EEN DIER KAN DUIZENDMAAL STERVEN
Protesten tegen de bio-industrie geschreven door Hans Bouma.
Uitg. J. H. Kok, Kampen, Paperback, prijs ƒ 5, 90.
Het is een open deur intrappen, wanneer we stellen dat onze tijd in alle opzichten vertechniseerd is. Dat geldt zelfs voor de landbouw en de veeteelt. Ook de boer bezit een indrukwekkend machinepark — alleen of in kombinatie met anderen — om het proces van zaaien tot oogsten te doen plaatsvinden. „Boeren" is een ingewikkelde zaak geworden.
Voor de veehouder liggen de zaken wat anders. Ook voor hem is „efficiency" een eerste vereiste. Een bijna alles omvattende mechanisatie is daarvan het gevolg. De schildering van de 18e eeuwse dichter Poot — die zelf boer was — ligt wel ver achter ons:
„Hoe genoeglijk rolt het leven Des gerusten landmans heen Als de lente 't land beschildert, Als de zomer zweet en gloeit Ploegt en spit hij onvermoeit, Als de winter 't wout verwildert Houdt hij den berookten haert Met zijn vrienden, ront van aert.”
Het boerenbedrijf heeft onherroepelijk de herinnering aan de „welige akkers, groene bomen, malsche weiden, dartel vee" verloren. Het vee dartelt niet meer. Veehouderij is bio-industrie geworden, een beetje eleganter: intensieve veehouderij. De legbatterij, de kalverbox symbolen van moderne agrarische bedrijfsvoering.
zo begint het en zo eindigt het geen gras geen zon geen vrijheid levenslang opgesloten binnen 4 wanden geen andere wereld dan deze een doodkist een dier leeft hier en nu iedere dagis de eerste een geboorte of de laatste een dier kan duizendmaal sterven
Het is natuurlijk een uitermate triest gezicht, een kip de gehele dag in haar leghok te zien zitten met een lopende band vóór zich waarop het voedsel zich bevindt en een lopende band achter zich waarop de eieren terecht komen. Natuurlijk heb-
ben we medelijden met het kalf dat zijn schijnbestaan tot de slacht rekt in een box, waarin het geen kans krijgt zich te verroeren. Maar dat medelijden is menselijk en we moeten onze gevoelens niet op het dier projekteren. Zo verdedigt men de bio-industrie. Dit is natuurlijk waar tot op zekere hoogte. Protesteren alléén op emotionele gronden heeft weinig basis.
Grondig onderzoek heeft echter uitgewezen dat het dier tegen de moderne „aanpak" en behandeling ook werkelijk niet is opgewassen. Het kan zich onmogelijk aanpassen aan z'n veel te kleine omgeving. Afwijkingen in het normale gedragspatroon van het dier zijn daarvan het gevolg.
In onze kring verzet de S.G.P. zich al sinds jaar en dag tegen een ongelimiteerd gebruik maken van vivisektie. Dat we daar tegen protesteerden was een goede zaak. In de zelfde lijn zou het liggen als onder ons een bezinning op gang kwam t.a.v. onze houding jegens het dier. Te denken valt hier met name aan onze jeugdverenigingen ten plattelande. Door de Ned. Vereniging tot Bescherming van Dieren is een „Studiekommissie Intensieve Veehouderij" ingesteld, welke reeds rapporten deed verschijnen. In 1975 kwam de Nationale Raad voor Landbouwkundig Onderzoek met een rapport „Veehouderij-Welzijn Boeren". De Nederlandse Christelijke Boerenen Tuindersbond riep een „Kommissie Ethische Aspekten Veredelingslandbouw" in het leven, door welke reeds een eindverslag werd uitgebracht. Er is dus recent materiaal waarmee iets te doen valt.
Nu kunnen we o zo gemakkelijk een oordeel vellen. We zullen begrip moeten opbrengen voor de vaak moeilijke financiële omstandigheden waarmee ook het boerenbedrijf te kampen heeft. Een ekonomische bedrijfsvoering is daarom noodzakelijk. Maar toch hier zit iets fout en hier moet iets veranderen. Wat heeft ook in onze verhouding tegenover de dieren de zonde doorgewerkt. Hoe zuiver was ook die verhouding voor onze droevige val in zonden.
„Want als de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zo bracht Hij ze tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zo als Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn. Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds." (Gen. 2 vs. 19-20) Hans Bouma geeft in zijn boekje „Een dier kan duizendmaal sterven" een protest tegen de bio-industrie. Het bestaat uit een foto op de linkerpagina met een daarbij passende tekst — een gedicht, een oproep, een schreeuw — op de rechterpagina.
Van Bouma — als gereformeerd predikant — hadden we op z'n minst een bijbelser instelling verwacht tegenover dit probleem. Hij protesteert hevig genoeg, vaak ook bewogen, maar betrekt daarin niet de bijbelse werkelijkheden van zondeval en menselijke ongerechtigheid. Kort gezegd: protesteren op deze wijze is te oppervlakkig-menselijk, te humanistisch geladen. Daardoor mis ik de laatste ernst in dit boekje, al zijn de foto's vlijmscherp in een dubbele zin van het woord en al zijn de teksten bewogen genoeg.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1977
Daniel | 24 Pagina's