HEERE, BEKEER ONS OM UWS NAAMS WIL
(Psalm 79).
Psalm 79).
O God!! Daar begint Asaf mee. O Hij slaat de handen ineen, zoals iemand die bij zijn uitgebrande huis staat. Verbaasd. Het is niet uit te spreken hoe erg het is. Als met stomheid geslagen roept hij uit: O God.
Wat is er gebeurd? Heidenen zijn gekomen, zij zijn het erfland binnen gedrongen, de tempel is verwoest, bij duizenden zijn Israëls helden gevallen. En niet begraven. Het vlees van Gods gunstgenoten is gegeven aan het gedierte van het veld. Geen lichtpunt is overgebleven. Het water is tot over de lippen gekomen. Geen hoop meer op de toekomst. Er schijnt geen eind te zijn van al de ellende. Het kan bijna niet erger. Wie zal ons het goede doen zien? Waar moet het heen? Wat zal er van het nageslacht worden? Alle kracht en lust om verder te gaan ontbreekt.
Zelfbeklag?
Inderdaad het ziet er droevig uit voor Israëls volk, land en kerk. Wie zal dan niet wenen? Het is een tijd om te klagen en te zuchten. Als we deze psalm in stukjes knippen, bijvoorbeeld van vers 1 tot 4, van vers 5 tot 8 en vers 9 tot 12 dan komen we er niet uit. Dan krijgen we de gedachte dat Asaf zich beklaagt en met onheilige wraak vervuld is. Toch is dat niet zo.
Van uit het midden (vs. 8) moeten we vooruit en achteruit lezen. Dan hebben we de sleutel tot de verklaring van Asafs hart. De feiten die hij konstateert zijn er. Het is droevig gesteld. En toch beluisteren we geen zelfbeklag. Het gaat er hem niet om wat hij meemaakt en te verduren heeft. Het gaat hem niet om uiterlijke verliezen. De klacht is veel dieper. Het is zijn droefheid: Heere hoe wordt Uw Naam gesmaad. De eer van God staat in het middelpunt (vs. 9, 12 en 13). De Naam des Heeren wordt smaadheid aangedaan. Dat is de droefheid van de dichter. En daarom betreurt hij de eeuwige verwoestingen. Als Gods Naam onteerd wordt, kan geen godvrezende rust hebben. Dan wordt hij tot in zijn nieren geprikkeld. Dat is het wezen van de redelijke godsdienst. Zou ik niet haten Heere, die U haten? Zo is vs. 6, 10 en 12 geen vleselijke vergelding, geen onheilige toorn. Het is ook niet in strijd met Christus gebod: hebt uwe vijanden lief. Nee, het is een smeken dat Gods Naam èn onder het eigen volk èn onder de heidenen groot zal zijn. De heidenen, die nu over het erfdeel des Heeren heersen, die smaad kan de dichter niet verdragen.
God is immers de Getrouwe? En wie is hij en zijn volk? Zij zijn enkel ontrouw.
De schuld van het volk en liet voorgeslacht
Hij steekt de hand in eigen boezem. Hij vraagt: doe o Heere verzoening over onze zonden en gedenk ons de vorige misdaden niet. De oorzaak van al hun ongeval ligt niet bij de Heere, niet bij de heidenen, maar bij hem en zijn volk. Zij hebben gezondigd. Nu in het heden, maar ook in het verleden. Daar is het al begonnen. Vanuit het voorgeslacht ligt de toorn opgestapeld. De zonde van Manasse, van Jerobeam en anderen. Ondanks de waarschuwingen is Israël doorgegaan met zich van de Heere af te keren. En de Heere is lankmoedig geweest. Hij heeft de straf uitgesteld, keer op keer. Tot de maat vol was. Zo heeft. Israël de zonde opgestapeld, jaar na jaar. Asaf heeft er erg in dat de verwoesting van nu reeds begonnen is in het voorgeslacht. En daarom smeekt zijn hart in diepe ootmoed: reken ons de vorige misdaden niet toe.
Schuldbelijdenis doen
Bij de puinhopen wordt de schuld beleden van nu en vroeger. Hij eigent de schuld. De straf is rechtvaardig. Gods oordeel rust op de allerbeste wetten. Maar eveneens is deze straf voor de heidenen oorzaak dat de naam des Heeren wordt gelasterd.
En daarom pleit hij op Gods barmhartigheid als de enige grond waarom de Heere in gunst Zijn hand zal wenden (vers 13).
Heere geeft U dat we geslacht na geslacht U weer zullen vrezen, loven en prijzen. Er ligt in deze Psalm een diepe troost voor een schuldig en ontrouw volk.
Het wijst ons de weg waarin we de gunst des Heeren weer kunnen ontvangen. De Heere wil de God van Zijn volk zijn en blijven. Hij zal zelf voor Zijn eer zorgen. Hij heeft Zich een volk geformeerd dat Zijn lof zal vertellen.
In deze weg zullen de eeuwige verwoestingen tijdelijk zijn. Die zijn zonde belijdt en laat zal barmhartigheid verkrijgen. De Heere zal om Zijns Naams wil gedachtig zijn.
De misdaad der vaderen
Deze psalm is ook een waarschuwing. De misdaad der vaderen wordt bezocht aan de kinderen. Wij kunnen NU in onze jaren schatten van toorn vergaderen, die aan jullie kinderen mede vergolden zullen worden.
Besef dan nu je verbondenheid aan het voorgeslacht èn aan het nageslacht. Wees een zegen. Ook met het oog op het nageslacht.
Laat ons leven zo mogen zijn in gehoorzaamheid aan Gods bevel, opdat onze kinderen niet behoeven te bidden: gedenk ons de vorige misdaden niet.
Gespreksvragen :
1. In de oorlogstijd (1940-1915) werd Psalm 79 nog weieens opgegeven om te zingen en dan vooral vers 1. Is het juist om een psalm zo te gebruiken, of is het misbruik?
2. In vers 2 en 3 wordt gesproken over het niet begraven van doden. Dat was in Israël een smaad en een straf. Zelfs het lichaam van een misdadiger moest begraven worden.
Is dat ook een overweging bij het begraven van onze doden?
3. In deze psalm wordt gesproken over de zonde van het voorgeslacht. Dit is een soort vervulling van wat we in het tweede gebod lezen. Vind je dit begrijpelijk, onbegrijpelijk of onredelijk? Waar-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 november 1977
Daniel | 20 Pagina's