HET EVANGELIE IN AFRIKA
(VERHAAL)
Voorzichtig springend, van de ene steen op de andere, loopt Roeanda door de beek. Ze moet goed uitkijken, dat ze niet naast de stenen stapt. De beek stroomt hier nogal wild en als je erin valt, is dat heel gevaarlijk. Je zou met je hoofd tegen de stenen slaan, die in de beek liggen.
Roeanda moet een heel belangrijke boodschap doen. Haar zusje, de kleine Tamara, is ziek. Niet zo maar een beetje verkouden, neen, ze is heel erg ziek. Ze heeft vreselijk hoge koorts en pijn in haar keel.
Eerst heeft de medicijnman uit het dorp geprobeerd haar beter te maken. Hij kwam bij Tamara in de hut met allerlei smeerseltjes en als hij die op Tamara smeerde, zong hij er vreemde woorden bij en maakte hij allemaal wilde gebaren. Dat deed hij om de boze geesten weg te jagen, wist Roeanda. Maar het hielp allemaal niets. Tamara werd steeds zieker.
Ten einde raad zeiden vader en moeder: „Zouden we dan toch maar naar de witte man gaan. Die schijnt ook zieke mensen beter te kunnen maken. Misschien kan hij ook Tamara helpen".
De medicijnman was vreselijk boos geweest en hij had gezegd, dat de witte man Tamara helemaal niet beter kon maken. Toch wilden vader en moeder het proberen. Maar wie moest de witte man waarschuwen? Vader had een belangrijke bespreking met het opperhoofd van het naburige dorp. Moeder wilde graag bij Tamara blijven, want het kleine meisje riep steeds om haar moeder. En zo was het gekomen, dat Roeanda zei: „Ik ga wel".
Haar moeder had eerst geaarzeld. Zou dat gaan? Was Roeanda niet te klein voor een dergelijke boodschap? Maar Roeanda was al 10 jaar en een flinke meid. Ze durfde wel. Ze kreeg de boodschap mee om goed uit te kijken, vooral bij de rivier en ze moest vragen of de witte man zo gauw mogelijk wilde komen.
Nog één steen en ze is aan de overkant. Ziezo, dat is goed gegaan. Dit beekje stroomt vlakbij hun dorp. Ze spelen er vaak, dus Roeanda kent de stenen wel. Maar zo meteen komt de grote rivier. Over die rivier hangt een wiebelige hangbrug. Hij is gevlochten
van lianen; dat zijn een soort taaie rietstengels. En in die rivier zwemmen verschillende heesten, krokodillen en nijlpaarden. Daar ziet ze wel tegenop.
Maar het kan niet anders. Ze moet flink zijn. Snel gaat Roeanda verder. Ze heeft al veel verhalen gehoord over de witte man. Die kan zo mooi vertellen. Het gaat niet over de geesten, waar de medicijnman uit hun dorp over vertelt. Nee, het gaat over Jezus. Umaka, een jongen uit het dorp heeft de witte man eens horen vertellen. Over een heleboel kinderen die tot Jezus kwamen. Maar andere mannen, die bij Jezus stonden, stuurden ze weg. De moeders vonden dat erg verdrietig, maar Jezus zei: „Laat de kinderkens tot Mij komen, stuur ze niet weg." Toen waren de kinderen gekomen en Jezus had Zijn handen op hun hoofdjes gelegd.
„Jezus kan alles!", had Umaka gezegd. „Hij is veel machtiger dan alle geesten. Hij ziet ons ook allemaal. Jou, en mij en ons hele dorp. Ja, zelfs de hele wereld".
De andere mensen uit het dorp hadden wat lachend hun schouders opgehaald. Maar sommigen waren toch nieuwsgierig geworden. Ze wilden er wel meer over weten. Ze wisten ook dat de witte man weieens prikken of drankjes gaf, waardoor de zieken beter werden.
Nu gaat Roeanda dus ook naar de man om medicijnen voor Tamara. Kijk, daar in de verte is de rivier al. Hoog boven het water bengelt de brug. Daar moet ze overheen. De brug is helemaal gevlochten van lianen, net dikke touwen. In dat vlechtwerk zitten grote gaten. Ook de leuningen zijn van lianen gemaakt, waardoor de hele brug erg wiebelig is.
Roeanda griezelt als ze eraan denkt. Maar ze zal doorzetten. Ze is nu bij de brug. Héél voorzichtig zet ze haar voet erop. Met haar handjes pakt ze de leuning vast. Nu voorzichtig, voetje-voor-voetje erover. Langzaam gaat Roeanda vooruit. Beneden haar stroomt de rivier.
Opeens staat Roeanda van schrik stil. O, kijk daar eens, onder de brug middenin de rivier ligt op een steen een grote krokodil te slapen in de zon. Stel je voor dat ze valt, bij de krokodil. Ze wordt vreselijk bang. Als ze zo in de rivier zou vallen zou ze nog kunnen proberen te zwemmen. Maar nu, met die krokodil! Die wordt natuurlijk wakker. Ze moet verder, maar het lijkt wel of haar benen verlamd zijn.
Dan moet ze plotseling denken aan het verhaal dat Umaka vertelde. Zou Jezus haar ook zien? Hier op de brug? Umaka vertelde, dat Jezus je altijd en overal ziet. Maar zou Hij nu ook haar willen helpen? Vast wel, want Umaka vertelde toch dat Hij ook de kinderen bij Zich liet komen?
Als zij daaraan denkt wordt ze iets minder bang. Voetje-voor-voetje gaat ze verder. Ze houdt angstvallig de krokodil in het oog. Hij blijft slapen. Hu, die brug wiebelt zo. Langzaam gaat het, maar toch komt ze al bijna bij het eind. Nog een paar stapjes en ja hoor, ze is er. Vlug stapt ze op de oever van de rivier. Gelukkig! Wat is ze blij dat ze er overheen is. Nu is het niet ver meer. Wat hoort ze toch in de verte? Bim-bam, bim-bam! Hoe dichter Roeanda bij het dorp komt, des te duidelijker hoort ze het: bim-bam!
Nu is het stil. Ze hoort het niet meer. Wat zou dat zijn? Zou dat geluid uit het dorp gekomen zijn? Roeanda wordt nieuwsgierig. Ze is bijna in het dorp van de witte man. Nog een paar bosjes en daar zijn de eerste hutten al. Roeanda moet een eindje het dorp door, en dan vindt ze daar een grote hut — een huis heet dat — waar de witte man woont. En bij dat huis staat nog een hele grote hut, die heet; de kerk. Daar vertelde de witte man dat verhaal over Jezus, had ze van Umaka gehoord. In hun dorp hebben ze geen kerk.
Roeanda ziet dat er een heleboel mensen zitten. Ze vond het ook al zo stil bij de hutten. Zou de witte man weer vertellen? Zachtjes komt Roeanda dichterbij. Ja, de witte man vertelt. Roeanda gaat heel zachtjes het kerkje binnen. Kijk, daar staat de witte man. Wat zegt hij?
Hij vertelt een verhaal van herders, die 's nachts op hun schapen pasten en toen een boodschap kregen, een blijde boodschap, die voor alle volken bestemd was. „En vrienden uit het dorp en overal vandaan", zegt hij verder: „Nu is dat Kindje Jezus niet alleen voor die herders gekomen. Nee, dat was ook voor jullie en voor mij nodig. Want al zien jullie er vanbuiten zwart uit, en ik van buiten wit, van binnen in ons hart, zijn we allemaal zwart door de zonde. Ik net zo goed als jullie. En daarom moeten wij allemaal naar dat Kind Jezus toe, net als die herders. Zullen we daar om bidden? "
Ademloos heeft Roeanda geluisterd. Nu ziet ze dat de mensen hun handen vouwen
en hun ogen dicht doen. De witte man begint te spreken. Hij vraagt de Heere of Hij hen allemaal, groot en klein, hun zonden wil vergeven en hen een nieuw hart wil geven, een hart waarmee ze de Heere kunnen liefhebben. Hij vraagt ook of God de zieke mensen beter wil maken. Roeanda denkt aan Tamara, en ze bidt ernstig mee. Als de witte man „Amen" heeft gezegd, ziet ze hoe de mensen langzaam het kerkje uitgaan. De witte man komt naar Roeanda toe en vraagt waar ze vandaan komt. „Ik kom uit Wambinadorp en mijn zusje Tamara is zo ziek en wilt u ze nou beter komen maken? De medicijnman kan het niet."
De witte man schudt langzaam zijn hoofd en zegt: „Nee, dat kan ik ook niet. Maar je hebt zo juist gehoord dat God de mensen beter kan maken, en aan Hem moet je het ook vragen, want als Hij ons niet helpt, kunnen wij het ook niet. Maar ik zal met je meegaan".
Roeanda kijkt hem wat onbegrijpelijk aan en vraagt dan met een verlegen stemmetje: „U heeft zo mooi verteld. Wilt u ook gauw in ons dorp komen om de mensen over Jezus te vertellen? Wij hebben het nog nooit gehoord".
„Ja", antwoordt de witte man ernstig, „ik ga direkt met je mee, want ook jullie moeten horen over Jezus".
De witte man gaat nu zijn huis binnen en even later komt hij terug met een tas op zijn rug. Ze gaan samen op weg, de zendeling en Roeanda. De terugreis verloopt gelukkig goed. Ook bij de brug is Roeanda niet meer zo bang. Ze denkt nog steeds aan wat de witte man vertelde en ze hoopt dat hij gauw nog veel meer over Jezus zal vertellen.
Als ze in Wambina komen, lopen ze vlug naar de hut. Roeanda's moeder komt hen al tegemoet en gaat met de zendeling naar binnen, naar Tamara. Roeanda gaat in de schaduw onder een boom zitten uitrusten. Al gauw komen uit verschillende hutten een aantal kinderen en vrouwen bij haar zitten. Ze willen weten wat er allemaal gebeurd is, en Roeanda gaat vertellen.
Een poosje later komt moeder weer naar buiten met de witte man. Hij gaat bij Roeanda zitten. „Je zusje is erg ziek Roeanda. Maar we zullen samen bidden of de Heere haar beter wil maken". Dan vouwt de man zijn handen en onwillekeurig doen alle vrouwen en kinderen het ook, voor het eerst in hun leven.
Als de witte man klaar is met bidden, vertelt hij de mensen over de grote Medicijnmeester.
Zo is het Evangelie gekomen in het dorp van Roeanda.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 oktober 1977
Daniel | 24 Pagina's