REVALIDATIE- CENTRUM
1
Zij zal nooit wennen in dit verre huis. Zij blijft alleen bij al de vreemdelingen, bij al het goed waarmee ze haar omringen. Zij denkt met heimwee aan haar eigen thuis.
De tijd verschoof vanaf dat wreed gedruis tot zij ontwaakte tussen vreemde dingen en zij moest leven van herinneringen hoe alles was en nu dit zware kruis.
Zij ziet vanaf 't balkon de bloemen bloeien en statig boomgewas, met aan de voet de eendenmoeder met haar jongen stoeien.
Waar zijn haar kinderen? O, niets dan bloed . . . Dan ziet zij niets meer en de tranen vloeien de droeve ogen uit zo bitter-zoet..
2
Als kind deed zij al vroeg wat moeder deed: zij stofte, boende en zij hielp bij 't vegen; zij ging als 't avond werd haar vader tegen en moeder maakte dan het maal gereed.
Zij klopte samen 't zware stoffig kleed, zij droeg het wasgoed binnen voor de regen, zij ging de winkel in en keek naar 't wegen en moeder troostte haar bij 't kinderleed.
De zuster komt . . . ineens is 't beeld vervlogen. Zij ligt op bed weer in de stille zaal, en blijde glinstering vlucht uit haar ogen.
Een ander spreekt, het is niet moeders taal. Heeft zij zich weer als gisteren bedrogen? „Ik ben alleen, waar zijn ze allemaal? "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 augustus 1977
Daniel | 24 Pagina's