DE KERKORDE EN DE PLAATSELIJKE GEMEENTE
Het eerste artikel van de D.K.O. wijst er direkt al op dat in de gemeente van Christus voor het goed funktioneren een zekere orde nodig is. Strikt genomen kan een gemeente zonder kerkorde leven, omdat een kerkorde behoort tot het welwezen en niet tot het wezen van de kerk. Maar om wanorde en verdeeldheid te voorkomen is het nodig dat een aantal regels opgesteld worden, waaraan ieder lid van de gemeente zich vrijwillig dient te onderwerpen. Dat ieder schuldig is zich bij de ware kerk te voegen leert ons art. 27 en 28 van de N.G.B.
Instelling van de ambten
In de eerste christengemeente werden presbyters (ouderlingen) aangesteld, die het opzicht over de gemeénte verkregen. Eén van hen (de episcoop of bisschop) werd belast met de prediking en de algehele leiding. Zo had Jacobus de leiding over de Jeruzalemse gemeente. Dat deze leiding gemakkelijk kan ontaarden in diktatuur zien we aan het voorbeeld van Diotrefes in 3 Joh. : 9vv, die een ware terreur over de gemeente uitoefende. Tevens dreigt het gevaar dat de opzieners door allerlei bevoogdende maatregelen de gemeente de mogelijkheid ontnemen om zichzelf en elkaar op te bouwen in het geloof en de liefde.
In de kerkgeschiedenis zien we enerzijds een te sterk benadrukken van het bijzondere ambt, wat uitloopt in diktatuur, terwijl anderzijds het ambt aller gelovigen te veel accent krijgt. Het is noodzakelijk dat de rechten en plichten van het gemeentelid zowel als die van de ambtsdragers in een kerkorde worden vastgelegd.
Krachtens het ambt aller gelovigen heeft het gewone gemeentelid plichten en bevoegdheden. Luther zei eens: „ieder gedoopte christen heeft dezefde macht als de paus". Hoewel dit in zeker opzicht waar is, kan men toch niet stellen dat er geen enkel verschil zou zijn in taak en bevoegdheid van het gewone gemeentelid en de predikant. Het is wel de grote verdienste geweest van Luther dat bij hem de onderscheiding tussen geestelijkheid en lekendom in beginsel kwam te vervallen.
Theologen als dr. H. Kraemer leggen de volle nadruk op het aandeel van het gewone gemeentelid. Het ambt aller gelovigen noemt hij het vergeten ambt in de kerk. Hij verwijt Calvijn dat hij de betekenis en het belang van het gemeentelid in zijn Ordonnance Ecclesiastique verwaarloosde. De kerkorden ontnemen volgens hem het gewone gemeentelid te veel rechten. Als we de bediening van de sakramenen uitsluitend aan het ambt voorbehouden, vindt hij dat we dan toch weer een soort geestelijkheid kreëren. Bovendien zou dat een passieve houding van het lekendom in de hand werken. Dit vindt hij jammer, want alle leden van de kerk hebben in beginsel dezelfde verantwoordelijkheid en waardigheid. Het komt ons echter voor dat het eenzijdig accentueren van het algemeen priesterschap der gelovigen moet uitmonden in miskenning van de bijzondere ambten.
De gemeenten verenigd
Levert de relatie bijzonder en algemeen ambt hier en daar moeilijkheden op, nog ingewikkelder wordt het als we de verhouding tussen de gemeenten onderling bezien. Het zou onbijbels zijn als de ene gemeente zich niets van de andere zou aantrekken. Als delen van het Lichaam van Christus mogen de kerken niet langs elkaar heen leven. Hoewel elke plaatselijke kerk enerzijds een komplete kerk is, is zij anderzijds een deel van.het gehele. Waar een innerlijke band aan Christus is, daar is ook een uitwendig verband. In Hand. 15 zien we zo'n verband, een meerdere vergadering, waar Paulus en Barnabas als afgevaardigden van de gemeenten te Antiochië tot de apostelen en ouderlingen te Jeruzalem gezonden worden om hun advies en
oordeel te vragen inzake de eis van de Judaisten, dat de christenen uit de heidenen zich moesten laten besnijden.
Calvijn zegt n.a.v. Hand. 15: „hier wordt ons van Godswege de grondvorm en de regel voor het samenroepen van Synodes voorgeschreven, wanneer zich geschillen voordoen, die niet anders bijgelegd kunnen worden".
Het is van groot belang hoe de meerdere vergaderingen (classis enz.) samengesteld worden en welke bevoegdheden ze krijgen. De D.K.O. gaat duidelijk uit van de autonomie van de plaatselijke gemeente. Een aantal gemeenten verenigen zich in een classis, terwijl verschillende classes weer een partikuliere synode vormen, die zich weer verenigen tot een generale synode. Dit is de presbyteriaal-synodale kerkorde, ' die van onderop, steunend op de lidmaten der gemeenten, is gebouwd, in tegenstelling tot de episcopale kerkregering die van bovenaf, uit een centraal kerkelijk gezag, de kerkregering stelt.
Gebruik en misbruik van de macht
De geschiedenis der kerk toont aan dat meerdere vergaderingen hun gezag dikwijls misbruikten. In de Roomse Kerk is langzamerhand een hiërarchisch systeem ontstaan, dat aan de concilies te veel macht en zelfs onfeilbaarheid toekende. Calvijn erkent in het vierde boek van zijn Institutie dat sommige concilies verstandige besluiten genomen hebben, maar hij verwijt hen dat ze allerlei besluiten bindend oplegden. De Roomse Kerk meent dit te kunnen doen op grond van Joh. 16 : 12, waar Christus zegt: Nog vele dingen heb ik u te zeggen, maar gij kunt die nu niet dragen". Hiermee zou Christus dan doelen op de leerstellingen die zonder de Schrift, alleen door de gewoonte en zede, zijn aangenomen. Nadrukkelijk stelt Calvijn (en alle Ger. Kerken met hem) dat het de kerk niet geoorloofd is enige nieuwe leer te vormen. Het hiërarchische systeem met een onfeilbare paus aan de top wijst hij volstrekt af.
De Gereformeerde Franse kerkorde stelt dan ook in haar eerste synode als eerste artikel op: „Geen kerk zal over een andere heerschappij voeren. Evenmin mogen de dienaren of ouderlingen en diakenen zulks doen over elkaar. Merkwaardig dat de synode van Emden (1571) dit artikel nagenoeg letterlijk overnam als artikel, terwijl in onze D.K.O. dit artikel bij de slotartikelen is terechtgekomen.
Hoewel in beginsel dus alle kerken gelijk zijn, hebben toch meerdere vergaderingen een macht in meerdere graad. Dit betekent dat de macht van de plaatselijke kerk ondergeschikt is aan cle macht van de meerdere vergadering. Voetius legt dit heel mooi uit: „evenals de macht van tien mensen in graad meerder is dan van één, van alle apostelen samen meerder dan van elke apostel op zich zelf, en van alle kerkeraadsleden samen meerder dan van elk lid afzonderlijk, zo is ook de macht van tien kerken in graad meerder dan van één kerk.
Independentisme
Kerken die zich hierdoor in hun autonomie aangetast en in hun vrijheid beknot voelden stelden zich meer op een independentistisch standpunt, volgens hetwelk elke partikuliere kerk haar eigen wetten kan maken en onafhankelijk is van de zeggenschap van meerdere vergaderingen inzake de belijdenis en de kerkorde.
Het Independentisme of Congregationalisme gaat uit van de zelfstandigheid van plaatselijke groepen van gelovigen. Deze onafhankelijkheid geldt zowel de beroeping van dienaren als de eredienst, belijdenis en tucht. Er is maar één autoriteit en dat is Christus en de Heilige Schrift. De kerkeraad regeert niet maar voert de wil van de gemeente uit.
Welke gevolgen het congregationalistisch denken kunnen hebben leert ons de geschiedenis van ds. H. P. Scholte, een van de afgescheiden predikanten van'het eerste uur. Deze predikant voelde niet veel voor kerkelijke instituering, nog minder voor een kerkorde en een kerkverband. Zijn ideaal was een vrije vergadering van gelovigen die, niet gebonden aan confessie of organisatie, zich „vrij" en „onbelemmerd" ontwikkelen kon. Nadat hij toch een eigen kerkorde geforceerd wilde invoeren op de Synode van Utrecht (1837) en daardoor veel verwarring stichtte, emigreerde hij in 1846 met honderden volgelingen naar Noord-Amerika, waar hij de stad Pella stichtte. Daar zou dan een geheel zelfstandige kerk opgebouwd moeten worden. Wat hier van terecht
gekomen is beschrijft Scholtes biograaf H. E. Dusker: „. Die nu de gemeente en de omgeving van Pella kent ziet de sporen van den tegenzin tegen kerkelijke aansluiting, die het eerste koloniale leven aldaar kenmerkte tot op den huidigen dag toe. Nergens in de Hollandse koloniën verdeelde zich het volk in zoveel verschillende groepen, die richtingen vertegenwoordigden, als juist daar. Veel van wat te Pella gebeurde, had in een geregeld kerkverband niet kunnen voorkomen".
Willen we niet in de chaos of de sekte, in het lokale of regionale isolement, in de opgeslotenheid van eigen kring terecht komen, dan hebben we de strakke lijnen van .het presbyteriale kerkrecht nodig. Kenmerkend hiervoor zijn:
I. Uitgangspunt is de plaatselijke kerk
2. De regering is toevertrouwd aan een kollege van ambtsdragers. Hogere en lagere ambten zijn er niet.
3. Behalve de kerkeraad zijn er nog andere kerkelijke vergaderingen van bredere omvang.
Konflikten over de bevoegdheid van synodes enz. hebben geleid tot de stichting van de Vrijgemaakte Ger. Kerken in 1944. Om personen en gemeenten niet in gewetensnood te brengen is het belangrijk dat leeruitspraken niet uitgaan boven wat in de Schrift is geopenbaard en in de belijdenisgeschriften is nagesproken. Wanneer echter leeruitspraken worden genegeerd en er dan geen tuchtmaatregelen genomen worden, wordt de deur geopend naar leervrijheid, wat weer tot gevolg heeft, dat Gereformeerde predikanten als ds. H. J. Hegger hun Synode toestemming vragen om huisgemeenten te mogen stichten.
In liturgische zaken kunnen de plaatselijke gemeenten een grote mate van vrijheid hebben (twee of drie diensten per zondag, psalmberijming van Datheen of 1773 enz.) Allerlei zaken die het hele kerkverband aangaan, dienen, echter kerkordelijk geregeld te zijn. Hierbij valt te denken aan de theologische opleiding, het beroepen en emeriteren van predikanten, verkiezing van amtsdragers, attestaties, Doop en Avondmaal, verhouding tot de overheid enz. Alle gemeenten dienen zich aan de besluiten van meerdere vergaderingen te houden. Meent de bezwaarde per-N soon of gemeente een besluit om des gewetens-wille niet te kunnen aanvaarden, dan is het volgens Voetius beter uit het kerkverband te treden.
Kritiek op de kerkorde
De laatste jaren worden er met name in de Hervormde Kerk nogal wat bezwaren aangevoerd tegen haar kerkelijke organisatie. Denk slechts aan de Algemene Kerk Vergadering, een soort hearing van kerkleden, die meenden dat de kerkordelijke kanalen verstopt waren. Stapels aanbevelingen en moties kwamen op de synodetafel (1971) terecht. Het resultaat was erg pover. Er kwam bijna niets konkreets uit.
De Hervormde ds. M. R. v. d. Berg meent in zijn boek „De gekerkerde kerk" dat de kerkelijke organisatie een verhindering vormt om een zoutend zout te zijn en daarom moet heel die organisatie maar verdwijnen om weer opnieuw in de apostolische vrijheid te kunnen staan. De D.K.O. noemt hij onschriftuurlijk en wil haar overboord hebben omdat hij vindt, dat er geen enkele gezagsinstantie tussen Christus en Zijn gemeente geduld wordt. Het organisatorische systeem di'ijft maar een wig tussen de broeders. Hij wil een flexibele vorm van samenwerken met veel vrijheid voor de plaatselijke gemeente. De kerkelijke organisatiestruktuur wil hij overwinnen door ze volkomen te negeren: „Wie geen slachtoffer van de organisatie wil worden, moet niet meer met haar gaan praten, zich niet meer tegen haar verdedigen, geen aandacht, meer aan haar schenken. Als dat massaal gebeurt verliest de organisatie haar kracht. Ze valt om als eert paal, die door de witte mieren is aangevreten". Deze opruiende taal klinkt eerder anargistisch dan bijbels.
De D.K.O. blijft noodzakelijk
Moge uit vorenstaande blijken, dat we als plaatselijke gemeente niet zonder een kerkorde kunnen, zelfs niet mogen, daar God Zelf, als een God van orde, ook orde in de kerken wil. Moge onze kerkorde inderdaad zijn en blijven wat ds. K. de Gier zegt in zijn „Toelichting op de D.K.O.": „Het is een gezegend hulpmiddel tot de volmaking der heiligen en de opbouw van het Lichaam van Christus".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1977
Daniel | 24 Pagina's