JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

EEN ANGSTIG AVOMTUUR

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN ANGSTIG AVOMTUUR

4 minuten leestijd

(slot)

Het gevecht.

Met woest geweld schiet de eenzame walrus op de Eskimoboot af. Ningiok, die zijn geweer verwisseld heeft voor de harpoen, haalt uit. Op het moment, dat de grote speer wegsuist, duikt de walrus plotseling onder en drijft zijn schuinstaande slagtanden in de bodem van de boot. Hij scheurt het overtrek van kariboehuid van voor tot achter open en versplintert het houtwerk. In dolle woede blijft hij aan het scheuren en vernielen tot er niets meer van de boot over is dan flarden huid en stukken hout, die langzaam naar de bodem van de zee zinken. Nog is hij niet uitgewoed. Hij duikt op en speurt met zijn goede oog rond, op zoek naar de drie mannen. Twee hebben zich op het ijs gehesen en helpen de derde man, die op zijn buik over de rand van de schots hangt. Er is geen tien meter water tussen de gewonde walrus en zijn slachtoffers. Met alle kracht, die nog in hem over is zet de eenzame walrus de aanval in. Maar vreemd, het suist zo in zijn kop en hij is zo moe, zo vreselijk moe. Toch probeert hij nog onder de ijsschots te komen, waar de drie mannen hulpeloos op ronddrijven. Hij zal dat blok omstoten en met de mannen doen wat hij met de boot heeft gedaan. Voor hij de schots bereikt zakt zijn grote kop langzaam voorover, de boog van zijn machtige rug komt boven water. Dan zinkt hij omlaag, de donkere diepte van de oceaan in.

„Alliak kom eens kijken!”

Door de mist heen klinkt luid vogelgeroep. Ondanks die dikke nevel, die nu al twee dagen boven de toendra hangt, zijn de vogels nog even bedrijvig, de meeste jonge vogeltjes hebben hun dons al verwisseld voor een verenpak. De ouders hebben geen enkele moeite hun kroost in de dichte mist te vinden, maar Aakraa en Alliak durven niet ver weg te gaan. Het strand is niet te zien, ze durven alleen naar de kreek te lopen en dan weer terug. Het net zit vol vis, maar ze kunnen er niet bij. Samen hebben ze geprobeerd het op de kant te trekken, maar de steen, waarmee het verste eind is vastgezet is veel te zwaar voor hen. Het laatste meel is op en er zijn nog twee blikjes melk. De honden zijn rusteloos en doen niet anders dan janken. De wind blaast nog steeds uit zee. „Ik ga naar de kreek, Alliak. Misschien zijn er forellen. Ik zal ook wilgeblaadjes meebrengen." Dapper gaat Aakraa op pad. De wind is wat sterker geworden. „Als vader op het ijs is blaast de wind hem vast naar het strand, " denkt Aakraa, terwijl ze zich bukt en een kleine forel probeert te vangen. Even later loopt ze, wat huiverend om de koude wind, weer naar de tent. Drie forellen heeft ze gevangen. Drie maar. Op het kleine ijzeren kacheltje liggen ze al gauw te sissen en te spetteren. Aakraa heeft eerst een beetje zeehondenolie in de pan gedaan. Het hertje krijgt een schoteltje melk, waarin Alliak wat wilgeblaadjes heeft gesneden. Plotseling weerklinkt een doffe dreun, een kort geblaf en een geluid van wegrennende poten. Na een heel lange tijd durft Aakraa te gaan kijken. Vlakbij de tent ligt een dode kariboe, een hinde. De moeder van het hertje, die steeds in de buurt van het kamp is gebleven en door de grote witte wolf is gedood. Deze heeft de lekkerste hapjes genomen en is toen weggehold. Veel honger kan hij niet gehad hebben, anders was hij nooit van zijn prooi vandaan gegaan. „Alliak, kom eens kijken!" Aakraa gaat meteen een mes zoeken. „Misschien hebben we nu wel eten voor de hele winter.”

„Ik heb het Hem gevraagd”.

Als Aakraa met een mes in de hand de tent uitkomt, blijft ze verschrikt staan. Er strompelen drie mannen uit de mist te voorschijn. Eén van hen steekt zijn armen uit, maar als hij vlak bij de tent is zakt hij op de grond. „Apa, Apa!" Aakraa haalt een kopje melk, dat Ningiok gulzig uitdrinkt. „Apa, " vraagt Alliak dringend. „Waar ben je zo lang geweest? " „Op het ijs, een walrus viel ons aan en maakte de boot kapot. De wind blies ons deze kant op." Nu pas ziet hij de dode kariboe. Zijn ogen worden groot van verbazing. „Aakraa, Alliak, jullie zijn nog eens jagers, jullie hebben ons gered." Even blijft het stil, dan klinkt Aakraa s helder stemmetje: „Nee, Apa, dat heeft de Heere Jezus gedaan. Ik heb het Hem gevraagd.”

(Vrij verteld naar „Bevrozen Zomers”)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1977

Daniel | 24 Pagina's

EEN ANGSTIG AVOMTUUR

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 maart 1977

Daniel | 24 Pagina's