EEN MEISJE VAN ZESTIEN
„Dag Marjo, tot morgen!"
Frans hield haar tegen bij de deur. Ze had zo diep lopen denken dat ze hem niet eens in de gaten had. „Zie je geen mensen meer", grapte hij, „en kun je niet eens meer behoorlijk gedag zeggen? "
Lachend keek Frans Marjo aan. Frans lachte altijd.
„Goed, tot morgen dan!", antwoordde ze moe. En éven, heel éven maar, moest ze toch bewonderend naar hem kijken. Hij stond daar zo stoer in z'n mooie
witte verplegersbroek en jasje en die donkere klompen stonden er zo grappig onder! Frans, broeder Frans. Maar ze had nu geen tijd en zin om over hem na te denken. Snel glipte ze door de draaideur naar buiten, de hoge stoep af. naar de rijwielstalling.
Weg! Naar huis! Niet meer denken aan het ziekenhuis. Aan broeder Frans, aan de patiënten, aan al het werk daar. Heerlijk weg! Naar haar kamertje thuis, met haar eigen spulletjes en rommeltjes. Daar was ze heerlijk alleen met haar gedachten, met alles wat haar verwarde en bezig hield. Niet aan morgen denken Ze zou wel weer zien hoe ze morgen de dag doorkwam in dat ziekenhuis.
Wat was ze begonnen, wat had haar bezield? Vanavond wilde ze tot een beslissing komen voor zichzelf, want zo kon het niet langer. Had ze zich dan toch vergist? Had ze een droombeeld nagejaagd, of van alles een verkeerde voorstelling gehad? Moeilijk allemaal bah.
O, maar dat éne, dat éne was toch mooi! Dat had ze toch maar gezien, samen met Frans. Dat kindje, dat arme kleine kindje
Het was ontroerend geweest, maar ook eigenlijk heel mooi. Eerbied had ze gevoeld, verwondering, maar in haar hart was een gevoel geweest van blijdschap, dat ze eindelijk gezien had wat haar zo vaak bezig hield. Wat haar fel en diep interesseerde, waar ze dure boeken van kocht en gegevens over verzamelde. Ja!
Hard trapte Marjo naar huis, vol energie ineens. De moeheid was plotseling weg uit haar lichaam. Ze zou het nazoeken thuis, op de foto's in haar boeken. Kon ze kijken hoe oud het kindje ongeveer geweest moest zijn
„Wat een puinhoop is het hier", dacht Marjo, toen ze haar kamertje binnenkwam. Maar toch een gezellige puinhoop, vond ze.
Op het lage tafeltje voor het raam lagen haar muziekboeken open, schots en scheef door elkaar, op de grond lag haar mooie viool foei toch, als moeder dat zou zien! En al die schoolboeken en schriften moest ze nu toch ook eens gaan uitzoeken opbergen of verkopen, nu ze die toch niet meer nodig had. Marjo had een maand geleden haar mavo-diploma gehaald. En zo blij als ze daar nog elke maand om was! En nu had ze vakantie. Heerlijk vakantie, na al dat geploeter om haar diploma te halen. Ja, maar dat ziekenhuis, waar ze nu werkte in de vakantie
Marjo knielde neer bij haar boekenkastje.
Maar ze vergat opeens te zoeken naar het boek, dat ze hebben wilde. Ze staarde het raam uit, een diepe frons boven haar ogen. Het ziekenhuis, de verpleging. Ze had ervan gedroomd, al de jaren dat ze op de mavo had gezeten. Jenny, haar
vriendin had het altijd over de verpleging. En zo laaiend enthousiast als Jenny altijd was. „Ik word verpleegster", zei ze altijd, „jij toch ook, Marjo? "
En Marjo, die alles met Jenny deelde, had ja geknikt. Natuurlijk, samen zouden ze verpleegster worden, samen wonen, op een zusterflat, leuk!
Jenny bedisselde alles, maakte plannen. Ze zouden samen in deze vakantie een poosje verpleeghulp worden konden ze alvast een beetje wennen aan de verpleging. Want in de echte opleiding mochten ze nog niet. Daarvoor moest je zeventien zijn.
Marjo zuchtte. Ze steunde nadenkend met haar ellebogen op de grond, haar kin in de handen. Ze zag de mensen voor zich in het ziekenhuis, de bedden, broeder Frans, die zo enthousiast zijn werk deed.....
Jenny, die zo opging in haar vakantiewerk dat ze bijna niet wachten kon tot ze zeventien was.
En zij, Marjo? Ze plofte voorover op de grond, op haar buik, steunend op haar ellebogen. Ze zag de afdeling voor zich, de rommel op de zalen en gangen, vooral 's morgens als de patiënten gewassen werden. En alle andere karweitjes die erbij kwamen, die minder leuk waren en toch gedaan moesten worden. En dat gejacht van de verpleegsters, alles moest vlug en snel gedaan worden.
Nee, diep in haar hart vond Marjo de verpleging niet leuk. Het was enerzijds mooi werk, in dienst van de mensen, die je naaste waren, maar al dat andere Jenny had geen last van al die dingen die zij, Marjo, zo rommelig en ongezellig en niet leuk vond. Frans ook niet. Ze voelden voor hun werk.
Ze vóélden er voor
Heel helder zag Marjo dit ineens. Ze kwam overeind, verbaasd over haar eigen vinding. „Ik voel er niet voor", zei ze hardop tegen zichzelf, „Dat is het. Ik had het ideaal in m'n gedachten, maar ik wist niet wat het inhield.
Ik praatte Jenny na, ik wilde bij Jenny blijven in m'n werk. Maar Jenny voelt er voor, en ik niet. En de verpleging, als je dat wilt, dan moet je er voor vóélen, je interesse moet op zieke mensen gericht zijn". Ja, ze begreep het opeens allemaal.
Waarom het zo zwaar viel allemaal, waarom ze met tegenzin haar vakantiewerk deed de laatste dagen. Vreemd dat ze dat nooit eerder ingezien had. Je moest werk zoeken als het kon in datgene waarin je interesse lag. En haar interesse?
O ja, ze wist het. Frans had haar iets laten zien: een kindje dat véél te vroeg op de wereld gekomen was. Het was een kindje dat nog in ontwikkeling was. De zwangerschap was nog te kort geweest om het kindje levensvatbaarheid te geven. Een golf van ontroering was door haar heengegaan. Ze had aan de moeder gedacht, die haar kindje verloren had. Wie weet hoe verdrietig ze er over was.
En het kindje dat daar lag Dat prille ontluikende leven was afgesneden, nog voor het tot volledige ontwikkeling gekomen was. En Marjo had, terwijl ze daar bij dat kleine kindje stond, ineens moeten denken aan enkele woorden uit de Bijbel, die Job eens gezegd had: de kinderkens, die het licht niet gezien hebben". Ja, dat was wat Marjo vaak bezig hield: baby's, pasgeboren, hoe ze waren en werden in al de maanden tijdens de zwangerschap.
„Marjo, koffie!", riep moeder, onder aan de trap.
„Ik kom"!, riep Marjo terug, blij opeens. Ze sprong met twee treden tegelijk de trap af, haastig en gevaarlijk manoevrerend langs de trapleuning. Ze zou beneden alles eens gaan vertellen. Dat ze voor de verpleging niet voelde. Maar wel dat andere.
Ze hoopte dat vader en moeder zouden weten wat voor beroep of opleiding ze voor deze interesse moest zoeken. Kraamverzorgster? Vroedvrouw misschien?
Ze voelde zich opgelucht. Fijn om te weten wat je wilde. Zoals Jenny dat wist. „Joepie"! riep ze uitgelaten en stond gelijk onder aan de trap.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1977
Daniel | 24 Pagina's