JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

PASEN IN POËZIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PASEN IN POËZIE

10 minuten leestijd

Alle eeuwen door is er in de poëzie aandacht geschonken aan het feit der Op standing. Maar wat een verschillen in opvatting, zowel ten opzichte van de vorm a van de inhoud. Natuurlijk kunnen we deze verscheidenheid niet los zien van de tij van ontstaan. Zo stond de Middeleeuwer anders tegenover deze gebeurtenis dan c mens uit de tijd der Reformatie. De Twintigste-eeuwer denkt en spreekt anders da de dichter uit de Romantiek.

Maar één ding mogen we niet vergeten: De Kerk van alle eeuwen heeft de Opstandin als een geloofsstuk gezien, een dogma. En wel een zodanig belangrijk leerstuk, dï de zaligheid hiermee staat of valt. Geen wonder dan ook, dat de Christenen uit c beginperiode der Kerk elkaar op straat plachten te groeten met de woorden: D Heere is waarlijk opgestaan! Dat feit was voor hen in die tijd het allerbelangrijkst dat beheerste hun denken en doen in hun dagelijks leven.

Dit bijbels gegeven, dat onmisbaar is voor onze zaligheid, krijgt niet steeds in c poëzie die belangrijke plaats toegewezen. Er zijn, vooral in later tijd en ook in c onze, dichters die niet meer weten van een persoonlijk doorleefd getuigenis, waaru blijkt dat dit leerstuk onmisbaar is voor hun enige troost in leven en sterven. Z gaan niet verder dan een esthetisch verwoorde beschouwing in pantheïstische zii waarbij de Opstanding hoogstens gezien wordt als een cyclische gang van voortdi; rende vernieuwing en opstanding in het rijk der natuur. Vanzelfsprekend is het nic de bedoeling over het laatst genoemd aspekt verder nog iets te zeggen. Dat laat c ruimte van dit artikeltje niet toe.

Des te meer stellen wij belang in die gedichten die een zuiver schriftuurlijke vei tolking geven van het paasgebeuren. En dan kan het haast niet anders of het zuiver; vinden we de literaire verwoording daarvan in de' Zeventiende Eeuw. Verschillend dichters uit die tijd hebben het lijden (de passie), het sterven en de Opstanding a: thema's voor hun gedichten gekozen. Ik noem slechts Revius, Sluyter, Dullaert en D Decker. Binnen het kader van dit artikel acht ik het het beste één enkel gedicht we nader te bekijken. Deze methode lijkt me vruchtbaarder dan een uiteraard onvol ledig overzicht van wat er dienaangaande in onze letteren te vinden is. Uit de ruim keus die er is, neem ik een gedichtje van Revius. Je kunt het vinden in zijn bund< Overijsselsche Sanghen en Dichten, blz. 219.

Waarschijnlijk kenden de Joden de doop reeds voor het optreden van Johannes de Doper. De heidenen die tot het Jodendom overgingen, moesten de z.g. proselietendoop ondergaan. De doop van Johannes herinnerde ook aan de bij de Joden bekende ceremoniën, waarbij wassen met water een afbeelding was van geestelijke reiniging (Ps. 51 : 4; Jes. 1 : 16; Ez. 36 : 25-27; Zach. 13 : 1). Meestal wordt dan gesproken van stromend water (fontein bijv.). Dat Johannes in de Jordaan doopte zou hier op terug te voeren zijn: e Jordaan had snel stromend water: evend water.

Toen Johannes de komst van de Heere Jezus profeteerde en de mensen opwekte tot boetedoening om zich voor de komst van de Messias te reinigen, was het zijn gewoonte de mensen te dopen door hen onder te dompelen in het stromende water van de Jordaan. Dit was op zichzelf nog niet zoveel bijzonders, wel was het opvallend dat hij de Joden zelf deze doop van boetvaardigheid deed ondergaan. Voor de heidenen was het noodzakelijk het zondige verleden symbolisch af te wassen, maar voor de Joden zelf was dit krachtens hun geboorte overbodig, volgens de heersende mening. Vandaar dat de prediking van Johannes en zijn doop zo met wantrouwen' gevolgd werden door de leiders van het volk. In Matth. 28 : 19 geeft de Heere Jezus aan de discipelen de opdracht te dopen. Alle Christenen kennen dan ook de doop, behalve de Quakers, voor wie het innerlijk vuur de hoofdzaak is, en het Leger des Heils dat neutraal staat tegenover de doop.

In de eerste eeuwen van het Christendom werden vooral volwassenen gedoopt, die overgingen tot het Christendom. Dit was een doop door onderdompeling. Denk maar aan de geschiedenis van Filippus en de Kamerling.

In onze tijd wordt de doop door onderdompeling nog toegepast op de zendingsvelden, bij de Baptisten, de Pinkstergemeenten en de Jehovahgetuigen.

De eerste Christenen.

De eerste Christenen in de romeinse steden lieten zich meestal in een Baptisterium dopen. Dit waren privé-huisbaden in aparte gebouwtjes bij de huizen en villa's waarin de Romeinen woonden. Deze Baptisteria werden om een bron gebouwd, zodat steeds stromend water voorhanden was. In het midden of aan de rand van het bassin was de bron, die voor het „levende water" zorgde. Het latijnse woord voor bron is fons en hiervan is ons woord doopvont afgeleid.

Bij de onderdompeling werd men geheel ach-

terover gehouden, zodat men het gevoel kreeg te verdrinken, waarna het overeind komen ervaren werd als weer tot leven komen. Soms had volledige wassing plaats, soms werd de dopeling die in het water stond overgoten.

In Italië en Frankrijk werd het de gewoonte naast de kerken doophuizen te bouwen. Meestal was zo'n gebouw achthoekig en bedekt met een kleine koepel, waaronder een lamp brandde. De acht hoeken hadden een betekenis: zes hoeken voor de scheppingsdagen, een hoek voor de rustdag en een hoek voor de „nieuwe schepping". Zo'n doopkapel was vaak fantastisch versierd met allerlei symbolische voorstellingen van de „levensbron", zoals een vaas waaruit ranken omhoog krulden of een stromend water waaruit herten dronken (Ps. 42).

De doop wordt uitgebreid stelsel van plechtigheden.

De voorbereiding van degenen die gedoopt wilden worden (catechumenen) was intensief en duurde zeven weken. Het hoogtepunt was het afleggen van een korte belijdenis. De doop werd bij voorkeur bediend in de nacht van zaterdag op zondag (de nacht van de opstanding), of zelfs speciaal in de paasnacht, of in de periode tussen pasen en pinksteren. Er ging een tijd van vasten aan vooraf. Langzamerhand maakte de eenvoud van de doopbediening plaats voor een ingewikkeld geheel van ceremoniën.

De catechumenen, de mensen dus die de catechese, het godsdienstonderwijs ontvingen, werden tijdens het eerste deel van de plechtigheden opgenomen in de kerk door het afzweren van de duivel (exorcisme) en het ontvangen van het eerste kruisteken van de priester, waarna ze wat gezegend zout kregen toegediend. Dit zout was enerzijds het symbool van de reiniging die de doopleerling moest ondergaan, anderzijds een symbool van de wijsheid door het geloof geschonken. Dit alles ging gepaard met handoplegging. Door de priester werden de kandidaten aangeblazen om de duivel uit te blazen en de Heilige Geest in te blazen.

Tijdens het tweede deel van de plechtigheden werd de leerling gezalfd met gewijde olijfolie. Daarna vond de doop plaats. Het water werd eerst gewijd. Opnieuw werd de duivel afgezworen. Dit gebeurde met het gezicht naar het westen toe, waarbij beloofd werd d duivel en de wereld te verzaken. D plaats waar de zon onderging beschouw de men als de verblijfplaats van de dui vel. Met het gezicht naar het oosten toe de plaats waar de zon opkomt als beel van de verrijzenis van Christus, betuig de de dopeling tot drie maal toe zij: geloof. Drie maal werd hij onderge dompeld, of in latere eeuwen met wa ter overgoten. Daarna werd de dopelin gezalfd, met een kruisteken getekend e de handen opgelegd, waarna hem ee: wit kleed over de schouders werd ge legd. Met een brandende fakkel of kaar als symbool van het licht dat verrijzei zal, trok de dopeling naar de kerk, or daar als volwaardig lid de overig plechtigheden mee te vieren. Het witt kleed waarmee de dopelingen vroege werden bekleed, duidde op het nieuwe smetteloze leven, waarmee nu werd be gonnen; een leven als van een pasge boren kind. De witte doopjurk waarii kinderen nu nog wel ten doop wordei gehouden, is hiervan een overblijfsel Er werd gedoopt door onderdompeling Alleen bij gebrek aan water en bij zie ken werd besprenging toegepast. In d onderdompeling komt de symboliek vai de doop beter tot zijn recht. Langza merhand verdween het gebruik van d onderdompeling in verband met het toe nemen van de kinderdoop en het kli maat.

Doopgetuigen

Doopgetuigen komen in de Bijbel nie voor. In de eerste eeuwen ontstond d gewoonte dat een volwassen heiden di< gedoopt wilde worden en niet bij d< bisschop bekend was, iemand meebrach om te getuigen dat het de heiden erns was. Deze was dan ook verantwoorde lijk voor het onderwijs dat aan de doo] voorafging en moest toezicht houden O] de levenswandel van de dopeling.

Toen de volwassendoop tot de uitzon deringen begon te horen, veranderde di instelling van de doopgetuigen van ka rakter. De ouders of anderen traden al getuige op. Later mochten de ouders di niet meer doen, om het verschil tussei „vleselijke" en „geestelijke" opvoedin; aan te geven. Toen de doop een plech tigheid werd met veel getuigen die rij ke geschenken meebrachten, werd be paald dat er slechts een peetvader (pe ter) en een peetmoeder (meter) moch zijn. De Reformatie legde de verant woordelijkheid weer bij de ouders.

Doopnaam

De dopelingen kregen de eerste eeuwen > ij de doop een nieuwe naam, de doopiaam. Hierbij werd het de gewoonte de iamen van heiligen of bijbelse nanen te geven. De nieuwe naam symloliseerde het nieuwe leven dat te vachten stond in tegenstelling tot het iude leven, dat met de nieuwe naam verd afgelegd. In de noordelijke landen )leven de „heidense" namen tot in de Middeleeuwen in ere. In veel streken verd het tevens de gewoonte de nanen van de ouders aan de kinderen te ? even.

De Reformatie.

De doop werd steeds belangrijker ora-3at de kerk steeds meer ging leren, dat Je doop de genade inhoudt. De Refornatie keerde terug naar de eenvoud /an de Schrift. Calvijn meer dan Luher.

De doop bij de protestanten heeft meestal plaats tijdens de gewone ondagse cerkdienst. De verantwoordelijkheid wordt bij de ouders gelegd. Zij moeten n het midden van de gemeente antwoorden op de gestelde doopvragen. In de begintijd van de Reformatie was ie aanwezigheid van doopgetuigen nog algemeen gebruikelijk. Ze werden apart vermaand er op toe te zien dat het kind christelijk opgevoed werd. Soms was er een groot aantal getuigen aanwezig, die hiervoor met een geschenk of geld, de z.g. pillegift beloond werden (pille is een oud woord voor doopkindje). Indien men zijn „stand" wilde ophouden, kon men niet met een paar getuigen af. Kinderen van tien jaar of jonger traden soms als doopgetuigen op. Daarom werd in de 17e eeuw in Zeeland paal en perk gesteld aan deze gewoonte: er mochten niet meer dan vier getuigen zijn.

Het gebruik is langzamerhand verdwenen.

Tenslotte

In de loop der eeuwen zijn allerlei doopgebruiken gehanteerd geweest. Het gevaar van de symboliek van deze gebruiken was dat de betekenis die de Bijbel aan de doop geeft, uit het oog verloren werd, omdat bijkomstigheden op de voorgrond kwamen. We mogen dankbaar zijn dat na de Reformatie teruggegaan werd naar de eenvoud van de bijbelse doopbediening, die wijst op de echte betekenis van de doop.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1977

Daniel | 20 Pagina's

PASEN IN POËZIE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 april 1977

Daniel | 20 Pagina's