TWEE WEGEN GETEKEND
(Psalm 1)
Van ouds heeft men de eerste Psalm gezien als een soort inleiding op het gehele Psalmenboek. Calvijn meent dat Ezra of een ander deze Psalm aan het begin van het Boek geplaatst heeft „bij wijze van voorbericht om alle vromen op te wekken tot overpeinzing van de Wet Gods". Van de schrijver weten wij bijna niets. Wij weten niet wanneer hij leefde, wie hij was, onder welke omstandigheden hij deze korte Psalm dichten mocht, niets van dat alles. Alleen dit éne: dat hij zeer begerig was naar het geluk van Gods kinderen en in vergelijking met dit geluk heel de wereld maar onuitsprekelijk arm achtte (zie de verzen 3 en 4).
Welgelukzalig is de man! Zo vangt hij zijn Psalm aan. Letterlijk staat er: „O, het geluk van de man !" De dichter kan het onmogelijk onder woorden brengen, hoe gelukkig Gods volk is. Nu moeten wij er eens op letten, hoe hij eerst gaat zeggen wat Gods kinderen niet doen, daarna wat zij wel doen. Wat leren we hieruit? Wel, dat de ware Kerk des Heeren zowel opvalt hier op aarde door de dingen die zij nalaat als door de dingen die zij doet. Wat doen Gods kinderen dan niet? Lees vers 1 eens met aandacht, en let eens op de opmerkelijke opklimming: wandelen — staan — zitten! Scherp wijst de dichter er hier op. dat de ene zonde de andere meebrengt. Wandelen met goddelozen wijst op een vluchtige omgang. Een gesprek, een oppervlakkige vriendschap. Staan: we besteden wat meer tijd aan onze wereldse vrienden. Zitten: we gaan totaal in de wereld op. Hoeveel van onze jongens en meisjes zijn zo al van God en Zijn Woord vervreemd? Het is zo onschuldig begonnen: even wandelen, een lichte vriendschap met een jongen of meisje die van God en Zijn volk niets moet hebben. Het wandelen werd staan, het staan werd zitten Hoevelen zouden er nu op zaterdagavond zitten met een gedoopt voorhoofd in de kroegen, letterlijk in het gestoelte der spotters? De dichter kan er niet jaloers op worden. O, het geluk van de man die niet.....!
Maar zijn lust is in des HEEREN wet. Wet betekent hier niet alleen de Wet der zeden, de Tien Geboden. Gods Wet (Tora) staat hier voor héél Gods Woord. Twee dingen worden er in vers 2 van gezegd: Gods Kerk vindt er zijn lust in, en Gods Kerk overdenkt dat Woord dag en nacht. Ja, wanneer de Heere ons waarachtig bekeert, dan wordt ons een last wat ons een lust was en dan wordt ons een lust wat ons een last was. Bitter als gal wordt ons dan de raad der goddelozen, de weg der zondaren en het gestoelte der spotters. Bitter als gal wordt ons het spotten van vroeger, het juichen van de duizenden voor hun sporthelden, ' het zitten der miljoenen bij hun televisie, en nog zoveel meer. Neen, niet omdat wij beter zijn? O, die goddeloze, die zondaar, die spotter leren we kennen en haten in het eigen hart. Maar bitter als gal worden al die dingen voor Gods kinderen omdat zij er de dood in gaan proeven. Zoeter dan honing wordt hun nu des HEEREN Wet; zij zingen wel eens: „Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door zijnen smaak mijn hart en zinnen strelen". Zijn lust is in des HEEREN Wet! Neen, jongens en meisjes, Gods dienst is geen harde dienst, maar een zoete dienst. Ik begeerde wel dat ik er jullie heilig verliefd op kon maken. Hij overdenkt die Wet ook dag en nacht. Smytegelt zegt ergens: dat volk is wel eens in gedachten. En wanneer hun dan gevraagd wordt: waar denkt ge aan? — dan moeten ze soms antwoorden: ik dacht aan God. Zoek je hart maar eens na, jongens en meisjes, waar je gedachten, genegenheden en begeerten naar uitgaan. Er zijn toch maar twee wegen.
Die twee wegen gaat de dichter nu tekenen in vers 3-6. Hij tekent eerst tweeërlei leven (vers 3, 4), daarna tweeërlei sterven (vers 5, 6). Gods kind wordt nu door hem getekend als een boom, geplant aan waterbeken. Wanneer wij vers 3 lezen, moeten wij ons wel wachten voor een ernstige misvatting, als zouden Gods
kinderen in dit leven geen tegenspoed ondervinden. Er staat toch: al wat hij doet, zal wel gelukken? Calvijn merkt hierbij op, dat de dichter bedoelt, „dat de kinderen Gods voortdurend bloeien en altijd door bevochtigd worden door de verborgen genade Gods, zodat wat ook hun overkomt, hun dienstig is tot zaligheid". Wij behoeven maar Psalm 73 en het boek Job te lezen om te zien, hoe vele de tegenspoeden des rechtvaardigen kunnen zijn. Maar in Zondag 9 van de Heidelbergse Catechismus staat zo treffend, dat de Heere aan Zijn kinderen ook het kwade toeschikt, dat wil zeggen uitdeelt, en het hun ten beste keert.
Alzo zijn de goddelozen niet Veel zegt de dichter over hen. Zij zijn als het kaf, dat de wind heendrijft; zij zullen in de vergadering der rechtvaardigen niet bestaan (d.w.z. in de ware Gemeente des Heeren); hun weg zal vergaan, gelijk een schip omkomt in de storm. Het ergste echter, dat van een goddeloze te zeggen is, is dit: zij zullen niet bestaan in het gericht. Zie, dat is nu hetgene, waar de dichter ons op wijst, en waarom hij Gods volk zo gelukzalig acht: zij hebben een grond, om in Gods gericht te bestaan. Het is een bange vraag in hun leven geworden: mijn ziele, doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God? — Is het ook ooit ons een zielsvraag geworden: Heere, hoe zal ik straks toch voor U bestaan? Welgelukzalig is toch die man, die in de Heere Christus een verberging vindt tegen de wind, een schuilplaats tegen de vloed.
Vragen:
1. Waar gebruikt Gods Woord nog meer het beeld van vers 3 voor Gods kinderen?
2. Zou je er voorbeelden van weten, dat ook nü de zonde een hellend vlak is, zoals dat in vers 1 beschreven wordt?
3. Vind je de berijming van vers 6 wel juist in de berijmde Psalm vers 4? Wat zou hierover te zeggen zijn?
4. Wat wil het zeggen, dat de HEERE de weg der rechtvaardigen kent (vs. 6)?
5. Wanneer kan een mens bestaan in het gericht?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 januari 1977
Daniel | 24 Pagina's