TOCH NAAR ROME
(1)
Plinius heeft haast
Door de straten van Pompeji loopt een jongen. Zijn blote voeten steken in een paar stevige sandalen. Zijn donkere ogen nemen alles wat ze zien nauwkeurig op. Hij loopt op de stoep en laat het verkeer langs zich heengaan. Bij een kruispunt steekt hij over. Hij neemt een aanloopje en probeert steeds een steen over te slaan. Het lukt en met een fikse sprong belandt hij aan de overkant.
Een voerman, die een zwaar beladen wagen ment, steekt zijn zweep op. Zijn door de zon gebruinde gezicht is één lach. „Dat heb je goed gedaan", schreeuwt hij. Plinius lacht trots en zwaait terug. De wagen knarst verder, hij blijft precies in het spoor, dat honderden wagens voor hem hebben getrokken en dat nog honderden na hem zullen volgen. Alle verkeer is éénrichting verkeer. De grote stenen aan het begin van de straten en op de drukke kruispunten maken het de voetgangers gemakkelijk om over te steken. Ze liggen alle op gelijke hoogte en zover uit elkaar, dat er voldoende tussenruimte is voor de wagenwielen. Bij een plot - selinge hevige onweersbui valt er vaak zoveel regen, dat de straten van de stad rivieren gelijk worden. De zware basaltstenen maken het mogelijk dan toch droogvoets over te steken. Plinius loopt in de richting van de stadspoort. Hij heeft haast. Cornelius, zijn vriendje, is vast allang bij het amfitheater. Als hij nou maar op hem wacht.
Voor het heil van keizer Vespasianus en zijn zonen
Het is feest in Pompeji. De magistraten van de stad hebben opdracht gegeven alles in orde te brengen buiten en in het amfitheater. Het machtige gebouw, dat een middellijn heeft van ruim 150 meter bij ongeveer 110 meter is aan één kant tegen de stadsmuur aangebouwd. Er zijn vier trappen naar de eerste verdieping. Twee grote deuren geven toegang tot de arena. Daardoor zullen over enkele dagen de gladiatoren naar binnen gaan. Daar komen ook de kooien met de wilde dieren de grote strijdruimte binnen. Tussen de middelste en de laagste rijen zitbanken is een stenen ballustrade gebouwd. Zo blijft er een afscheiding tussen het voorname publiek en het gewone volk. Wekenlang is er hard gewerkt om het grote gebouw op tijd schoon te krijgen. Er is nieuw zand gebracht in de arena. De onderaardse vertrekken, waarin de gladiatoren en de wilde dieren op hun beurt wachten, worden nagezien. Niets wordt overgeslagen. Plinius en Cornelius lopen iedereen in de weg. Naar school gaan ze deze dagen beslist niet. Ze zijn veel te blij eens van hun meester met zijn harde handen verlost te zijn. Aalvlug glippen ze overal langs en doorheen. Handig grist Cornelius een handvol amandelen uit de mand van een vruchtenkoopman, die hem alleen nog maar wat scheldwoorden kan naroepen, 't Is overdruk op het grote plein bij het amfitheater. Tientallen stalletjes en kraampjes staan opgesteld onder de hoge bomen. Kooplui en venters schreeuwen hun kelen schor. En tussen dat alles door klinken de hamerslagen van de timmerlui, die hun best doen om voor het grote feest alles in orde te hebben. Broederlijk deelt Cornelius zijn buit met zijn vriendje, intussen verzinnend wat hij nog meer kan uithalen.
Samen rennen ze de trappen op en af en spelen verstoppertje tussen de duizenden zitplaatsen van het grote amfitheater. Ze griezelen voor de deuren van de kamers, waaruit over enkele dagen de gladiatoren en de wilde dieren zullen komen om met elkaar te vechten. Ze verkneukelen zich bij de gedachle aan het prachtige feest dat komen gaat.
(Wordt vervolgd)
J, W. v. d. Berg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 oktober 1977
Daniel | 20 Pagina's