De leeuwerik in de lente
Ik zie je weer na 't wintertij, ik hoor je serenade, uitbundig en zo vrij en blij, tot roem van Gods genade. Tot God moet onze dank uitgaan voor 't lüonder van ons voortbestaan.
De ruime hemel is vol klank, die dringt tot ieders oren; vol vreugde en vervuld met dank, die ieder mens moet horen. God schenkt Zijn schepsels overvloed en overlaadt met kostbaar goed.
Wanneer wij stom daar henen gaan en wij aan God niet denken, dan laat jij ons vol schaamte staan, door zelf de lof te schenken. Jij gaat ons in de lofzang voor en wijst ons ook het hemels spoor.
Maar zelden daal je zachtjes neer, je lied is weggedreven Maar nieuwe kracht maakt dat je weer de hemel vult met leven, met glorie tot Gods grote Naam! O Heere, maak ook ons bekwaam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1977
Daniel | 20 Pagina's