de figuur van Ds. E. Fransen, die met liefdevolle aandacht in zijn grootheid en zwakheid wordt geschetst. Dit portret zou nog aan diepte hebben gewonnen, wanneer daarbij betrokken was het werkje „Eenige brieven van den Weleerwaarde Heer Elias Fransen aan Catharina Juliana Maria Sieben", Kampen, 1899. Daarin ziet men werkelijk Ds. Fransen in het hart.
Al lezend trekt een lange rij van gestalten uit het verleden aan je voorbij. Daar zijn de oefenaars D. Wijting, L. Wijting, J. Vader, P. Ingelse en anderen. Met name oefenaar H. van Schothorst krijgt ruime aandacht. Van de predikanten noteerde ik ondermeer de namen van Ds. P. Los, Ds. A. O. Schaafsma, Ds. D. Bakker, Ds. P. van der Heijden, Ds. A. Makkenze, Ds. Abr. Verhey, Ds. P. Versteeg, Ds. J. W. van den Broek — de man die pertinent weigerde mee te gaan met de „gedwongen" vereniging van 1869 en dat in kruidige taal kenbaar maakte — Ds. B. Sterkenburg, Ds. L. Boone, Ds. Boeser van Smalen, Ds. A. Janse, Ds. M. Ozinga. Ook de noten geven veel informatie over personen.
De bijlagen en „1907"
Bovendien zijn in de bijlagen o.m. overzichten opgenomen van de ambtsbevestigingen bij de Ledeboerianen (de z.g.n. linie), het aantal gemeenten ten tijde van het overlijden van Ds. Ledeboer, de data van de Algemene Vergaderingen van de Ledeboeriaanse gemeenten en van de Kruisgemeenten. In het laatstgenoemde overzicht ontbreken bij de datum 23 mei 1907 de namen van de praeses en de scriba. Dit waren resp. Ds. G. H. Kersten en Ds. A. Janse, blijkens het Kort Verslag van de Synode van de Geref. Gemeenten onder 't Kruis van die datum. De schrijver heeft dit Verslag blijkbaar niet in de door hem geraadpleegde archieven aangetroffen. Daardoor is de directe voorgeschiedenis van de Vereniging van 1907, waaraan slechts enkele zinnen worden gewijd, niet uit de verf gekomen en feitelijk niet geheel juist weergegeven (blz. 127). Het is een gelukkige omstandigheid, dat dit facet wel uitvoerig wordt beschreven in het bij uitgeverij Hoekman verschenen boek „Alleen uit Hem en door Hem". Daar beide boeken elkaar t.a.v. „1907" aanvullen, is er in dit herdenkingsjaar toch volledige informatie beschikbaar.
Medicijn
Het lezen van „Ledeboerianen en Kruisgezinden" is overigens een zeer heilzaam me-
dicijn voor de neiging", die in ons allen wel eens de kop opsteekt, om het verleden te idealiseren. Naast veel zegen staat in deze periode veel twist. De schrijver spreekt over een versplintering onder de Ledeboeriaanse gemeenten, die „zo langzamerhand groteske vormen" aannam (blz. 54) en „golven van twist en tweedracht" in de Kruisgemeenten rond de eeuwwisseling (blz. 95). Deze studie heeft mij nog meer in de overtuiging gesterkt, dat in de Vereniging van 1907 de ontfermende leiding van God op kennelijke wijze zichtbaar is geworden over enkele kleine delen van Zijn kerk, die door gemoedelijk individualisme uiteen dreigden te vallen. Ik kan mij dan ook geheel vinden in de slotsom van de schrijver, dat de positieve gevolgen van „1907" niet hoog genoeg kunnen worden aangeslagen (blz. 144).
De centrale figuur
Vanzelfsprekend krijgt de figuur van Ds. Kersten, stuwende kracht achter de Vereniging bijzondere aandacht. De schrijver wijst op het reeds bekende feit, dat hij als jong oefenaar door het verbreken van een verloving in sommige Kruisgemeenten tijdelijk een omstreden figuur is geweest. Ds. Kersten komt opnieuw ter sprake in het hoofdstuk „Consolidatie", dat op enige gegevens over de broeders-predikanten Overduin na en juiste opmerkingen over Ds. den Hengst geen nieuwe informatie biedt. Hier schetst de auteur Ds. Kersten als „de centrale figuur met een enorme werkkracht", die ver boven zijn tijdgenoten uitstak. Daarbij geeft hij als zijn mening dat Ds. Kersten wel eens te zeer op een voetstuk geplaatst en bewierookt is. Uit dit boek zou duidelijk worden, dat een herwaardering van zijn optreden op sommige punten wenselijk is (blz. 145).
Daartegen bestaat geen bezwaar, doch dan moet een dergelijke herwaardering wel geschieden op basis van nieuwe feiten-van-betekenis en een evenwichtige beoordeling daarvan tegen de achtergrond van de tijd waarin iemand leeft en werkt. Tot zijn verbazing heb ik echter bij herhaalde, zorgvuldige lezing van de passages over Ds. Kersten geen feiten gevonden, die de bepleite herwaardering rechtvaardigen. De schrijver laat na om zijn mening „hard" te maken (vgl. ook blz. 90). Daarmee verliest de betreffende konklusie zijn kracht. Bovendien komt het mij voor, dat op grond van de beschikbare gegevens een dergelijke herwaardering juist voor de periode 1807 - 1927 het minst waarschijnlijk is.
Ook enkele andere uitspraken van dit hoofdstuk lijken mij nog onvoldoende onderbouwd. Waardevol is de suggestie om de wijze van optreden en het taalgebruik van Dr. Kuyper en Ds. Kersten aan een nader vergelijkend onderzoek te onderwerpen.
Een boeiende terreinverkenning
Het tweede deel van de studie draagt het karakter van een terreinverkenning (blz. 147) en moet dus als zodanig gelezen en gewaardeerd worden. Hier komen onderwerpen als het geestelijk leven, de vaak onderschatte pastorale verzorging, prediking, leer en leven in kort bestek ter sprake. Eén van de konklusies van de schrijver is, dat er tussen de prediking van het voorgeslacht en die van de Gereformeerde Gemeenten wel vormverschillen doch geen inhoudelijke verschillen bestaan (blz. 190). Wel is er een gewijzigde opvatting gekomen over de algemene genade, die door ons voorgeslacht praktisch algemeen gezien werd als een vrucht van Christus' zoenverdienste. Zeer interessant is de toetsing van de visies van Dr. Steenblok en Prof. Veenhof op punten als verbond en aanbod van genade aan de uitkomsten van het ingestelde kerkhistorisch onderzoek. Het leggen van een „automatische" verbinding tussen de „Drentse richting" binnen de Afscheiding met de Gereformeerde Gemeenten blijkt niet zondermeer mogelijk te zijn (blz. 188). Het is niet juist de auteur van eenzijdigheid en een gekleurde visie te beschuldigen, zoals onlangs in een blad geschiedde, omdat een dergelijke konklusie ons niet welgevallig is. Bezwaren zal men door verantwoord onderzoek moeten waarmaken. Boeiend is ook het gedeelte over het maatschappelijk leven van Ledeboerianen en Kruisgezinden. Wel heb ik mij afgevraagd of de schrijver niet over het hoofd ziet, dat er onder „de stillen in den lande in sommige gemeenten wel degelijk een gegoede boeren-en middenstand aanwezig was, die soms niet geheel vrij bleek van een wat oud-liberaal getinte kijk op het maatschap-
pelijk leven. Die visie bleef helaas niet altijd buiten de kerkeraden. De vermaning aan de diakenen, die te vinden is in de catechismusverklaring van Ds. Kersten (blz. 410) zal wel als een late reaktie op deze situatie gelezen moeten worden. In dit licht lijkt mij de indruk, die op blz. 209 gegeven wordt, voor nader onderzoek en voor enige korrektie vatbaar.
Twee opmerkingen moeten me tenslotte echt van het hart. Wat is het bijzonder jammer, dat deze studie niet is voorzien van een personenregister. Hoe komt een lezer er nu snel achter dat op blz. 238, om maar iets te noemen, in het notenmateriaal veel gegevens te vinden zijn over Ds. Potuyt? Jammer ook, dat het aantal illustraties beneden het niveau en de prijs van dit werk ligt. Er zijn beslist aardige foto's bij, maar de enige nieuwe illustratie met kerkhistorische waarde die geboden wordt, is het portret van oefenaar Van Schothorst. Waarom geen afbeelding van Ds. Fransen, van Ds. Van den Broek, van een oud kerkgebouw, van een titelpagina, van een bladzijde uit een Ledeboeriaans notulenboek?
Bijzondere dienst
Dit werk, waaraan drie jaar noeste arbeid ten grondslag ligt, hebben we al noterend met waardering gelezen.
De auteur heeft voor ons wegen gebaand in een moeilijk begaanbaar, onontgonnen gebied. Daarin is hij in het algemeen gezien wel geslaagd. Hierbij komt de liefde van de schrijver voor het tekenend detail, die keer op keer treft en boeit, tot in de bijlagen toe. Drs. Hofman heeft de liefhebbers van kerkgeschiedenis en speciaal de Ger. Gemeenten in ruime zin een bijzondere dienst bewezen.
Een hoeveelheid nieuwe gegevens is vanaf heden ter beschikking. Niemand, die de periode 1869-1907 wil bestuderen, kan meer om dit boek heen. Het heeft inmiddels zijn weg al gevonden. De tweede druk is snel verschenen. Dat heeft de auteur dan ook ruimschoots verdiend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 november 1977
Daniel | 20 Pagina's