JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

ZEVENTIG JAAR GEREFORMEERDE GEMEENTEN TER GEDACHTENIS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ZEVENTIG JAAR GEREFORMEERDE GEMEENTEN TER GEDACHTENIS

9 minuten leestijd

Dit jaar mogen wij, als leden van de Gereformeerde Gemeenten herdenken dat op 25 juli 1907, dus zeventig jaar geleden, in het kerkgebouw aan de Boezemsingel te Rotterdam, ons kerkverband ontstond door de ondertekening van de „Bepalingen betreffende de openbaring van de institutaire éénheid der kerke Christi, door de Gereformeerde Gemeenten onder 't Kruis en de Gereformeerde Gemeenten, ontstaan uit de actie van wijlen ds. Ledeboer, volgens besluit der Synodale vergaderingen van beide Kerkengroepen, respectievelijk gehouden den 23e mei en 5en juli 1907 te Rotterdam en Middelburg". Deze ondertekening was de gelukkige afsluiting van een aantal verenigingspogingen, waarin vooral wijlen ds. G. H. Kersten een groot aandeel had.

Ootmoed en erkentenis

We mógen niet alleen gedenken, maar we móeten het ook, het past ons in alle opzichten. Niet om feestelijk te gaan doen, daar is geen aanleiding toe. Ootmoed is een beter kleed. Dat dit alles nodig was, is een gevolg van zondig afwijken van de wegen des Heeren, wie zou dan feestvieren? Bovendien: een klein groepje van nog geen 100.000 zielen heeft in wereldwijd verband gezien niet veel te betekenen; en zeventig jaar is niet veel in het licht van zestig eeuwen kerkgeschiedenis.

Zien we op onszelf, dan is roem ook uitgesloten. Ook in de achterliggende zeventig jaar, we moeten het belijden, was veel van het werk mensenwerk, vaak waren menselijke beweegredenen mede bepalend voor het kerkelijk denken en handelen. Vaak leidde de Heere niet dank zij onze wijsheid, maar ondanks onze dwaasheid. Er was nog maar een klein beginsel van gehoorzaamheid. Redenen om te gaan geloven in de kerk waren er dan ook niet.

Wel waren er redenen om te geloven, dat de Heere Zijn Kerk vergadert en daarom, ik herhaal het, waren en zijn er ook redenen om te gedenken. Niet onze daden, maar de daden des Heeren, „hoe voor dezen ons de Heer heeft gunst bewezen".

De daden des Heeren in het bewaren van een volk, dat ook in de negentiende eeuw bleef vragen naar de aloude Gereformeerde prediking, dat zich desnoods terugtrok in gezelschappen, als er in de plaatselijke kerken geen voedsel meer te verkrijgen was. De daden des Heeren in de afscheiding van het „genootschap, waarin het remonstrantse beginsel zijn beslag gekregen had" (ds. Ledeboer).

De daden des Heeren, als Hij het zo leidde dat in alle verwarring van die dagen, ook onder de herderloze schapen, toch weer een kerk is ontstaan, dat alles niet is doodgelopen in oeverloos subjektivisme.

De de daen des Heeren, als Hij het gaf, dat in 1907 de nu herdachte vereniging gestalte mocht krijgen, waardoor twee verwante groepen elkaar mochten vinden rondom Schrift en belijdenis.

De daden des Heeren, als Hij het gaf dat het kerkelijk leven geleidelijk aan weer

een meer geordend karakter kreeg, zodat het meer gericht werd naar de regels van Gods Woord en de daarop gegronde kerkorde dan naar persoonlijke opvattingen.

De daden des Heeren, die in de achterliggende zeventig jaar heeft gegeven een uitgroeien van onze gemeenten tot wat we nu zijn. Hij overlaadde ons dag aan dag met Zijn gunstbewijzen.

Het beginsel van de afscheiding

Het is niet mijn bedoeling in dit artikel een historische schets te geven, hooguit wil ik enkele markante zaken even aanstippen. Wel vind ik het van belang, de aandacht te vestigen op de visie van ds. Ledeboer inzake de scheiding. De afscheiding bracht geen nieuwe kerk; wie reformeert, het woord zegt het al, hervormt, gaat terug naar de oude vorm en herstelt daarmee het oude weer in eer; Wie deformeert, mis-vormend bezig was, die scheidde zich daarmee af. Laten we naar hemzelf eens luisteren: „Wat is het beginsel der scheiding? Geen afscheiding van de oude Gereformeerde Kerk in leer, dienst en tucht, maar van het in 1816 samengesteld genootschap, als Christus als Koning en Hoofd Zijner kerk verloochend is; afscheiding van menselijke vonden en instellingen, regel op regel, gebod op gebod; geen nieuwe secte uitmakende, noch daarom een nieuwe of andere naam begerende, maar de oude voorvaderlijke godsdienst zoekende; niets nieuws, omdat het niet nodig is; noch ook het oude omdat het oud is, maar omdat het goed is en beproefd". En: „wat aangaat de afscheiding, deze ligt niet aan onze, maar aan der anderen zijde, als die zich afgescheiden hebben van de gereformeerde leer, dienst en tucht. Wij ons afscheidende verklaren te zijn en te blijven, de gereformeerde leer van harte toegedaan te zijn: dus komt er geen verloochening van naam of enige voorrechten der Gereformeerde Gemeente in aanmerking". (Uit: „Een spiegel des tijds ter beproeving der kinderen Gods"). Afscheiding van de afscheiding van de ware gereformeerde leer is terugkeer tot de oude beproefde paden. Het is, dacht ik, goed deze zienswijze nog eens naar voren te brengen.

Plaatsbepaling

In het geheel van de gereformeerde gezindte in Nederland hebben wij een eigen

plaats, hoewel het moeilijk is, misschien zelfs wel onmogelijk, de eigen identiteit scherp af te bakenen. Het is ook de vraag, of dat zo dringend nodig is. Het leven, ook het kerkelijke, is zo veelvormig en zo van plaats tot plaats verschillend, dat algemene geldigheid van detailtekening maar zelden aanwezig is. Er lopen lijnen naar verwante groeperingen. Dat blijkt uit het randverkeer. Er vinden nogal wat overgangen plaats ieder jaar: vertrek wegens onbehagen hier of binnenkomst wegens ontevredenheid elders, vaak veroorzaakt door een net iets te veel of te weinig aandacht voor een bepaald facet van de heilsleer in de prediking volgens degene die overgaat.

De verwantschap blijkt ook uit iets heel anders, namelijk uit de samenwerking in velerlei organisaties, b.v. op het gebied van pers, onderwijs en politiek. De ontmoetingen die daar regelmatig plaats hebben, kunnen in ieder geval het heimwee naar wat meer eenheid onder hen die bij elkaar horen levend houden, en dat hebben we hard nodig, want dit moeten we eerlijk belijden, en geve de Heere dat het meer dan alleen woorden zijn: we zijn vaak sterker in het bestrijden van hen die ons geestelijk zeer na staan, dan van hen die uit een totaal andere geestelijke achtergrond leven. Die vallen gauw buiten ons blikveld, daar werken we mee in ons beroep, daar wonen we mee in dezelfde straat, maar godsdienst is zodanig privézaak geworden in onze maatschappij, en daar zijn ook wij mee besmet, dat we daar pas weer aan toe komen in onze vrije tijd.

Misschien zien buitenstaanders het nog het scherpst, ik meen dat wij vaak tot de rechterflank van de gereformeerde gezindte gerekend worden, misschien niet uiterst rechts, daar zouden dan nog de Oud Gereformeerde Gemeenten en de Gereformeerde Gemeenten in Nederland (Dr. Steenblok) staan. Voor sommigen is dit misschien duidelijk, mij zegt het niet zoveel, denk aan de veelvormigheid. Wie in deze opstelling onze linkerburen zouden zijn, laat ik maar liever in het midden.

Kenmerkend voor ons gezicht naar buiten is, dacht ik, een bepaalde ingetogenheid in levensstijl, een afstand nemen van velerlei kuituuruiting, uit het besef van de vreemdelingschap hier op aarde. Dat kan tot een teer leven leiden als het voortkomt uit de waarachtige vreze des Heeren, en tot krampachtige verstarring als een dood wetticisme de enige innerlijke drijfveer is.

Theologisch-wetenschappelijk doen we niet mee, jammer misschien, maar historisch verklaarbaar. In de prediking en de pastorale benadering van de gemeenten leven we in het spanningsveld van de Goddelijke vrijmacht enerzijds en de menselijke verantwoordelijkheid anderzijds. Soms zijn er werkelijke spanningen het gevolg van, een enkele keer zelfs scheuringen in de Gemeenten. Denk aan de kwesties rond ds. R. Kok en dr. Steenblok. Er is veel wijsheid en liefde nodig, om elkaar binnen het kader van Schrift en belijdenis te verdragen. Ditzelfde geldt ten aanzien van de plaats van de bevinding in het geheel van de prediking.

Geestelijk leven

Het voornaamste in al de zeventig jaar van het bestaan der gemeenten, is niet in woorden te vangen: het werk, dat in stilheid is voortgegaan. Elke zondag werd tweeof driemaal gepreekt of een preek gelezen, vaak ook door de week nog een keer, er is gecatechiseerd, er is huisbezoek gedaan en ander ambtelijk werk; de leden vormden

een gemeenschap, hingen aan elkaar, zorgden voor elkaar, droegen in menig opzicht eikaars lasten en deelden in eikaars leed en blijdschap. Er was waarachtige vroomheid bij kinderen Gods, die alom in hun omgeving en soms ver daarbuiten eerbied afdwongen door hun godzaligheid. Er was een beperkt aantal predikanten, van wie veel uitging. Ze deden hun ronden door de verschillende streken van het land en preekten dan een hele week in een bepaald gebied in de vele vakante gemeenten. Hoogtijdagen waren dat. Wat het alles heeft uitgewerkt voor de eeuwigheid, dat onttrekt zich aan onze waarneming, dat weet de Heere alleen.

Dat is ook het geval, als we ons afvragen hoe het nu is. In rapporten van kerkvisitaties lezen we ook: de Heere gaat door met Zijn werk, maar er is weinig doorbrekend werk. Oorzaken? Toch niet bij de Heere. Een slordig leven? Verachtering in het gebedsleven? Opbouw in kenmerken, in plaats van: Wast dan ook in de kennis en genade van onze Heere Jezus Christus? Er zijn nog meer mogelijkheden, maar het is hier niet de gelegenheid dit uit te werken.

Het is echter ook waar, daar zijn we innerlijk van overtuigd, dat hier en daar, bij jongeren en ouderen, bij weinigen of velen, door middel van de bediening van het Woord, nog waarachtig Godswerk in de harten voortgaat. Dat nog zondaren worden ontdekt aan hun armoede, die nog tot God gaan roepen; dat de Heilige Geest nog doorgaat met het werk van Christus in de harten te verkondigen; en dat nog anderen in heilige schuchterheid mogen komen tot de omhelzing van de gezegende Heere Jezus. Het ware werk kan lang verborgen blijven, en wij zijn geen hartekenners. De Heere weet echter alles, wij mogen het ook aan Hem overlaten, als wij maar getrouw zijn in onze opdrachtvolvoering. Hij hanteert de wan en scheidt het kaf van het koren, voor het eigen hart nu al in de prediking, openlijk op de grote dag van Zijn heerlijkheid.

En nu?

De geschiedenis gaat voort. Wij worden geroepen getrouw te zijn tot het einde. Dat kan niet in eigen kracht, maar alleen in voortdurende afhankelijkheid van Hem die is voorgegaan en het aan Zijn kerk beloofd heeft: Ik ben met u tot aan het eind der dagen.

Ik wilde eindigen met het slot van ds. Ledeboer , , 's Heeren wegen": De Heere ontneme ons het onze en geve het Zijne. Die wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Die mildelijk geeft en niet verwijt. Hij leidt ons gezamenlijk in Zijn waarheid, geve ons een hart om Hem te vrezen, wij zullen weldra één Psalm hebben om Hem te zingen. God en het Lam worde toegebracht de lof, de heerlijkheid en de wijsheid, en de dankzegging en de eer, en de kracht en de sterkte in alle eeuwigheid, Kom Heere Jezus haastelijk, ja kom Heere Jezus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1977

Daniel | 24 Pagina's

ZEVENTIG JAAR GEREFORMEERDE GEMEENTEN TER GEDACHTENIS

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1977

Daniel | 24 Pagina's