JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

BOEKBESPREKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BOEKBESPREKING

9 minuten leestijd

Jan van Capelleveen e.a.: De story van Youth for Christ. Uitg. J. H. Kok, Kampen. 108 blz. Prijs ƒ 9, 90.

In dit boekje, dat er goed verzorgd uitziet, wordt op een vlotte wijze (hoe kan het ook anders!) verteld door een aantal (ex)medewerkers van Youth for Christ, over de ontstaansgeschiedenis, de grondbeginselen, de aktiviteiten en de verhouding tot de kerken van de Youth for Christ (YFC). Om te kunnen oordelen over YFC moet je dit boekje lezen. Veel zaken worden dan duidelijker. Na de Tweede Wereldoorlog toen de YFC-teams uit Amerika naar West-Europa kwamen, was er duidelijk sprake van een Amerikaanse invloed. Dat is in de loop van de zestiger en zeventiger jaren veel en veel minder geworden. Het koffiebar werk bijvoorbeeld slaat in Amerika helemaal niet aan, want de jongeren daar houden niet van praten, ze doen liever wat (95).

Ik heb al lezende waardering gekregen voor de brugfunktie, die de YFC wil vormen voor de van de kerk vervreemde jongeren: de arm van het lichaam dat de gemeente van Christus is (101). Maar om de rand-en onkerkelijken te kunnen benaderen is wel iets nodig en daarvoor geef ik een lang citaat uit het artikel over ds. G. Brucks, die tot voor kort de algemeen leider van de YFC-Nederland was:

Je hoort hel tolkens zeggen: de jeugd wil de kerk niet meer. Maar we moeten het omdraaien: wil de kerk de jeugd wel? Niet dat we zover mosten gaan jn het begrijpen van de tiener dat we onze overtuiging overboord zetten. Maar we moeten wel bereid zijn ons echt te verdiepen in wat hen bezielt, bereid zijn niet één mijl maar twee mijlen met hen ie gaan. Gaandeweg begrijp je dan dat je tegen een jongen uit de subkuituur niet pardoes kunt zeggen: ga je zondag mee naar de> kerk. Hij voelt zich daar als een varken in een synagoge. Je moet hem de kans geven ie akklimatiseren, de overgang moet geleidelijk zijn, bijvoorbeeld via YFC, een koffiebar, een gespreksgroep, een bijbelkring. Wanneer je een diepzeeduiker in één ruk naar boven haalt, gaat zijn bloed koken en barsten zijn longen. Om de vijftig meter wordt gestopt, dat heet een , , decompression-zone". Nou, zo kun je een jongere die diep in de sub-kuituur is gedoken, niet in één keer brengen naar het niveau van een kerkdienst. Dan gaat z'n bloed koken.

Wat wil Youth for Christ eigenlijk? Dat het woord „bekering" in ere hersteld wordt! Het past nu teveel in de sfeer van de dronkaaard dis de kroeg de rug toekeert. Maar hebben de postbode en de melkman en de typiste en de onderwijzeres geen bekering nodig?

Diverse jeugdbewegingen richten zich op een bepaalde jeugd. Wij willen het nieuws van Jezus doorvertellen aan alle jongeren, ongeacht uit welke hoek ze komen. Jongeren van zo tussen de vijftien en vijfentwintig. Velen van hen zijn zichtbaar kapot. Gekweld, opgejaagd, beschadigd. We willen hen in aanraking brengen met Christus. Hoe doe je dat? De mentaliteit is belangrijker dan de methode. Een methode kun je in een half-uurije afkijken. Een mentaliteit, dat is een verhaal apart. Namelijk het verhaal van de apostelen. Paulus schrijft in 1 Thessalonicenzen 2 vers 8: Wij waren bereid u niet alleen het Evangelie, maar ook onszelf mee te delen. Ondenkbaar dat iemand vandaag iets kan betekenen voor de jeugd als het laatste niet even waar is als het eerste. Het gaat om innerlijke bewogenheid, om betrokkenheid, om liefde. Dat is de mentaliteit. En de methode is net zo geestelijk als de mens die de methode gebruikt! (51-52).

Vragen:

Toch blijf ik met heel wat vragen zitten. Ik twijfel niet aan de goede bedoelingen van YFC, maar in de praktijk blijven in sommige plaatsen de kerk en YFC naast elkaar en tegen elkaar inwerken. De schuldvraag laten we maar in het midden; het is echter hoog tijd dat vanuit het landelijk centrum bij de kadervorming steeds erop gewezen wordt, dat alles ter plaatse met de plaatselijke kerken geregeld moet worden én dat bij de samenstelling van een team niet alle kerken op één hoop gegooid kunnen worden. Want tussen de kerken en in de kerken zelf zal er heel verschillend gedacht worden over de beginselverklaring van YFC. Laat die bij het begin van het gesprek eerst aan de orde komen: Wordt de Bijbel als Gods onfeilbaar Woord beleden? Hoe staat men tegenover de Drieëenheid, het leven en werk van de Borg en Zaligmaker, de wedergeboorte door de Heilige Geest, de rechtvaardiging en de heiligmaking, de wederkomst en het laatste oordeel? Als daar meer in de YFC zelf en in de kontakten

met de kerken over gesproken werd, zou er heel wat meer helderheid komen over wat YFC in principe wil en hoe dat bereikt kan worden onder de zegen van de Heere. Vervaging van grenzen is levensgevaarlijk.

Veel van wat er gedaan wordt door YFC is goed, maar soms verwacht je meer of blijft het vrijblijvend! Laten we dankbaar zijn voor het verenigingswerk in onze gemeenten, maar laten we ons ook verdiepen in wat er gedaan wordt door allerlei bewegingen onder de jongeren, de zonen van de verloren zoon, die wij niet kunnen bereiken. De Heere geve aan de werkers van YFC, de wijsheid en de genade om in biddend opzien tot Hem bij het kiezen van vorm en inhoud bij het werk, alleen de eer van God en de zaligheid van onze jongens en meisjes, die hun genadetijd verkwanselen en daardoor hun leven verknoeien, te mogen bedoelen.

Fijn dat er nu wat op papier staat. Laten we bij het beoordelen oppassen voor het verschijnsel van de balk en de splinter.

I. A. Kole.

E. Hofman: Dichtkunst, literaire kritiek en creativiteit in de Gereformeerde Gezindte. Met dichtersportretten van: Marinus Nijsse, Nel Benschop, Enny IJskes-Kooger. Uitg. „De Banier", Utrecht. 194 blz. Prijs ƒ 17, 50.

Laten we maar met de deur in huis vallen: dit boek heeft ons teleurgesteld; we vonden het verre van overtuigend. We hebben daar verschillende redenen voor. De eerste is deze: dit werk vertoont een grote mate van tweeslachtigheid. We geven enkele voorbeelden. Enerzijds wil Hofman zich ontworstelen aan de tyrannie van een „algemeen" literair niveau en vindt hij het een ontoelaatbaar gebrek aan gevoel van eigenwaarde, wanneer men in Gereform. kring het niveau van de igen produlcten wil ophangen aan wat men „de" literatuur pleegt te noemen (p. 24). We kunnen hem hierin helemaal bijvallen. Maar het verbaast ons dan wel aan de andere kant steeds weer opnieuw te moeten vernemen dat figuren als Nel Benschop e.a. toch maar tweederangsfiguren zijn en dat het kulturele leven in de Gereformeerde Gezindte op een bedroevend laag pitje staat, waarbij woorden als „pijnlijk" herhaalde keren gebruikt worden. Hofman pleit voortdurend voor de verheffing en de verbreiding van een waarlijk gereformeerde kuituur. Maar zit daar nu juist niet, wellicht onbewust, het onbijbelse verlangen achter dat wij ons toch moeten kunnen meten met de kuituur van de „wereld"?

Een ander voorbeeld. Hofman is van mening dat de vormen van de zgn. Vijftigers neutraal zijn. Christenen kunnen en moeten er ook gebruik van maken. Een christen staat niet vooraan in de ontwikkeling van de wereldse kulturele vormen; hij treedt pas in de tweede fase aan om nieuw ontdekte vormen een eigen christelijke inhoud te geven. Hofman voert op grond van deze argumentatie een pleidooi voor het gebruik maken van moderne vormen. Men wrijft zich echter de ogen uit, wanneer men verderop in het boek leest hoe de auteur dezelfde handelwijze verwijt aan christelijke dichters van vóór W.O. II en ze alleen maar kwalificeert als epigonen van de Tachtigers. Hij verwijt deze mensen zelfs dualisme, heeft helaas niet in de-gaten dat hij zich daar met zijn pleidooi voor Vijftiger-vormen evenzeer aan schuldig maakt. We kunnen de weerzin van de auteur tegen de „afgeleefde" vorm van het eindrijm niet delen. Wij zouden juist in tegenstelling met Hofman willen pleiten voor een „bezielde retoriek".

We zouden zo nog meer kunnen noemen. Bij de vraag wat nu eigenlijk literatuur is, v/il Hofman niet in de allereerste plaats esthetische normen hanteren (p. 23). Akkoord, maar waarom dan een kompleet hoofdstuk gewijd aan de rijmvormen van de Vijftigers en de indruk gewekt dat deze dichters hoog gewaardeerd moeten worden? En hoe kan men vanuit dit uitgangspunt nog spreken over de „werkelijk verstrekkende betekenis van het werk van Gerard Reve"? Nog iets. Christelijke literatuur is literatuur van christenen, aldus de auteur. Goed, maar waarom dan zo zwaar getild aan het manco van echt gereformeerde literatuur en kultureel leven? En waarom dan niet eenvoudig gesteld: christelijke literaire kritiek is literaire kritiek van christenen? We zouden met De Mérode willen stellen: christelijke literatuur (én kritiek) is er, of ze is er niet!

Hofmaan laat ons als lezer ook vaak in de steek. Voortdurend stelt hij aan poëzie de

eis van literaire waarde. Verschillende malen komt de vraag aan de orde wat nu een goed gedicht is en wat niet, wat nu literatuur genoemd moet worden en wat niet. We krijgen op die vragen evenwel geen antwoord; de auteur blijft in vage algemeenheden steken, waar je in de praktijk nauwelijks iets mee kunt doen.

Verder dan de konstatering dat het antwoord op deze vragen niet gemakkelijk is, komt hij in wezen niet. Hetzelfde moet gezegd worden over zijn hoofdstuk over de uitgangspunten van een christelijke, literaire kritiek. Na lezing daarvan kan men alleen maar vaststellen dat men het nog niet weet, ja men krijgt het gevoel dat er helemaal geen uitgangspunten zijn voor een duidelijk christelijke, literaire kritiek. Naar ons gevoel zet Hofman ook de ethische en de esthetische normen te veel naast en na elkaar. Kan een christen een ethisch volstrekt verwerpelijk werk toch op grond van funktionele kriteria een kunstwerk noemen? En moet hij zich werkelijk met anti-christelijke kunst bezig houden?

We staan dus zeer kritisch tegenover dit boek. Voor ons besef zit er iets gespletens in. De auteur staat niet kritisch genoeg tegenover alles wat met kunst en kreativiteit te maken heeft. De toon is vaak te optimistisch. De „vreemdelingschap" van een christen komt daardoor in het gedrang.

Dit alles wil overigens niet zeggen dat we alleen maar kritiek hebben. Er staan ook vele goede dingen in dit boek. De drie portretten en interviews b.v. vinden we erg sterk. Hofman verstaat de kunst om tot de essentie door te dringen. Alleen begrijpen we niet waarom Nijsse een specifiek Zeeuwse variant van de Ger. Gem. zou vertegenwoordigen, terwijl we ook het toedichten van fatalisme aan Nijsse niet overtuigend vinden. Maar verder achten we dit de beste gedeelten van dit werk.

De kritiek overwoog in deze bespreking. Dat leek ons nodig, nu de uitgever naar verschillende middelbare scholen een brief geschreven heeft ter aanbeveling voor de jongelui. We kunnen hun alleen maar aanraden het boek kritisch te lezen.

A. Maljaars.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1977

Daniel | 20 Pagina's

BOEKBESPREKING

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 juli 1977

Daniel | 20 Pagina's