JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DE „VLUCHT" VAN VICTOR WASSI

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE „VLUCHT" VAN VICTOR WASSI

9 minuten leestijd

Ver, heel ver van de bewoonde wereld ligt een dorpje. De huizen zijn van hout en allemaal eender gebouwd. Om het dorpje zijn — boven elkaar — tien rijen prikkeldraad gespannen. Buiten dat gemeen-uitziende draad ligt een aarden wal en op die wal staan op vier hoeken hoge houten torens. Er is maar één ingang, een ijzeren hek, waar aan weerszijden een wachthuisje staat. Wat een vreemd dorp, eendere huizen, prikkeldraad, uitkijktorens, een ijzeren hek. Er is trouwens nog iets wonderlijks aan dat dorpje. Er wonen alleen maar mannen en je kunt op geen enkele atlas de naam van dat plaatsje vinden. Het heeft niet eens een naam. Alleen maar een nummer, 666!

Hoe komen al die mannen hier?

In het onafzienbare bos van naaldbomen, berken en elzen, het bos, dat het kleine dorpje omringt, klinken bijlslagen. In grote groepen, bewaakt door soldaten, zijn honderden mannen aan het werk. Al die arbeiders zijn eender gekleed. Rubberlaarzen, een lange gewatteerde broek met daar overheen een dito jas. Eigenlijk zijn die mannen veel te dim gekleed. Er heerst een ijzige kou, het vriest zeker 35 graden. Maar door het harde werken in het beschutte bos hebben ze daar niet zoveel last van. Straks als hun dagtaak erop zit en ze naar huis teruggaan, voelen ze de felle noordooster dwars door hun kleding bijten. Ze zijn bezig grote bomen om te zagen en in stukken te hakken. Ieder heeft zijn taak en werk. Wee de man, die probeert te luilakken! Grimmige soldaten — het geweer in aanslag — zien streng toe. Zeg, wonen al die mannen soms in dat dorpje zonder naam? Zou het eigenlijk wel een dorpje zijn? Het lijkt meer op een kamp, een strafkamp, zoals er zoveel zijn in dat onmetelijk grote rijk, vele, vele honderden kilometers van ons land van daan. Maar hoe zijn die man nen dan hier gekomen? Trei nen rijden hier niet en auto' kunnen nooit zo ver komer Ja, grote sterke vrachtwagen misschien met sneeuwkettin gen om hun wielen.

Wat zou er vervoerd wordei in die lange trein?

Door de donkere nacht raas een lange goederentrein. li snelle vaart dendert hij naa het noorden. Alle steden, dor pen en gehuchtjes snelt hi voorbij. Nergens stopt da voortijlende monster, 't Lijk net alsof hij de plaatsen, waa hij langs rijdt schuwt. Zijn vu rige ogen doorpriemen de dich te duisternis en doen de tweijzeren staven waarop hi voortglijdt glinsteren. In he oosten gloort de dag al. 't I alsof hij nu nog meer vaar krijgt, alsof hij die dag ontlo pen wil. Even moet hij snel heid minderen, als hij een ho ge brug passeert. Even ver traagt hij zijn snelle gang al hij een groot station nadert waar tientallen lijnen elkaa kruisen. De remmen knarsei en piepen, de wielen ratelei over de vele wissels, maa dan dan is het alsof d< lange trein nog groter haas heeft dan daarnet. Gauw gauw voorbij de lantaarns, dii het perron verlichten. Vlug vlug langs die grote fabriel bij de spoorlijn. Snel, snel di< lage heuvel af, waarop tien tallen huizen staan. Vele ki lometers voorbij het grote sta tion stopt het stalen monster Op een zijspoor, verborgei tussen hoge bomen staat hi hijgend stil. Uit de voorste ei de achterste wagen springei soldaten, geweren in de hand Ze hollen elkaar tegemoet maar bij elke wagon blijven e steeds vier staan, het gewee in aanslag. Wat zou er ver voerd worden in die lang

rein? 't Moet wel iets heel bijzonders ijn óf iets heel gevaarlijks. Eén van lke vier soldaten doet de deur van en wagon open. Hij schreeuwt een ber el. Langzaam, alsof het grote moeite : ost springen er mannen naar buiten, sommigen moeten geholpen worden. ? wintig, dertig ja meer dan zestig man-Len komen er uit één wagon. Als er nienand meer naar buiten komt, gaat er en soldaat naar binnen. Soms roept r één wat. Dan moeten er twee manien de wagon inklimmen. Als ze dan veer naar buiten komen dragen ze iets. Dat iets is een mens! Iemand, die ; estorven is tijdens die lange treinreis, üijn naam wordt van een lijst gechrapt en het lichaam wordt onder de neeuw gestopt. In het bos krijgen de nannen brood en koffie. Ieder één > rood, daar moeten ze tot de volgende norgen mee doen. Waar moeten al die nannen heen?

langend aan een ketting.

Nog twee nachten dendert de trein Joor het land. Elke morgen, voor het icht wordt stopt hij op een zijspoor, > m 's nachts weer verder te snellen, het »nbekende tegemoet. Na die twee nacnen houdt de spoorlijn op. De mannen noeten nu op sterke vrachtwagens dimmen. Er wordt overdag gereisd. In ieze streken woont niemand, hier ligjen geen steden en dorpen. Hier vind e geen fabrieken. Af en toe staat er : en verlaten vissershut. Dagenlang trekcen de grote wagens hun sporen door le sneeuw. Dan komt de eerste storm. r luitend giert de wind door de takken ; n jaagt de vlokken in grote hopen op. \ls de storm is uitgewoed ligt er zoveel sneeuw, dat de vrachtauto's niet eerder kunnen, tenminste niet met zo'n : ware belasting. De mannen moeten... open. Achter elke vrachtwagen haken le soldaten een lange ketting. Twee bij twee worden d.e mannen er ian vastgeklonken. Dan zet de auto ian en zo worden de laatste vijftig kiometer afgelegd, hangend aan een zwa-•e ketting. Zo komen al die mannen )p de plaats van hun bestemming. Zo bereikten ze kamp 666. Zo komt ook 7ictor Wassi, veroordeeld tot levenslange dwangarbeid in dat dorpje omringd loor prikkeldraad.

, Dank U Heere"

In barak A is het stil geworden. De vierkante ijzeren kachel staat roodgloeiend. Af en toe licht het donker in de barak even op, als iemand een handvol houtblokken op het vuur gooit. Tegen de beide lange zijden van het rechthoekige houten gebouw staan — steeds 3 boven elkaar — acht kribben. Eenvoudige houten geraamten, de bodem opgevuld met mos. In 't midden staat de kachel, links en rechts daarvan een lage bank. Een flauwe lichtkring tegen het plafond is het enige schijnsel in de donkere barak. Lezen kun je hier niet. Als de dagtaak voorbij is, het laatste brood opgegeten is, begint de lange avond. Er is in dit kamp zover van de bewoonde wereld geen elektriciteit. De meeste mannen gaan op hun krib liggen, doodmoe van het zwoegen in het bos. Anderen praten nog wat op de banken bij de kachel. Praten over hoe het was, toen ze nog in vrijheid leefden, praten over vader en moeder, over de kinderen, over hun vrouw, hun werk. Bijna iedereen uit barak A heeft 25 jaar gekregen, een enkele 30. Eén is er, die levenslang kreeg. Hij ligt al op bed, de handen onder het hoofd. Die handen heeft hij eerst gevouwen en stil heeft hij zijn God gedankt, Die hem ook deze dag weer spaarde. Wat? ! Levenslang in dit naargeestige oord en dan de Heere danken? Wie is die man? Wat heeft hij gedaan om zijn leven lang dwangarbeid te moeten verrichten? De hele dag sloven en zwoegen en als loon twee maal een kom slappe koffie en een kop waterige soep? Van vroeg tot laat hard werken voor 1 kilo brood per dag? Niemand van al die honderden gevangenen in kamp 666 heeft levenslang. Alleen de man, die daar zo rustig op zijn krib ligt, de handen gevouwen onder het hoofd, Victor Wassi, onverhoeds gevangen genomen in een .donkere, stille nacht.

Ja, 't ligt er nog

Stil ligt Victor naar de lichtkring op het plafond te kijken. Onder en naast hem hoort hij de ademhaling van zijn medegevangenen. Soms praat er één hardop in zijn slaap. Hij kan vanavond niet goed in slaap komen. Heel die barre tocht in de trein, op de vrachtwagen en aan die vreselijke ketting speelt weer door zijn hoofd. Hij beleeft weer de nacht, waarin hij gearresteerd werd. 't Ging zo snel, zo geruisloos. Zijn kinderen hebben niets gemerkt. Afscheid nemen van zijn vrouw? 't Werd hem

niet toegestaan. Alleen maar een handdruk, toen ze hem zijn jas aangaf, zijn jas en Victors hand voelt onder zijn kussen van mos. Ja, 't ligt er nog. Dat hebben ze niet gevonden. Door een wonder heeft hij het verborgen kunnen houden, ook tijdens het verhoor. Het zweet breekt hem uit, als hij daaraan denkt. O, die verhoren, die eindeloze vragen, die onrechtvaardige behandelingen, die beledigingen, die slagen! „Geef toch toe man, zeg dat je Hem niet kent", drong die stem vanbinnen. „Waartoe al die ellende, al die pijn, al die moeite. Denk toch aan je vrouw en je kinderen. Waar blijft nou jouw God? Bestaat Hij eigenlijk wel. Als je Zijn kind bent, zoals je beweert, zou Hij toch nooit toelaten, dat je zo moet lijden." Victors handen ballen zich tot vuisten, 't Is of hij alles weer opnieuw beleeft. Bijna, bijna had hij toegegeven, hij kon niet meer. Bijna, bijna had hij geknikt: „Houd maar op, ik ken Hem niet, ik wil niets meer met Hem te maken hebben." Maar de Heere had hem staande gehouden, Hij had hem wonderlijk gesterkt met de woorden: „Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten, waarhenen ge ook gaat." Praten kon hij niet. Zijn tanden waren hem uitgeslagen. Hij kon alleen maar „nee" schudden. Nee, nooit zal ik mijl Meester verloochenen. Levenslang ha< hij gekregen. En nu is hij hier, een won der. Langzaam voelt hij zijn verlorei krachten weer terugkeren. Het wer] in het bos is zwaar, maar de klare bui tenlucht doet hem goed. De tabak, di ze elke week krijgen ruilt hij voo brood. Soms ook voor een stuk bon om in zijn laarzen of onder zijn jas t dragen. Waarom eigenlijk mocht hij hie in kamp 666 terecht komen? Een kam] waar alleen maar politieke gevangenei zijn? Waarom is hij niet naar die af schuwelijke ertsmijnen gestuurd of naa de moerassen, waar een mens lang zaam vergiftigd wordt?

Weer gaat zijn hand onder het kus sen. Ja 't ligt er nog. 't Is met hen meegereisd heel die barre, bange tocht Zou hij het wagen? Zou hij er ove: spreken met zijn medegevangenen? Zoi hij 't hun vertellen, dat hij iets kost' baars onder zijn kussen verstopt heeft' Iets, dat meer waard is dan goud er zilver, ja dan alle schatten ter wereld' Zou hij vragen of hij er hun eens iet; uit voor mag lezen bij het licht van he open deurtje van de kachel.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1977

Daniel | 20 Pagina's

DE „VLUCHT" VAN VICTOR WASSI

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 maart 1977

Daniel | 20 Pagina's