JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

KEES HOUDT TOCH VOL!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KEES HOUDT TOCH VOL!

10 minuten leestijd

Het is een donkere avond. Langs de kust, niet ver van een brede rivier vaart een flinke motorboot. Er zijn twee mannen aan boord. Eén staat in de stuurhut, de ander probeert zonder te knoeien koffie uit een thermosfles in een kopje te schenken. Er is iets vreemds aan die boot. Hij heeft helemaal geen lichten op. In de mast hangt wel een lampje, maar het brandt niet. Ook het groene en rode licht aan weerszijde van het scheepje zijn gedoofd. Zouden die mannen dat misschien niet weten? Daar zwenkt de motorboot de brede rivier op. Wonderlijk, in plaats dat die boot sneller gaat varen in clit veel rustiger water, wordt er vaart verminderd en het geluid van de motor wat gedempt. Een goed uur later draait het scheepje een haventje binnen van een klein dorp. Het is inmiddels ver na middernacht geworden.

„Dat hebben we weer gefikst, Jaap", zegt de man, die aan het roer stond. „We zijn ze weer te glad af geweest." Op de kleine kade staat een dure Mercedes. De motor van de prachtige auto ronkt zacht. Even seint hij met zijn koplampen. De mannen leggen de motorboot vast en springen aan land. Ze dragen ieder een grote plastic zak vol met pakjes, die in grauw papier zijn gewikkeld. Na een vlugge blik in het rond lopen ze op de auto toe en tien tellen later is de kade verlaten. Zacht ligt de motorboot aan zijn kabels te trekken. Op de betonnen rand van de kade ligt een klein pakje. Dat is zeker uit één van die plastic zakken gevallen. Wat zou er in zitten? Als cle maan nieuwsgierig even om een dikke wolk komt kijken, rijdt langzaam een politieauto de havenplaats op. Twee agenten springen eruit, ze lopen op de zacht deinende motorboot toe en zien bijna tegelijk het pakje liggen. Eén van hen raapt het op en steekt het in zijn zak. Dan springen ze aan boord. Vreemd, wat is er toch aan de hand in dat dorpje aan die brede rivier?

„Jij zegt altijd nee."

„Jö, doe niet zo flauw, je krijg! er niks van. Probeer 't ook eens." Achter cle fietsenstalling van cle Technische School staan drie jongens. Kees van Weelden, de handen aan zijn stuur, z'n voet op de trapper, schudt van nee. „Flauwe vent, jij zegt altijd nee." Een magere jongen met lange ongekamde haren kijkt minachtend op Kees neer. „Hij mag niet roken van z'n pappie." Kees knijpt zo hard in z'n stuur, dat de knokkels van zijn vingers wit worden. „Ik wil niet roken, 'k heb het beloofd", stoot hij eruit. „Ha, ha, hij wil niet roken; hij heeft het beloofd, " hoont de magere knul. Er komt een waas voor Kees' ogen. Als Arie nog één woord zegt, dan Maar Arie Baks heeft zich omgedraaid. Kees voelt zich ineens heel erg moe, hij springt op zijn fiets en met een

kort „bonjour" spurt hij weg. Hij ziet niet hoe de derde jongen hem met iets van verlangen in z'n ogen nakijkt. „Laat 'em gaan, " schokschoudert Arie. „Hier Klaas, jij wil het nog wel eens proberen." Gretig pakt Klaas van Houten de sigaret, die Arie hem aanbiedt. Gulzig inhaleert hij de prikkelende rook. Zijn wat slomme blik verandert, hij begint druk te praten en schiet telkens in een giechelende lach. Kees kan voor zijn part naar de Mookerhei lopen. „Heb je nog meer? " vraagt hij, als hij hei peukje met zijn hak uittrapt. „Nog voor drie stickies. Ken je van me kopen, één tientje." „'k Heb maar acht gulden, " probeert Klaas. „Tien, " zegt Arie glashard en doet alsof hij het doosje in z'n zak steekt, , , 'k Breng morgen dc rest mee, " belooft Klaas. „Dat kost je een gulden ekstra."

Als Klaas even later naar huis fietst heeft hij het doosje en een paar vloeitjes in zijn zak. Over die drie gulden maakt hij zich geen zorgen. Z'n krantengeld is er goed voor en anders maakt hij zijn zus wat wijs. Die leent hem wel wat. Arie wordt anders steeds duurder. Roekeloos steekt hij een kruispunt over. Een hevig geschrokken automobilist roept hem wat na, maar Klaas hoort het niet. Hij lacht een vreemde giechelende lach.

„Vader, wat is hasj? "

In de gezellige huiskamer van de familie van Weelden zit Kees de krant te lezen. „Vader wat is hasj? " Meneer van Weelden kijkt zijn zoontje onderzoekend aan. „Hasj is een opwekkend, middel, je rookt het als sigaretten. Je wordt er vrolijk van. Alle moeilijkheden en zorgen lijken vergeten en verdwenen. Maar waarom vraag je dat? " „O er staat wat over in de krant. Is heroïne hetzelfde? " „Nee Kees, heroïne werkt verdovend. Je rookt het niet, je spuit het in een ader, zo komt het snel in je bloed. Maar of het nu hasj is of heroïne, het maakt je allebei geestelijk èn lichamelijk kapot, jongen. Bid God of Hij je wil bewaren, als je ooit in de verleiding zou worden gebracht ook eens zo'n sigaret te roken.

O ja, zit er bij jullie een jongen op school, die Baks heet? " Kees krijgt een kleur. „Die", stoot hij eruit, „die dat is een mispunt."

„Ilé, van Houten, zou je niet eens beginnen!"

Het is enkele maanden later. De jongens uit 2b van de Technische School zitten gebogen over hun proefwerken. De leraad houdt zijn klas onopvallend in de gaten. Kijk daar nou die Klaas van Houten er weer eens onverschillig bijzitten. Wat die de laatste vier, vijf weken mankeert! „Hé van Houten, zou je niet eens beginnen!"

Klaas schokt op. „Wat, wat zegt u? " „Of je niet eens zou beginnen", zegt de leraar geprikkeld. „Maar pas op, dat je je niet overwerkt, " voegt hij er sarkastisch aan toe. De klas gniffelt. Die Klaas, wat een sukkel is dat tegenwoordig. Hij ziet er uit! Zo mager als een lat en zo bleek, hij lijkt wel ziek. Klaas krabbelt een paar cijfers op z'n papier, maar zit even later weer te staren en te suffen. Als de tijd verstreken is en de proefwerken ingeleverd worden is zijn blaadje voor 'l grootste deel onbeschreven.

„Mag ik? "

„Volgende week is er een klasseavond bij Arie Baks, " kondigt Kees de dag na de proefwerken aan. Hij heeft wat moeite met het snijden, van zijn vlees en besteedt daar al zijn aandacht aan. Daarom ontgaat het hem, dat vader even zijn wenkbrauwen fronst bij het horen van de naam Baks. „Wat wil je daarmee zeggen Kees? "

„Och, ik zeg volgens Arie altijd overal nee tegen en nou wil ik vragen of ik er heen mag." Het blijft even stil, alleen het getik van de vorken en messen is te horen. „Wil je graag? " vraagt moeder. Kees haalt zijn schouders op. Hij weet het zelf niet goed. Het - zeurt nog na in zijn hoofd. „Jij zal wel niet mogen, jij zal wel weer nee zeggen, " had Arie getreiterd, „jij bent zo christelijk." Altijd heeft Arie wat. Toen hij bad voor zijn eten had die knul hem ook voor gek willen zetten. Maar gelukkig deden de meeste jongens het. Klaas natuurlijk ook. Maar die is zo veranderd. Het eerste jaar zijn ze altijd samen opgetrokken, maar sinds die snertvent bij hen in de klas is gekomen is alles anders geworden. Klaas bidt en dankt nu nooit meer bij 't eten.

„Droom je Kees? " komt plotseling moeders stem. „Hè, o nee, ik dacht zomaar ergens aan. Mag ik? "

Bedenk dat God je altijd ziet

„Even kijken, nummer 6, 8, 10. Hij is er bijna. Door het prachtige villapark fietst Kees van Weelden. Hij is op weg naar Arie. Nummer 14. Nog twee huizen. Allemensen wat een rijke buurt. Wat een kasteel van een huis! Woont Arie daar? Oei die dure Mercedes is zeker van z'n vader. Terwijl Kees zijn fiels op slot zet, komen de woorden, die vader sprak weer in zijn gedachten. „Je mag, Kees. Ik gun je best een leuke avond met je klasgenoten. Je hoeft echt niet overal nee tegen te zeggen. Maar bedenk, dat God je altijd ziet, jongen. En als er iets is wat niet door de beugel kan, zeg het eerlijk. Kom rond voor je mening uit." ,

Zo die staat op slot. Wat aarzelend loopt Kees op de brede voordeur toe.

„Dat is smerig, dat is spotten!"

„En van je hela, hola, houd er de moed maar in!" Stampend met hun voeten en zwaaiend met bier-en limonadeflesjes schreeuwen de jongens van klas 2b hun kelen schor. Twee zitten wat apart, ze zingen niet mee. 't Zijn Kees en Klaas. Kees zit met een ongelukkig gezicht in z'n lege glas te staren, Klaas hangt onderuit gezakt in een luie stoel en staaart nietsziend voor zich uit. Naast hem, op een klein tafeltje ligt een injectiespuitje. Geschrokken heeft Kees gezien wat Klaas deed. „Hasj rook je als sigaretten, " hoort hij vader weer zeggen, „heroïne spuit je in." Zijn hart bonkt. Daarom ziet Klaas er zo slecht uit, daarom is hij zo onverschillig geworden. Schuw kijkt Kees naar zijn klasgenoot. Een klein rood stipje op Klaas' onderarm laat zien waar de naald van het spuitje in zijn ader verdween. De andere jongens hebben het waarschijnlijk niet eens gezien. O, wat voelt hij zich ongelukkig. Zou hij weggaan? Het begin van de avond, was wel leuk. Arie heeft een aardige moeder. Ze kregen koffie met gebak en praatten wat over school. Na een uudtje gingen meneer en mevrouw Baks weg en toen begon het.

O, ze zijn uitgezongen. „Ik weet nog een goeie mop, " sehreeuwt Arie. „Eén voor jou Kees. ; t Gaat over een dominee!" Gniffelend vertelt Arie. Brullend van het lachen breken de jongens de boel bijna af. Dat was nog eens een goeie! Maar Kees is opgesprongen. Het hamert door zijn hoofd: „Weet dat de Heere alles ziet en hoort." Als 't gelach wat bedaard is, roept hij schor: „Dat is smerig, dat is spotten!" Het wordt ineens heel stil. De meesten moeten Kees gelijk geven. Het was spotten. Maar Arie lacht smalend. „Vrome vent, ga naar je moesje. Moet je weer nee zeggen. Jij bederft onze hele avond." Niemand houdt Kees tegen, als hij de kamer uitgaat. Niemand loopt met hem mee. Hij probeert Klaas mee te krijgen, maar die hoort of ziet niets. Op z'n lip bijtend en z'n tranen terugdringend trekt Kees de brede voordeur open. Het is al schemerig buiten. Als hij het slot van zijn fiets openmaakt, sluit hij even de ogen. „Dank U, dat ik durfde, " zegt hij zacht. „U hebt gemaakt, dat ik nee zei. Wilt U als 't U blieft zorgen, dat ik volhoud."

„Nou hebben we zekerheid"

De volgende morgen is Klaas niet op school. Hij is ziek. Kees kan zijn gedachten niet bij het werk houden. De jongens deden vanmorgen heel gewoon tegen hem. Alleen Arie deed alsof hij niet bestond. Gisteravond heeft hij alles verteld. Dat was geen klikken voelde hij. Vader keek heel ernstig. „Heb je echt gezien, dat Klaas spoot? " „Ja vader", had hij gezegd, „echt waar." Toen was vader opgestaan. Hij zei: „Nu hebben we zekerheid. Ik moet nog even naar het buro, ik ben zo terug."

„Van Weelden, " klinkt plots de stem van de leraar, „ga eens verder." Op goed geluk begint Kees te lezen.

„Nee, niet de grote wagen, jullie nemen de Daf"

In de ruime kamer van de hoofdinspekteur van politie zitten een tiental agenten. „Jullie weten het dus. Twee man in dat bouwvallige pakhuis op de kade, twee in die oude woonark, die al maanden in de haven ligt. Van Weelden en van der Schuit jullie houden de motorboot in de gaten, als hij vanuit zee de rivier opdraait. Hij heeft geen boordlichten op, maar je hoort hem wel en 't is bovendien helder weer. Je geeft het direkt door als je hem ziet.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1977

Daniel | 20 Pagina's

KEES HOUDT TOCH VOL!

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 juni 1977

Daniel | 20 Pagina's