JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

ALLEEN TUSSEN ALLEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ALLEEN TUSSEN ALLEN

10 minuten leestijd

„Een boodschap van de tantes”

Het oude vierkante gebouw met de vele verlichte ramen ziet er op het eerste gezicht niet uit als een kindertehuis. De oude bomen er omheen buigen zich beschermend over het dak, alsof zij willen zeggen: Kom maar, hier ben je veilig.

Toch is het voor Bert van Klinken nooit een echt tehuis geworden. Het is er gezellig en goed, maar het zal nooit zo worden als vroeger bij vader en moeder. Twee jaar geleden is het nu al, dat het ongeluk gebeurde. Pas nu kan Bert er aan denken zonder dat het net is alsof een hevige pijn zijn hart samenkripmt. Vader en moeder in één keer verongelukt, geslipt in dichte mist. Hij bleef alleen over met geen andere familie dan twee oudtantes.

Hoor daar gaat de bel. Luid en zwaar bonst het geluid door het gebouw eten! Juf Tineke schept met een grote lepel de pannen leeg. Vijftien porties worteltjes, vijftien porties aardappelen. Al scheppend zegt ze tegen Bert: „Je tantes hebben opgebeld, jo.”

„O ja? " vraagt Bert, die zijn aandacht met moeite van zijn dampende bord losrukt. „Ja, ze vroegen of je woensdagmiddag even aan kwam.”

„Woensdagmiddag? " schrikt Bert. „De hele middag? En ik zou.....”

Tineke kijkt Bert lachend aan. Ze begrijpt het wel. Het valt niet mee voor een jongen om een hele middag op visite te gaan bij die twee precieuze dametjes in hun salon, die geen ander kontakt hebben met de buitenwereld als de zondagse kerkgang en de wekelijkse theevisite van nicht Theodora.

„Juf, ik moet naar de bibliotheek en ik heb huiswerk en....”

„En ik heb geen zin, " lacht Tineke. „Ik zou tóch maar gaan als ik jou was, want je tante zei: „We hebben iets met Lambert te bespreken." Ze moet moeite doen om niet het krakende stemmetje van de oude dame na te bootsen.

„Tja, als dat zo is " Bert haalt zijn schouders op. „Vooruit dan maar.”

Tineke kijkt hem na het bidden af en toe aan. Typisch Bert. Ieder kind zou blijven zeuren om te weten te komen wat er besproken moet worden. Bert niet. Er is geen ander kind in het tehuis dat zo weinig zijn gevoelens laat blijken. Ze denkt aan het rapport dat ze gelezen heeft: „Een gesloten jongen met een gelijkmatig karakter. Zeer moeilijk te benaderen.”

Tien jaar is hij pas. Maar soms kan hij je zo aankijken of iets zeggen dat het net is alsof hij jaren ouder is. Ze zou dikwijls zo graag weten welke gedachten in hem omgaan. Vroeger was hij toch veel spontaner.

Onder het afwassen even later vraagt ze in een stil ogenblik: „Heb je 't hier goed naar je zin, Bert? ”

Bert, die corvee heeft en onhandig aan het afdrogen is, kijkt verwonderd op. „Eh ja hoor. Gaat wel..... " zegt hij traag. „Nou, dat komt er even aarzelend af, zeg!....." „Misschien als ik..... " „Ja? ”

„Misschien als ik het vroeger slecht had gehad, zoals veel kinderen hier dat ik het dan beter naar m'n zin had. Maar ik heb een fijne vader en moeder gehad. Ik ik ben gewoon een wees!”

Het laatste komt er zo cynisch uit dat Tineke van schrik de vatenkwast in het water laat plonsen. Ze kijkt opzij en ziet één moment zijn ogen, voordat hij ze snel neerslaat. Ze huivert opeens van de eenzaamheid die in zijn blik te lezen staat. „Jong", zegt ze ontroerd en knuffelt even zijn stugge blonde hoofd tegen zich aan. Maar Bert droogt snel de laatste lepels af en verdwijnt dan om huiswerk te maken. Pas dan weet Tineke wat ze had moeten zeggen: „Je weet toch Wie een Vader der wezen is, Bert? " Maar zulke gedachten komen altijd te laat.

Grote veranderingen

Als Bert op woensdagmiddag bij de tantes aan de bel trekt, doet tante Agnita zelf open. Tante Berendien zit bij de haard te haken.

Tante Agnita dribbelt heen en weer bij de theetafel. „Thee, Lambert? ”

„Alstublieft, tante. Zonder melk graag." voegt hij er wantrouwend aan toe. Het heeft jaren gekost haar er van te overtuigen dat jongens als Bert zónder drinken. Zelf is ze niet af te brengen van dat vertrouwde „wolkje melk”.

Ze praten wat over het weer, over de dagen „die gaan lengen", maar Bert zit niet op zijn gemak. Wat hebben ze te vertellen? vraagt hij zich af. En verbeeldt hij het zich nu, maar zijn zij ook niet een beetje zenuwachtig?

„Eh Lambert, " begint tante Berendien eindelijk. „We willen graag iets met je bespreken over over Toe Agnita, zeg jij het nu maar”.

Tante Agnita kucht eens en kijkt Berl scherp aan. , , 'k Weet niet of je er wel eens aan gedacht hebt, Lambert, maar in dat tehuis kun je niet altijd blijven. Wij zouden het zo'n rust vinden je verzorgd te weten. En liefst in een gezin". Bert haalt diep adem. „In een gezin? Maar ”

„Stil, ik ben nog niet uitgepraat. We zijn onlangs in kontakt gekomen met een vriend van je vader. Hij is getrouwd en heeft een kindje van twee jaar. Hij zou hij zou je wel in zijn gezin op willen nemen, Lambert.....”

Als Bert een uur later naar huis loopt, springen allerlei verwarde beelden voor zijn ogen heen en weer. Een vader en een moeder, die gezellig met hem praten en helpen bij zijn huiswerk. Dan weer andere ouders, snauwerig en onverschillig. Tenslotte zijn eigen pappie en mammie, lief en bezorgd. Langzame tranen druppen over zijn gezicht. Wat gaat er toch allemaal gebeuren? Moet hij nu blij zijn of niet? Maar nooit nooit zal 't als vroeger zijn!

Al piekerend komt hij in het tehuis aan. Maar daar bagatelliseert meneer Kooiman, de direkteur, het probleem voor hem. „Nou Bert, je probeert het toch gewoon", stelt hij lakoniek, „gaat het, dan is het geweldig. Gaat het niet, dan kom je terug”.

Toch breekt er een zenuwachtige tijd aan. Diezelfde week nog maakt hij kennis met de „nieuwe vader en moeder", die gelukkig voorstellen hen oom Pieter en tante Cobi te noemen. Om eerlijk te zijn, de kennismaking valt niet tegen. Oom Pieter is een gewone, rustige man en tante Cobi kijkt hem zo vriendelijk aan door haar wat dikke brilleglazen dat hij zich meteen op zijn gemak voelt. Ook hun huis is met de vele boeken en planten echt genoeglijk.

Als Bert tenslotte vertrekt, wacht iedereen gespannen af, hoe het zal gaan. De eerst week horen ze niets, maar de week daarop krijgt Tineke een brief. In zijn moeilijk leesbare hanepoten schrijft hij: „Beste juf. Hoe gaat het in uw tehuis? Hier gaat het goed. Er is een hond, Mops. Daar ga ik altijd mee wandelen. Ik heb een eigen kamer, veel groter dan in het tehuis. Volgende week ga ik met oom Pieter naar Zeeland om zaken te doen. Er is ook een klein kindje, Ankie. Daar houden ze veel van. Wie zorgt nou voor de vissen? Tante Cobi kookt lekkere pudding. Nou, dag juf. Hartelijke groeten aan allemaal van Bert van Klinken”.

Een gezellige brief, denkt Tineke. En toch één zinnetje blijft haken: Daar houden ze veel van. Wat moet ze daar tussen de regels lezen? Van mij houden ze niet?

Een ontdekking

Het is avond. Tante Cobi is in de keuken bezig en oom Pieter speelt nog wat op de vloer met Ankie.

Bert kijkt toe. Ondoorgrondelijk is zijn gezicht. Een masker, waarvan niets af te lezen is. Oom Pieter kijkt even naar hem en zucht. Inderdaad, een gesloten jongen. En toch is het een lieve jongen, dat hebben ze wel gemerkt als hij zich soms even bloot gaf. Wat moet hij eenzaam zijn zo. Veel liefde heeft hij nodig, maar hij sluit zich ook daarvoor af.

Tante Cobi komt binnen om Ankie naar bed te brengen, , , 't Is tijd, kleine puk". Bert kijkt hen na als ze de trap oplopen, Ankie klauterend voorop, haar vader en moeder er achteraan. Zo gaat dat nu altijd. Zij met z'n drieën en hij alleen. In het tehuis waren ze allemaal uitgestotenen, eenzamen zoals hij. En toch is het hier wel prettig, hij kan het niet ontkennen. Als Ankie er maar niet was...

Hij schrikt van zijn eigen gedachten. Boven hoort hij haar snaterende stemmetje en hij is onmiddellijk weer vertederd. Ze is lief, zij kan er ook niets aan doen! Maar hij kan de gedachte niet onderdrukken, dat ze om hem nooit zoveel zullen geven als om haar. Logisch,

denkt hij wrang. Je eigen kind, dat je mee hebt gemaakt van de eerste dag af. Een week later zit Bert in de kamer huiswerk te maken. Tante Cobi is met Ankie aan het wandelen in het park, omdat het zo'n zeldzaam zonnige dag is. Gelukkig heeft hij niet veel te doen. Na een half uur klapt hij zijn schriften dicht. Klaar!

Zo, nu kan hij lekker nog een poosje lezen. Als hij naar de boekenkast loopt, valt zijn oog ineens op een rijtje fotoalbums. Willekeurig pakt hij er een en slaat het open. Het is het baby-album van Ankie. Alles netjes op volgorde.

Toch leuk, zo'n peuter. Hier het geboortekaartje. Leuke namen, Anna Josina!

Maar maar opeens spert Bert zijn ogen ver open. , , Op 20 december 1974 heeft God ons de zorg toevertrouwd over Anna Josina. Zij is geboren op 25 september 1974 in Vancouver". Maar... is Ankie dan een adoptiekindje?

Opeens rent hij naar de gang, schiet in z'n jack en vliegt naar buiten. Naar het park moet hij, hij móét het weten. Al rennend heeft hij maar één gedachte: als ze zoveel van een adoptiekindje kunnen houden — dan geven ze misschien ook op de duur om mij....

Tante Cobi schrikt als ze Bert aan ziet komen hollen. „Bert, is er iets gebeurd? '' „Nee hoor, tante, niets. Ik dacht ik heb m'n huiswerk af ik ga naar Ankie. Maar eh tante Cobi, ; s Ankie niet écht uw kind? ”

Hij kijkt haar strak aan en hij ziet dat ze schrikt. „Bert toch. Nee we hebben haar geadopteerd. We hadden het je deze week willen vertellen. Hoe weet je het? ”

„Uit het foto-album”.

„Ja natuurlijk, wat dom. Maar vind je het zo erg dat je.....”

Hij schudt heftig van nee. „Juist niet!" ontvalt hem.

Opeens begrijpt ze. Denkt hij misschien: nu bestaat er voor mij ook wel een kans? Arme jongen, denkt ze. Arme lieve jongen. Ze slaat haar arm om zijn schouders en ze zegt: „Het maakt voor ons niets uit, hoor Bert. Je denkt misschien dat jij de enige bent, die warmte en liefde nodig heeft. Maar wij hebben dat ook, Bert. Als je eens wist hoe wij naar kinderen hebben verlangd. Maar we kregen ze niet. En nu, eindelijk hebben we Ankie en jou. Wat zijn we daar blij om! Hadden we dat van Ankie maar direkt verteld, hè. Het spijt me zo!”

„’t Geeft echt niet hoor, tante Cobi!" Hij zegt het zo blij dat de tranen haar in de ogen schieten.

„Nou, ik ga maar weer", stottert hij onhandig. „Ik moet juf Tineke nog schrijven”.

Tante Cobi knikt. Ze begrijpt dat hij dit alles even verwerken moet. „Best hoor, " zegt ze hartelijk. „Heb je veel nieuws? " „Nee eigenlijk niet." bekent hij met een kleur. „Alleen alleen dat het goed gaat".

Dan rent hij er ais een haas vandoor, zelf geschrokken dat hij dat zomaar gezegd heeft.

Dordrecht, A. Korpershoek-van Wendel de Joode.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1977

Daniel | 24 Pagina's

ALLEEN TUSSEN ALLEN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1977

Daniel | 24 Pagina's