EEN ANGSTIG AVONTUUR
Over het open water, waarin grote ijsschotsen drijven, vaart een boot. Rustig hakkepuft de buitenboordmotor. De zon doet het water glinsteren en de golfstroom duwt de ijsschoten allemaal dezelfde richting uit, naar de blinkende rand aan de verre horizon. In de boot, die gemaakt is van kariboehuid zitten drie mannen en twee kinderen, een meisje en een jongetje. Ze hebben hun parka's uitgetrokken en laten de zon koesterend op hun blote armen en hals schijnen. Vier honden, vastgebonden aan sterke riemen houden de mannen en kinderen gezelschap. Een volle week zijn ze op weg. Ze hebben hun hut in Barrow gesloten en varen nu al die tijd langs de kust naar het zuiden van de IJskaap. Daar aan de rand van de wijde toendra zullen ze hun tent opzetten. Van daaruit zullen ze straks op jacht gaan. Op jacht naar walrussen. De drie mannen in de grote oemiak kijken naar de voorraden in de boot. Jerrycans vol benzine voor de buitenboordmotor, kampeerspullen, zakken meel, een baal suiker, blikken koffie en thee, geweren en de harpoen. Nog twee dagen, dan zullen ze de oemiak op het strand trekken, het grote net uitzetten en de tent spannen. De reis is tot nu toe gunstig verlopen. Overal open vaargeulen, een regelmatig draaiende motor en bijna windstil weer. En boven dat alles een stralende lentezon. Het belooft een goede expeditie te worden. Ah en als de jacht meezit, zullen ze over enkele weken thuiskomen met een boot vol walrusvlees. Misschien treffen ze wel een kudde rendieren. Rustig puft de motor en stuwt de oemiak over het glinsterende water. En ver weg, even boven de horizon blikkert de ijsblink. Daar is het altijd winter.
De toendra.
Vrolijk straalt de zon aan de heldere hemel. Sinds twee maanden is ze niet meer onder de horizon geweest, maar wandelt als een gouden bal langs de blauwe hemel. Ze verlicht en ver-warmt al die weken de wondermooie poolwereld. Ze doet de ijsschotsen glinsteren en het open zeewater blikkeren. Ze heeft de witte toendra helder groen gemaakt en duizenden fel gekleurde bloempjes uit het mos getoverd. Ze laat de vogels zingen zonder ophouden nacht en dag, dag en nacht. Daar op die wijde, onafzienbare vlakte, met hier en daar een bosje wilgehout is de lente gekomen. Daar haast zich alles om te zingen en te bloeien voor de lente en de korte zomer voorbij zullen zijn. Daar broeden de honderden, nee duizenden vogels. Sterntjes, meeuwen, pluvieren, eenden en ganzen. En op die wijde vlakte, langs de rand van het gele strand lopen twee kinderen. „Alliak, kom!" roept het meisje. „Kijk eens wat een eieren!”
De eenzame walrus.
De eenzame walrus. Op een groot ijsblok, dat door de golfstroom wordt meegevoerd, ligt een enorme walrus. Hij ligt op z'n rug en zijn scherpe slagtanden, bijna net zo wit als het blok ijs, wijzen schuin omhoog naar de stralende zon. De walrus slaapt, hij slaapt al uren. Dagenlang heeft het gestormd en hij moest wel wakker blijven, wilde hij niet door de schotsen, die door de storm tegen en op elkaar werden gesmeten, verpletterd worden. De loeiende winden zijn bedaard, de zon is door de loodgrijze lucht heen gebroken en strooit haar verwarmende stralen over die bizarre ijswereld uit. Overal is open water en steeds verder trekt het ijs terug, tot het zich verzamelt en net als de blikkerende ijsblink boven de horizon verteit, dat daar de winter nog oppermachtig is. De eenzame walrus is op zijn ijzig schip wakker geworden. Lui kijkt hij door zijn stijve snorharen heen naar de felblauwe lucht. Hij voelt de warme zonnestralen op zijn buik en blijft genietend nog
wat liggen. Hoog over hem heen trekt een lange golvende rij eidereenden het zuiden in. Het gezicht van die grote troep vogels brengt de walrus in beweging. Hij rolt zijn geweldige lichaam ZOVCÏ om, dat hij op zijn zij ligt, en steekt zijn kop omhoog. Overal om hem heen open vaargeulen. Zijn maag schreeuwt om voedsel. Daar móéten zeehonden zijn. Eerst eten voor hij naar het oosten trekt. Een lange, moeilijke tocht ligt voor hem. Hij is al oud en nooit heeft hij gezelschap gekend. Overal werd hij uitgestoten. In geen enkele walrussenkolonie werd hij opgenomen. Walrussen eten schaaldieren, die ze met hun sterke slagtanden uit de modder van de zeebodem los harken. Toen hij twee maanden oud was, werd zijn moeder door walvisvaar - ders gedood. Zijn slagtanden zouden na twee jaar pas zover uitgegroeid zijn, dat hij kon graven. Nu moest hij nog bij zijn moeder drinken. Maar moeder was weg en bleef weg. Drie dagen later doodde hij een zeehondenbaby en at hem op. Het vlees smaakte hem niet, maar hij werkte het toch naar binnen. Vier maanden later was hij een gevreesde vleeseter geworden en werd hij om de geur die hem verraadde door zijn familie overal weggejaagd. Door zijn menu van zeehonden werd hij groter en zwaarder dan iedere andere walrus en groeien zijn tanden zijwaarts uit.
De eenzame walrus haakt zijn slagtanden in het ijs en trekt zich voort terwijl uitgespreide vinnen hem een handje helpen. Met een plons duikt hij het water in. De ijsschots schiet wel een halve meter omhoog, bevrijd van een kleine duizend kilo vlees. Hoog boven hem vliegen tientallen meeuwen met hem mee. Ze zien hem door het. heldere koude water voortijlen en weten: straks zullen ze volop voedsel hebben. De walrus heeft ze wel gezien en hij ergert zich. Wegjagen kan hij ze niet, maar ze zullen hem zeker verraden. Ze zullen de zeehonden waarschuwen dat hij eraan komt. Zijn vaart wordt minder snel. Er móéten hier zeehonden zijn! Waar zitten te toch. Dan ja hij hoort een bekende slag. Feller knaagt de honger. Voorzichtig glijdt hij voort in de richting van het geluid.
Zingende stemmen.
Op het strand aan de rand van de wijde toendra staat een eenzame tent. Zijn pinnen staan diep in de grond en zo stevig is hij vastgemaakt, dat geen enkele windstoot hem omver kan blazen. Vastgebonden aan sterke palen liggen vier honden.
Op een rek, gemaakt van drijfhout, blinken tientallen vissen. Ze liggen te drogen in de zon. Vanaf het strand hangt een groot net in het water. Een lange lijn dobbers vertelt precies waar het ligt. Bij de ingang van de tent staat een ijzeren kacheltje. Warm straalt de zon op het canvas. Maar het kan de drie mannen en de twee kinderen daarbinnen niet wakker krijgen. Die zijn al twee maanden gewend te gaan slapen als het nog midden op de dag is of tot middernacht buiten te blijven om te werken of te spelen. Slaap heeft ai die weken niets te maken met dag of nacht. Terwijl de mannen en de kinderen heerlijk liggen te dromen in hun warme slaapzakken, klimmen ver van het strand vandaan honderden walrussen op het ijs. Ze komen terug uit de Beringzee, waar ze de winter hebben doorgebracht. Door de klare, heldere poollucht klinkt hun gezang. Een vriendelijk brommend neuriën, vol en zuiver van toon. Heeft dat koor van zingende stemmen de mannen wakker gemaakt? Hebben die stemmen gedaan, wat de zon vergeefs probeerde? Bijna tegelijk ontwaken ze alledrie. „Het zijn net gitaren", zegt de jongste van hen. „Ik vind het lijken op de klokken van ons kerkje in Barrow", zegt de oudste, die de vader van de beide kinderen is. Met vrolijke ogen kijken ze elkaar aan, ze staan direkt op. Ningiok, de oudste, slaat de ingang van de tent open. Helder schijnt de zon naar binnen, een spiegelgladde zee noodt tot varen en ver weg vlakbij de ijsblink, zingen de walrussen hun zuivere melodie.
Zuring en wilgeblaadjes.
Hand in hand staan Aakraa en Alliak de boot na te staren. De geur van vers gezette koffie heeft hen wakker gemaakt en nog wat lodderig zijn ze uit hun slaapzakken gekropen. Toen ze buitenkwamen was vader bezig op het fel brandende kacheltje pannekoeken te bakken. Op het strand stonden blikken benzine en een primus. Daarnaast lagen drie geweren en een harpoen. Een opgeblazen zeehondenvel aan een meterslange lijn lag al in de boot. Die lijn werd vastgemaakt aan de harpoen. Als een walrus alleen maar gewond was en weg zou duiken, konden ze hem altijd volgen door die ballon van zeehondenvel. De drie mannen hebben hun parka's al aan.
In de tent liggen drie sneeuwhemden van wit bont, die hen straks onzichtbaai moeten maken op het ijs. Ze hebben hun waterdichte laarzen van zeehondenleer aangetrokken. Rustig wachten ze tot Ningiok het ontbijt klaar heeft.
Het smaakt voortreffelijk. Pannekoeker; met koffie en wat gedroogde vis. De honden worden niet vergeten en krijgen ieder een paar flinke vissen. Alliak ziv tegenover zijn beide ooms. Hij vraagt honderduit. Zijn vader glimlacht. „Als je groot bent, mag je ook mee", belooft hij. „Zul je goed op hem letten Aakraa? " Alliak's zusje knikt. Natuurlijk let ze op haar broertje. Als moeder nog geleefd had zouden ze in Barrow gebleven zijn. Dan zou vader met zijn beide broers alleen op jacht zijn gegaan. Nu gaan ze voor het tweede jaar al mee. Ze weet het nog van verleden jaar, waar de fijnste plekjes zijn om te spelen. Straks gaat ze met Alliak het strand langs. Daar kun je allerlei aangespoelde dingen vinden. Ieder graspolletje zouden ze onderzoeken en in alle holletjes prikken. Ze zou elk stuk hout goed bekijken of er een kom uit gesneden kon worden, of er een handvat voor een mes van gemaakt kon worden. Als het ontbijt gedaan is, stappen de drie mannen op. In de tent is het een rommel. Alle slaapzakken liggen op een hoop, die trekken ze wel glad als ze erin stappen om te gaan slapen. De borden liggen zomaar in het zand, die zal Aakraa wel oprapen. Maar in de boot wordt alles heel precies en keurig op zijn plaats gestouwd. Als de Eskimo op jacht gaat, moet alles volgens plan kunnen verlopen. De jongste van de drie broers start de motor. De kinderen zwaaien. „Pluk maar wat zuring en wilgeblaadjes", roept vader Ningiok nog, „dan eten we vanavond een lekker slaatje en walrussenvlees”.
Waar blijven ze toch?
„Alliak, kom eens. Kijk eens wat een eieren". Aakraa wenkt haar broertje, die niet zo erg hard kan lopen, omdat hij met één hand de zak van zijn parka dicht houdt. Daar zit iets in en het beweegt. Elke keer als hij die wriemelende beweging voelt, klopt zijn hartje wat sneller. Hij heeft hem zelf gevonden en hij gaat hem tam maken. De lemming, niet groter nog dan een muis, met een langharige pels en het model van een marmotje, probeert zijn benauwde gevangenis te ontvluchten. Maar hij heeft geen kans en wacht tenslotte maar geduldig af wat er met hem gaat gebeuren. Hijgend komt Alliak bij zijn zusje staan. Die wijst op een nest, daar liggen vier eieren in. „Ieder twee", beslist Aakraa en geeft haar broertje zijn portie. Met hun tanden breken ze de eieren stuk en slurpen ze leeg. „Lekker, zullen we er nog meer zoeken? " „Ja, maar o Alliak, pas op”.
Een grote sneeuwuil jaagt net over hen heen. Zijn ronde ogen kijken naar de beide kinderen. Hij doet hen niets, maar schiet als een havik op zijn prooi af.
Een lemming, die nog net bijtijds in een zandholletje kan verdwijnen. „Vader zal hem wel schieten", zegt Aakraa beslist. Ze wil het niet weten, maar ze is erg geschrokken. ..Kom, we gaan terug, Alliak". Als ze weer bij de tent komen, gaat Aakraa de ontbijtboel opruimen en de slaapzakken gladtrekken. Alliak gooit een kist waarin het meegebrachte voedsel zit, leeg, en zet zijn lemming erin. Al gauw valt hij in slaap en zijn zusje stapelt het meel, de suiker, de koffie en de thee netjes in een stuk zeildoek. Ze gooit de honden ieder een vis toe, maar komt niet te dicht bij hen. Ze zijn niet altijd te vertrouwen. Dan loopt ze naar het net. Er zit al heel wat vis in, maar ze kan er niet bij, het water is veel te diep. Aakraa ziet een vette zalm blinken. Hij doet verwoede pogingen om uit de mazen van het net te ontsnappen. Een grote schol ligt heel stil, die is dood. Het net moet in het water blijven tot vader en de ooms terugkomen. Als ze weer naar de tent loopt voelt ze hoe een lichte bries in haar gezicht waait. Ze draait zich om en kijkt over zee. Er zijn nu golven. Hé ze wilde maar, dat ze kwamen. Ze hebben nog geen zuring en wilgeblaadjes gezocht. Ze weet precies waar de zuring groeit en de dwergwilgen staan.
De volgende morgen zijn de slaapzakken van de mannen leeg en even glad als toen Aakraa ze gister opvouwde. Al? Alliak wakker wordt zegt hij: „Ik hoor de walrussen niet". „Je hoort de wind", antwoordt zijn zusje, „maar het is niet zo'n sterke wind hoor". „Vanavond komen ze thuis", zegt Alliak beslist. Samen kijken ze uit over zee. In hun hartjes is de bange vraag: „Waar blijven ze toch? ”
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 februari 1977
Daniel | 20 Pagina's