DE SPOOK-HOEVE
(Slot)
Tot haar verbazing ziet ze dat Dinemeu in de deuropening staat. Er is iets van de trotse gebiedende boerin in haar stem als ze roept: „Nee, Inge, geen veldwachter. Op mijn verantwoording!" Dan lijkt het vrouwtje ineens in elkaar te schrompelen. Met lege ogen kijkt ze de onbekende man aan. „Wijnand!"
Inge kijkt vragend naar vader. Die zegt: „Maar wat wilt u dan, vrouw Veldman? "
„Geen veldwachter! Geen schande over mijn geslacht "
„Geslacht? " herhalen vader en Inge tegelijk. En Geerten kijkt verbaasd van de een naar de ander. Nu begrijpt hij, waarom die man hem zo bekend voorkomt. Hij lijkt op Dine-meu. Ze moeten familie zijn van elkaar!
Er volgt een lange stilte. Tenslotte is het vader die de knoop doorhakt. Ze gaan met z'n allen naar de kamer en daar duwt hij „het spook" op een stoel bij de tafel. Maar hij vergeet toch niet de deur op slot te doen, voor hij strengvragend de bevende man aankijkt: „U bent ons wél een verklaring schuldig..."' „Ja, natuurlijk, maar "
„Maar ? " De man kijkt hem schuw en tegelijk trots aan. „Dat is iets tussen mij en Dine!"
„Bent u familie van elkaar? " „Zij is mijn zuster".
Inge zegt verwonderd tegen Dine-meu: „En u zei toch dat u enig kind was? "
Het duurt lang voor er antwoord komt. Tenslotte stamelt ze bijna onhoorbaar: „Hij bestond ook niet meer voor ons..." En dan komt opeens toch het verhaal. Wijnand vertelt, hier en daar aangevuld en soms bestreden door zijn zuster.
Twee kinderen waren er vroeger op de Anna-hoeve: Dine-meu en Wijnand.
Voor Wijnand zou de hoeve zijn, maar hij trouwde, zeer tegen de zin van zijn vader, een arbeidersdochter. Hij werd door z'n vader de deur gewezen en vertrok naar Amerika. Daar ploeterden ze net zolang tot ze een eigen bedrijfje hadden. Twee zonen kregen ze, die allebei hard meewerkten. Dine-meu trouwde en kwam op de hoeve. Haar vader stierf onverwachts, zonder dat hij een testament gemaakt had. Haar moeder was een jaar daarvoor gestorven. Wijnand, die niet officieel onterfd was, was nu te trots om „genadegeld" zoals hij dat noemde, aan te nemen.
Maar toch bleef er iets knagen. Toen hij ouder werd, kregen zijn zonen tegenslag op tegenslag in het bedrijf. Zijn wrok tegen de rijke Dine-meu werd groter. Zij schatrijk en zijn jongens straatarm. Tenslotte kwam het zover dat hij van zijn laatste spaargeld de reis naar Nederland maakte. Voor zichzelf hoefde hij niets, maar voor zijn jongens wilde hij een knieval maken. Als ze maar zóveel gaf, dat ze nog wat vee en wat land konden kopen.
Het kwam anders uit. Dine-meu gaf niets en wilde ook niets van lenen weten. Woede en begeerte brengt hem tenslotte zover dat hij haar met andere middelen wil dwingen: door te gaan spoken op de hoeve en haar zó bang te maken dat ze tenslotte wel toe zal geven.
„Dus u bent werkelijk het spook", stelt vader vast.
Wijnand knikt beschaamd. „Het was niet mijn bedoeling dat u er last van zou hebben".
„Maar u zult er zélf last van gehad hebben. Of niet? Want goed was het niet". , , 't Was voor m'n kinderen, meneer..." Dine-meu werpt tegen: „Mer 'k heb toch geen inkele plicht tegenover jouw keinder? " Die woorden vallen vreemd hard in de stilte en ze schrikt er zelf van.
„Wettelijk niet!" zegt vader, 't Ls vreemd, maar hij voelt op het moment
meer sympathie voor Wijnand, het spook, als voor Dine-meu.
Als Dine-meu blijft zwijgen, zegt Wijnand moeilijk: „Dan ga ik maar weg, ik weet het antwoord nu". En voor ze er erg in hebben, is hij opgestaan en kaarsrecht naar de deur gelopen. Niets is er meer zielig aan hem. Met de oude boerentrots zegt hij: „Ik wens je het beste, Dine. Kan ik u nog even spreken, meneer? "
Vader doet de deur open. Dine-meu zit met een als van pijn samengetrokken mond bij de tafel. Ze staat in hevige tweestrijd. Eén van de twee moet het zwaarst wegen: haar geliefde geld of Wijnand, die toch haar broer is. En die ze nu nooit meer zal zien! Ervaart ze nu pas ten volle iets van de eenzaamheid, die ze zelf om zich heen schept? Haar ogen schieten heen en weer en eindelijk roept ze met een trillende stem: „Wijnand kom terug!"
Wijnand keert zich om. Er begint iets om zijn mond te beven, als hij op haar toe komt en zijn hand uitsteekt.
„Meid, Dine, meen je dat echt? " Langzaam legt ze haar hand in de zijne. , , 't Is goed, Wijn, 'k zal oe helpe".
Het is haast een plechtig moment daar in de kamer. Tenslotte verbreekt vader de stilte en zegt: , , 't Lijkt me het beste dat u samen naar uw eigen kamer gaat, vrouw Veldman. Dan kunt u rustig alles bespreken".
Lang nadat Wijnand en Dine-meu zijn weggegaan, wordt er nog nagepraat die avond. Iedereen is opgelucht. Pas heel laat horen ze voetstappen over .het erf van Dine-meu gaan. Wijnand gaat weg. Dan zegt vader: „En nu jullie ook gauw naar boven jongens, 't is schandalig laat geworden".
Ze gaan naar boven, maar halverwege de trap horen ze opeens stemmen. Daar komt Dine-meu weer! , , 'k Heb 'm geholpen, " horen ze haar beverig zeggen. „Mer, 't was toch goed, wa 'k dee? Of nie? 't Is zo moeilijk soms, ziede".
„Natuurlijk, ik vind 't zelfs heel goed". Dat is moeder, troostend bijna als tegen een kind. „En moeilijk, ja Wie zichzelf overwint is sterker dan die een stad inneemt, staat er". De rest kunnen ze niet meer verstaan.
Boven gaan ze zacht naar hun kamer, onder de indruk van wat ze allemaal hebben meegemaakt vanavond. Gelukkig, ze kunnen nu weer rustig gaan slapen, want het raadsel van het spook is opgelost!
Dordrecht, A. Korpershoek-van Wendel de Joode.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 september 1977
Daniel | 20 Pagina's