TOCH NAAR ROME
(2)
Overal in de muren staan de namen gekrast van de beste gladiatoren. Plinius en Cornelius voelen de spanning van de wedstrijd al, als ze denken hoe de scheidsrechter met zijn stok de ruimte zal aanwijzen, . waarbinnen gevochten mag worden. Ze horen de trompetten al klinken, ze zien de zwaarden blinken.
Ah, de mooiste gevechten zijn die van de gladiatoren op hun strijdwagens. Ze krijgen al kippevel, als ze denken aan het gebrul van de wilde dieren, die uit hun kooien tevoorschijn springen. Nog drie dagen, dan is het zo ver. Dan zal het altaar van de tempel van Vespasianus gewijd worden, 't Zal een prachtig feest worden ter ere van de grote keizer. Als Plinius en Cornelius denken aan de opwindende dingen die gebeuren gaan, kloppen hun harten sneller en schitteren hun donkere ogen nog meer. Ze dromen ervan rijk te worden en gladiatoren te bezitten, die de beste zijn van het hele land. Rijk, schatrijk moet je zijn om eigenaar te worden van een groep zwaardvechters. Ze gaan vaak kijken als de gladiatoren aan het trainen zijn. Je mag niet dichtbij komen, maar zij weten altijd wel een plekje te vinden, waar je het heel goed kunt zien. Hé, was het maar vast 5 juli.
„Ik ga naar huis hoor"
Het is 20 augustus van het jaar 79. Cornelius en Plinius liggen even buiten de stad lui op hun rug in het gras. Ze hebben net gevochten. Twee korte houten zwaarden en een paar ronde schilden getuigen nog van hun verwoede strijd. Cornelius heeft gewonnen. Nu liggen ze uit te blazen. Plinius tuurt door zijn oogharen naar de strakblauwe lucht.
Niet ver van de beide jongens vandaan torent de Vesuvius boven hen uit. Zijn helling is bedekt met vruchtbare akkers en prachtige wijngaarden. Tussen de wijnstruiken en de olijfbomen groeit de groente. Aan de voet van de machtige vulkaan grazen honderden schapen.
Vlakbij de stad liggen de tuintjes waarin vruchten en bloemen worden gekweekt. En over dat alles laat de zon haar stralen vallen en zet tuinen, struiken en akkers in een gouden gloed. „Ik zal vragen of je mee mag Cornelius", zegt Plinius, „dan zal ik me Wat doe je nou", schrikt hij op. Z'n vriendje heeft zich half opgericht en steekt luisterend zijn hand omhoog. „Voel je niks", vraagt hij angstig. Onder hen beweegt de aarde even, alsof een reuzehand haar zachtjes heen en weer schudt. „Ik ga naar huis hoor", zegt Cornelius met een bange blik in zijn ogen.
Plinius kijkt naar de grote berg die daar zo stil en stevig op hen neerziet. „Och joh, we hebben het ons verbeeld, er is niks aan de hand". Maar Cornelius is al op weg naar de stad. En als weer een lichte schok de aarde doet trillen, rent Plinius snel zijn vriendje achterna.
Hij kan wel dansen van plezier
Door de straat van de Stemmen rijdt een wagen. De logge kar, die getrokken wordt door twee sterke paarden, staat vol met grote stenen vaten. Op de bok zit een man met twee jongens. Langzaam trekken de paarden de kar door het diepe spoor. Over een uur mag er geen wagen meer door de straat rijden, 't Is markt vandaag en dan wordt de straat voor het verkeer gesloten, 't Zou veel te gevaarlijk worden met al die zware wagens. De logge kar is bijna bij de poort. De grote vaten op de wagen schudden zacht heen en weer. De voerman kletst met zijn leren zweep in de lucht dat het klapt, maar de paarden lopen er geen stap harder om. „Fijn hè, dat je mee mag", zegt één van de jongens. De ander knikt alleen maar. Was dat even een buitenkansje. Toen Plinius het vroeg, mocht het direkt.
't Is een hele rit naar Rome. Ze zullen langs de zee reizen. Eerst naar Herculaneum, dan naar Neapolis en zo verder naar het noorden. In de stad had niemand gister iets van de aardschokken gevoeld. Wel waren er bij Plinius thuis zo maar twee beeldjes van een tafeltje gevallen. De vader van Plinius had gezegd, dat je niet bang hoefde te zijn van die paar schokjes. Toen hij een jongen van een jaar of 16 was, is er een vreselijke aardbeving geweest, die bijna heel Pompeji heeft verwoest. Alleen het amfitheater en de watertoren hadden bijna geen schade. Ook de grote tempel op de markt bleef helemaal intact. Cornelius had geknikt. Zijn vader had het al zo vaak verteld en de stad was bij langena nog niet helemaal herbouwd. Plinius zijn vader was niet bang voor een nieuwe aardbeving. De goden zijn ons gunstig gezind, zei hij. Die zullen ons wel voor een nieuwe ramp bewaren.
Cornelius gaat even verzitten. Een fijne vriend heeft hij toch. Zomaar vijf, misschien wel zes weken op stap! In herbergen slapen en Rome zien! Ha, hij kan wel dansen van plezier.
De aarde beeft en schudt
Op de weg van Neapolis naar Puteoli is het druk. Het meeste verkeer gaat in de richting van Neapolis, maar er zijn toch ook heel wat wagens, die naar Puteoli rijden. Muilezeldrijvers loodsen hun dieren handig door al die drukte heen. Ze schreeuwen en roepen en maken vele onnodige gebaren. Wat hun meesters ook roepen of doen, de muildieren trekken er zich niet veel van aan en sjokken onverschillig door. Ze zijn zwaar beladen en bepakt en schudden goedig de kop. Tussen al dat rijdende en lopende verkeer bevindt zich ook de wagen van Plinius en Cornelius. De beide jongens genieten van al het vreemde en nieuwe om hen heen.
Ze wijzen elkaar op de spiegelgladde zee, waarop tientallen schepen varen. Vannacht hebben ze in Neapolis geslapen. Vader Marius vond het welletjes. Ze hadden bijna 40 kilometer afgelegd en hij wilde de volgende morgen zaken doen op de markt. De jongens hadden hun ogen uitgekeken. Wat een grote stad! Wat een brede straten en pleinen! Toen de zon al bijna twee uur over zijn hoogste punt was, zijn ze weggereden, 't Is nu drie uur en de volgende pleisterplaats is Puteoli.
Daar zullen ze overnachten en dan via Micenum langs de kust naar Rome rijden. Er zijn gisteren en ook vandaag weer aardschokken geweest, maar 't leek wel alsof niemand er zich wat van aantrok. Plinius en Cornelius hebben angstig naar vader Marius gekeken, maar deze heeft hen gerustgesteld, , , 't ls niets, 't gebeurt alleen wat snel opeen", had hij gezegd met zijn diepe stem. „Als we straks noordelijker komen hebben we er waarschijnlijk geen last meer van. Hier in Campanië beeft de aarde immers wel vaker". Ze rijden nu bijna een uur en Puteoli komt steeds dichterbij. Terwijl Plinius en Cornelius niet genoeg van al het nieuwe krijgen, terwijl de muilezeldrijvers schreeuwen en roepen en op de stranden langs de kust honderden een zonnebad nemen, bundelen zich in het hart van de Vesuvius vele onmeetbare krachten samen. Verstikkende gassen zoeken een uitweg en stoten tegen een geweldige prop tot steen gestolde lava, die als een grote kurk de krater van de berg al vele, vele jaren afsluit. En in de verre omtrek van deze zo vreedzaam uitziende berg beeft en schudt de aarde erger en frequenter dan ooit.
„O, vader, vader, kijk toch eens"
Het is de volgende morgen vroeg dag voor Plinius en zijn vriendje. Vader wil als de zon haar hoogste punt bereikt heeft in Capua zijn. De zaken waren spoedig afgehandeld in Micenum, waar vader eerst nog heen moest voor ze naar het noorden zouden gaan. Vader had trouwens al gauw zijn reisplan gewijzigd. Ze zouden via Capua naar Rome reizen. Na een laatste blik op het glinsterende water van de Middellandse Zee gaat het Nooraoostwaarts. De paarden hebben er zin in en trekken met gemak de zware kar over de oneffen weg. Plinius en Cornelius vermaken zich opperbest. Ze mogen om beurten de teugels vasthouden en luisteren met open mond naar de spannende verhalen van vader Marius. Als het bijna elf uur is stuurt vader de wagen van de weg af. „We zullen een poosje rusten, jongens. De paarden hebben wel een slok water en een hapje gras verdiend en wij lusten ook wel wat". Terwijl Plinius en Cornelius elkaar als een paar jonge honden achterna zitten verzorgt vader de paarden. Daarna haalt hij een kruik koele landwijn van de wagen en een groot stuk koud schapevlees. Hij snijdt er drie flinke hompen af en legt ze op een
plat houten bord. Uit een zak haalt hij een paar broden en zet drie bekers in het gras. „Eten!" Dat laten de jongens hem geen twee keer roepen. Als een stel hongerige wolven vallen ze op het voedsel aan. De laatste brokken spoelen ze weg met een paar teugen wijn
„Hé, hé", zucht Cornelius, terwijl hij over zijn volle maag wrijft, „dat was lekker". Hij gaat languit achterover in het gras liggen.
Vader Marius zoekt de schaduw van de wagen op en volgt zijn voorbeeld. Een zacht gesnurk vertelt al gauw, dat hij in het land der dromen is. Plinius heeft geen zin om te rusten. Hij drentelt wat verder het veld in. Hij is wat onrustig. De aarde heeft vanmorgen zo vaak gebeefd en getrild. En al sloeg vader er dan geen acht op en al werkten en sjouwden de mensen in Micenum gewoon door, hij moest er maar steeds aan denken. Daarstraks toen ze zaten te eten golfde de grond ook weer zo bangmakend heen en weer. De paarden hinnikten onrustig en stampten met hun poten. En nu, terwijl Plinius het veld inloopt voelt hij opnieuw een hevige schok. Onwillekeurig kijkt hij in de richting van zijn geboorteplaats. Daar, misschien een kilometer of vijftig naar het zuiden toe ligt Pompeji. Zouden ze ginds de schokken ook voelen? Zou moeder en Oh, wat is dat voor vreemds in de lucht? Plinius beschermt zijn ogen met z'n hand voor het schelle zonlicht, 't Is net alsof er een grote zwarte boom hoog in de lucht staat, een boom, die van vorm verandert en al groter en dikker wordt. Nog even staart Plinius naar dat wonderlijke verschijnsel, dan draait hij zich om en holt naar de plaats, waar de wagen staat. „Vader, o vader, kijk toch eens!"
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1977
Daniel | 24 Pagina's