staatsbosbeheer
Jullie hebben vast wel eens van het Staatsbosbeheer gehoord, in ieder geval wel eens deze naam ergens gelezen. „Natuurlijk" zeg je, op een bordje in 't bos, hoe kan het ook anders, de naam zegt het al: Staatsbosbeheer!
Het Staatsbosbeheer (afgekort S.B.B.) werd in 1899 ingesteld als overheidsdienst. Deze dienst kocht met rijksgelden niet alleen bossen, zoals het Mastbos bij Breda, maar ook duinen (b.v. op Texel) en stuifzanden (Kootwijk).
Behalve het beheer van bos, natuur en landschap houdt het S.B.B. zich nu ook bezig met rekreatie, wegenbouw en voorlichting.
Waarom is het Staatsbosbeheer opgericht?
Bomen en bossen zijn heel belangrijk voor de mensen. De mens is eigenlijk al vanouds een bewoner van het boomrijke landschap tussen bos en water. Hij had de bomen nodig voor bouw-en brandhout, water was van levensbelang. Bovendien was er de mogelijkheid van jagen en vissen.
Maar wat gebeurde er? Als de mensen ergens bleven wonen, moesten geleidelijk de bossen voor de akkers en weiden wijken. En dan te begrijpen dat de Romeinen omstreeks het begin van de jaartelling ons land leerden kennen als een land van bos, moeras en water. Er zijn nog veel plaatsen, die herinneren aan vroegere bosrijkdom, denk maar aan de aardrijkskundige namen, die eindigen op bos, loo of wold. De naam Holland is zelfs ontstaan uit holtland (houtland).
Nederland werd langzaam ontgonnen, er ontstonden toen wel mooie half-natuurlijke landschappen: moeras-en plassengebieden (door veenafgravingen), heidevelden en zandverstuivingen. Het veranderen van de oorspronkelijke plantengroei door ingrijpen van de mens is eigenlijk al een verarming van de natuur.
In het westen van ons land is de ontbossing veel eerder en sneller gegaan dan in de andere delen. Dat kwam omdat in het westen de eerste bloeiende handelssteden ontstonden en steeds meer mensen bij de mondingen van de rivieren kwamen wonen. De bewoners van Nederland hebben gedurende vele eeuwen hun woonen werkgebied op het bos veroverd. Men gebruikte de bossen naar behoefte, aan onderhoud werd echter niet veel gedaan. Omstreeks 1830 had Nederland nog maar 170.000 ha bos, nauwelijks 5% van zijn oppervlakte. Deze bossen groeiden alleen nog maar op de armere zandgronden. Door verwaarlozing waren ze van slechte kwaliteit. Het bos was voornamelijk in handen van de marken of maalschappen; dit waren groepen van mensen, die samen bos bezaten en de produkten daarvan, o.a. hout en strooisel, voor zichzelf mochten gebruiken.
Ook de Staat had enkele bossen in bezit. Sommige prachtige buitenplaatsen waren eigendom van partikulieren. Geleidelijk begonnen partikulieren zich meer voor het bos te interesseren. Veel woeste grond en heide werd in de loop der jaren door hen bebost, vooral ook om er in te kunnen jagen. De Nederlandsche Heidemaatschappij gaf voorlichting bij de bebossingen.
De overheid zag tenslotte in, dat zij niet langer werkeloos mocht toezien en dat het van het grootste belang was, dat bestaande bossen goed werden onderhouden en dat er meer bos werd aangelegd: Het Staatsbosbeheer werd opgericht. Nu bezit Nederland ongeveer 286.000 ha bos, dat is 8, 6% van het totale oppervlakte land. Het S.B.B. bezit hiervan 50.600 ha.
Wat doet het Staatsbosbeheer?
Behalve het beheer van eigen bossen, bemoeit het Staatsbosbeheer zich ook met niet-staatsbossen, ze kontroleert dan o.a. of de Boswet wel nageleefd wordt, je mag b.v. niet zo maar wegkappen. De staat geeft zelfs geld aan grondeigenaren als ze een nieuw bos willen aanleggen. Het S.B.B. heeft ook steeds toezicht op de bossen van de gemeenten.
De bossen van het S.B.B. worden zowel voor de houtwinning als de rekreatie ge-
bruikt. Bij sommige betere bossen legt men de nadruk op de houtopbrengst, bij andere weer meer op de rekreatie.
Toen er steeds meer wegen aangelegd moesten worden, ging het S.B.B. (in kontakt met de Rijkswaterstaat) zich ook bezig houden met aanleg en onderhoud van wegbeplanting. Eigenlijk begon hiermee de landschapsverzorging van het S.B.B. In het begin beperkte de landschapsverzorging zich tot de zorg voor kleine stukjes groen als weg-en erfbeplanting. Het landschap werd echter steeds meer aangetast, vooral door de mechanisatie; de landschapsuerzorgingf ontwikkelde zich tot landschapsbouw? (bouwen met groen). Zo worden b.v. parkgebieden aangelegd tussen de stedelijke bebouwingen.
De parkgebieden en het overgrote deel van de bossen en andere natuurreservaten zijn vrij toegankelijk. Bovendien wordt er naar gestreefd de weg naar en in de gebieden duidelijk aan te geven en passende voorzieningen te treffen voor de bezoekers, zoals kaarten van de belangrijkste bosgebieden, toeristische wegen, fiets-, wandel-en ruiterpaden, picknickplaatsen en kampeerterreinen.
In sommige gebieden heeft het Staatsbosbeheer een speciale toeristische attraktie: de bezoekerscentra. In deze voorzieningen wordt voorlichting gegeven over het betreffende gebied, zoals de geschiedenis, planten en dieren. Vanuit het bezoekerscentrum worden vaak excursies geleid, die langs de mooiste plekjes van de natuurgebieden voeren.
Natuurreservaat
Als je in de auto over de grote vierbaanswegen rijdt, kom je onder verscheidene viadukten door. 't Is je zeker wel eens opgevallen, dat er vaak een naam op staat. Meestal heeft deze naam betrekking op het gebied waar de weg door heen leidt. Op een van de laatste viadukten van de E-8 (de weg die Twente met West-Nederland verbindt) staat: De Borkeld. Dit natuurgebied tussen Holten en Rijssen is zeker de moeite waard eens te bezoeken. Het is een van de natuurreservaten die onder toezicht staat van het Staatsbosbeheer. Ook hier treffen we een bezoekerscentrum aan. Als je ooit eens vaker een bezoekerscentrum van het S.B.B. bezocht heb, zal „De Borkeld" je misschien tegenvallen. Het wil dan ook niet de naam hebben een officieel bezoekerscentrum te zijn.
Er kwamen in deze streek steeds meer toeristen hun vakantie doorbrengen, de mensen van het S.B.B. die in dit gebied hun werkterrein hebben, zagen de noodzaak in de vakantiegangers en natuurlijk ook andere belangstellenden iets meer in te lichten over dit prachtige natuurterrein. Zo is dan op hun initiatief dit voorlichtingscentrum ontstaan. Je ziet wel dat de bouw van de kapschuur (toilet) en het bezoekerscentrum zelf (boerderij) heel goed in dit Twentse landschap passen. Van hier starten enkele mooie wandelroutes, die heel duidelijk met gekleurde paaltjes zijn aangegeven.
Het is een zeer afwisselend gebied; midden tussen bospercelen tref je een weiland, aardappelland of maisveld aan. Vooral de weilanden zijn geliefkoosde plekjes voor de talrijke reeën, die hier voorkomen. Ook prachtige vergezichten over heidevelden behoren niet tot de uitzonderingen. Het gejoel van de wulp over deze stille heiden zal je vast onder de indruk brengen van Gods prachtige schepping. Hoe de bossen bijna
verdwenen en zich later mede dankzij het S.B.B. weer uitbreidden, heb je in het voorgaande al kunnen lezen. Over het ontstaan en onderhoud van de heide vertel ik je nu iets.
De heide
De heide is een half-natuurlijk landschap, dat wil zeggen, dat zonder toedoen van de mens en zijn vee geen uitgestrekt heideveld kan blijven bestaan.
Als we de natuur haar gang laten gaan, zullen al na enkele jaren bomen op de heide gaan groeien. Binnen 20 jaar kan een heideveld totaal verdwenen zijn en weer veranderen in een eiken-berkenbos.
Hoe zijn dan die eindeloze heidevelden, die we vroeger nog overal in oost Nederland aantroffen, ontstaan? De eerste bewoners, die van vissen en jagen leefden, gingen al spoedig vee houden, vooral varkens en schapen. Dit vee at al het jonge groen in de bossen op, zodat tussen de oude bomen zich geen nieuwe konden vestigen. De oude bomen gingen dood vanwege ouderdom of vielen om door stormwinden. Het bos veranderde in een kaal gebied. Op deze onvruchtbare grond vestigde struikhei en bepaalde grassoorten en andere planten, maar deze kunnen er tegen. Ook gingen deze mensen aan-akkerbouw doen, men verbrandde of kapte een stuk bos, de grond werd oppervlakkig bewerkt. Omdat deze akkers nooit werden bemest, werden de opbrengsten elk jaar minder. Een nieuw stuk bos werd in gebruik genomen en zo ging dat steeds door.
Toen bijna al het bos verdwenen was, moesten de boeren de akkers bij hun dorpen wel gaan bemesten om een redelijke opbrengst te kunnen krijgen. Zo zijn de essen bij de dorpen ontstaan. Vaak lagen de dorpjes in de buurt van een riviertje. Langs deze beekjes lagen de graslanden. In deze gemeenschappelijke graslanden graasden de koeien van de dorpelingen. Door regelmatige overstroming, waarna een dun laagje slib achterbleef, was bemesting niet nodig, 's Avonds werden de koeien naar de stal gebracht om mest te leveren voor de es. Ook de mest van de schapen, die 's avonds onder de hoede van de scheper thuis kwamen, werd zorgvuldig bewaard. Zonder stalmest was geen akkerbouw mogelijk. De heide kon niet worden ontgonnen door gebrek aan stalmest. Om de hoeveelheid mest te vergroten werden heideplaggen gestoken en in de potstallen gegooid. Op de afgeplagde stukken grond vestigde zich weer nieuwe heide. Vele eeuwen bleef deze toestand bestaan. Totdat de kunstmest zijn intrede deed. Vanaf die tijd zijn de grote ontginningen begonnen. Men was niet meer alleen afhankelijk van stalmest. Stadsvuil werd verwerkt tot kompost en samen met de kunstmest was bemesting van de ontgonnen heide mogelijk. De wol van de langstaartige heideschapen werd vervangen door de betere wol van buitenlandse rassen. Met de heide verdwenen de heideschapen.
Aan de ontginning van de hei is nu een eind gekomen, omdat er niets meer valt te ontginnen en omdat we zuinig moeten zijn op de schamele restanten hei, die er nog overgebleven zijn. Het is echter niet zo gemakkelijk om een heidereservaat in zijn oorspronkelijke toestand te bewaren, omdat zonder schapen zich snel weer bomen gaan vestigen en de heide verdwijnt. Ook het regelmatig kappen van bomen is niet voldoende omdat een heidestruik niet veel ouder wordt dan 20-25 jaar. Onder de hoge heidestruiken kunnen zich geen jonge heideplantjes vestigen. Ook heeft vooral de oudere heide veel te lijden van het heidehaantje, een kevertje dat de heide afvreet.
Dus als we een heidereservaat in stand willen houden, moeten we er voor zorgen, dat de heide zich steeds weer kan verjongen en dat de oude heidestruiken verdwijnen. Met schapen houden en plaggensteken is geen geld meer te verdienen. Een goede methode is het op verantwoorde manier afbranden van de oude heidestruiken. Het best gebeurt dit in het vroege voorjaar als de ondergrond kletsnat is en de wortels en zaadjes in de grond niet verbranden. Ook zijn in deze tijd de heidevogels, zoals korhoen, wulp, kievit, leeuwerik enz. nog niet aan het nestelen. Al spoedig is de zwartgeblakerde grond in een mooi jong heideveld veranderd. De schapen die hier en daar nog op de hei worden gehouden, hebben alleen toeristische betekenis. Ook bij het instand houden van onze heide doet het Staatsbosbeheer zeer veel goed werk.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1977
Daniel | 24 Pagina's