KOMT TOT ZIJN SCHIJNSEL ALLE VOLKEN ....
Het zijn de donkere dagen voor Kerst. Sombere dagen. Jagende wolkenmassa's en af en toe een regenbui.
Tijdens deze sombere dagen komt bij Musa het verlangen op naar z'n geboorteland Marokko. Het zonnige land waar hij opgroeide. Waar hij speelde met z'n vriendjes op het grote plein of verstoppertje speelde in de nauwe, donkere straatjes. Waar onder de oude bomen de straat vol lag met tapijten, gladgeschuurd aardewerk en stapels watermeloenen. Waar hij, na schooltijd, vijgen en abrikozen verkocht.
Tijdens de winderige Hollandse regendagen hunkert hij naar de witte huizen met de rode pannendaken die tegen de grijsbruine hellingen van de heuvels liggen. Naar de bronnen die op de hellingen ontspringen en die overvloedig water geven aan de tuinen en boomgaarden, waar palmen, olijf-, amandel-en vijgebomen groeien en waar fruit en groenten worden gekweekt. Naar de grote witte moskee. Naar de vierkante minaret van verweerde rode stenen. Naar de halve maan, de gebedsvlag en - lamp. Naar het kleine huis waar hij woonde. Z'n ouders, die analfabeet, zijn, stuurden hem naar de Koranschool. Hun zoon moest een wijs man worden. Hij zou leren schrijven en de Koran kennen. In gedachten ziet hij het kleine schooltje, waar hij het ene hoofdstuk na het andere opdreunde. Waar hij, gehurkt, uit het hoofd de koranteksten op een lei neerschreef. Hij herinnert zich hoe z'n moeder zeven smalle, bewerkte, zilveren armbanden droeg. Op vrijdag, de moslimrust-en feestdag, deed moeder haar armbanden om. Iedere dag haalde ze er eentje af. Als zc er nog maar één om had, wist ze dat het de volgende dag weer rustdag was. Op vrijdag werd haar arm opnieuw getooid met de zeven banden.
Musa weet nog hoe z'n moeder altijd werkte. Ze werkte op het land, verzorgde het vee, bakte het brood, sjouwde met stapels brandhout op haar rug, torste de zware waterkruiken en weefde dekens en kleren.
Het beeld van z'n vader is verbonden met het lange pijpje dat gevuld was „kif", een mengsel van hennep en tabak dat een bedwelmende uitwerking' had. met
't Zijn niet alleen warme, blijde dingen die in Musa leven. Nooit zal hij z'n ontreddering vergeten, toen hij, weggekropen in een hoekje, hoorde hoe z'n vader, ten overstaan van twee getuigen, bij de kadi drie maal met luide stem verklaarde: „Ik verstoof mijn vrouw". Daarmee was de echtscheiding een feit. Opgave van redenen was niet nodig. Vader trouwde opnieuw. Een jonge vrouw kon hem veel zonen schenken. Aangelokt door de enthousiaste berichten van een dorpsgenoot, verliet hij z'n land en trok naar Nederland. Hij had hooggespannen verwachtingen, 't Werd een bittere ontgoocheling. Hij kreeg een kamer, driehoog, die hij bereikte via een donker, verveloos trapportaal. Z'n kamer deelde hij met z'n vriend Ibrahim.
Hij kreeg een baan in een fabriek. Stond, afwisselend overdag en 's nachts, aan de lopende band. Een grote omschakeling voor de jonge man, die gewend was aan de zon, aan vrijheid, die met eindeloos geduld wondermooie tapijten knoopte, wiens smalle vingers de diepe, warme kleuren kombineerde en wiens handen nu steeds dezelfde simpele bewegingen herhaalden, die nu gebonden was door bepaalde uren, door muren.
Hij deed het hem opgedragen werk rustig en onopvallend. Hij maakte geen nieuwe vrienden. Hield niet van de luidruchtige groep waar z'n vriend Ibrahim mee om-
ging. De verhalen over drank, films en vrouwen gingen grotendeels langs hem heen. Ze probeerden hem 's avonds mee te krijgen, maar Mu.sa weigerde.
Ibrahim leefde een losbandig leven. Musa vermaande hem. Waarom verzuimde Ibrahim de gebeden? „Te moeilijk", vond deze. „Hoe kan ik me tijdens m'n werk, of als we 's avonds ergens zijn, reinigen? Ik bid geen vijf maal per dag, hoewel dit voor ons moslims voorgeschreven is. Ik bid 's avonds voor het slapen gaan. De Nederlanders noemen zich Christen, maar zij vloeken, zij loochenen God. Zij leven verder van God, dan ik van Allah”.
Tijdens de Ramadan vastte Ibrahim zelden. Musa hield zich echter strikt aan de regels. Hij vastte van zonsopgang tot zonsondergang of, tijdens de zonloze dagen, „zolang hij een zwarte draad van een witte kon onderscheiden". Door het vasten wilde hij komen tot zelfinkeer en berouw.
Hij was nog maar enkele weken in Nederland toen hij, via het opvangcentrum voor buitenlanders, een taalcursus Nederlands ging volgen. Z'n pogingen om de opgedane kennis in praktijk te brengen hadden soms succes, leden echter ook vaak schipbreuk. Dikwijls voelde hij de weerstand van de Hollanders. Hij was anders dan zij, inderdaad. Hij had een andere achtergrond, kende andere zeden en gewoonten. Maar v/as dat een reden om hem links te laten liggen? Naarmate z'n kennis van de hollandse taal beter werd, nam z'n verwondering soms de vorm van verbijstering aan. Er werd om hem gelachen, hij hoorde smalende opmerkingen. Waarom? De meeste Hollanders namen zonder meer aan dat hij hun taal niet sprak. Vandaar die opmerkingen.
Gelukkig waren er ook anderen, 't Kleine meisje dat dicht bij de fabriek woonde en die zo spontaan haar handje omhoog kon steken en groeten. Z'n chef die hem op dezelfde manier behandelde als z'n hollandse kollega's. De werkster die af en toe een praatje maakte. „Jij komt d'r wel. Je ken je aanpasse". Deze opmerkingen, hoe goed bedoeld ook, stemden hem somber. Aanpassen, waaraan? Bij z'n landgenoten voelde hij zich niet thuis. Door z'n hollandse kollega's werd hij wel geaccepteerd, maar nooit kreeg hij een uitnodiging om na werktijd eens met hen mee te gaan. Een bitter lachje trok om z'n mond, toen hij eens een kollega tegen z'n maat hoorde zeggen: „Musa is een aardige, rustige vent, maar ja, 't is een buitenlander hè, daar moet je toch altijd mee oppassen”.
Ibrahim heeft altijd vrienden om zich heen van allerlei nationaliteiten. Geen enkele avond is hij thuis. Als hij bij thuiskomst Musa nog niet slapend vindt, hoort Musa verhalen over veel muziek in de stad, de winkels, de bars en café's. Grote bomen versierd met spuitsneeuw en slingers, veel zilver-en goudkleurige ballen en kleine, gekleurde lampjes of witte kaarsen. Dat hoort bij het feest dat men Kerst noernt. Iedereen, zo het werk het toelaat, is die dagen vrij.
De eerste dag blijft Musa thuis. Het luiden van de kerkklokken, waarvan hij weet dat ze de christenen oproepen naar de bedehuizen, doet hem denken aan de roep van de muezzin vanaf de trans van de minaret. Hij reciteert de koran, maar z'n gedachten dwalen spoedig af. Hij verwijt zichzelf geen goede moslim te zijn. Een goede moslim aanvaardt het lot (kismet) dat Allah heeft bepaald. Musa kan dat lot niet aanvaarden.
De volgende ochtend, tweede Kerstdag, vraag Ibrahim hem mee te gaan. 't Kost Musa deze keer moeite te weigeren. Ibrahim lacht wat spottend. „Waarom geniet je niet van het leven? Ben je soms aan 't sparen om in Marokko een bruid te gaan halen? Dom van je. De hollandse meisjes zijn gewilliger en dichter bij dan de Marokkaanse". Z'n omkoopoogingen hebben geen succes. Hij vertrekt, Musa eenzaam achterlatend.
Musa wordt ongedurig. Loopt de kleine kamer op en neer. Tenslotte pakt hij z'n jas en sjaal en loopt de straat op. Buiten, waar het koud is en stormt, komt de eenzaamheid in nog heviger mate op hem af. De winkels zijn gesloten. De huizen zijn gesloten. Voor een café blijft hij staan. Hij aarzelt. Zal hij naar binnen gaan? Een jonge vrouw loopt langs hem heen. Hij merkt het niet. Staart naar de ramen waarachter hij mensen ziet bewegen en lachen, waardoor hij de gekleurde lampjes ziet branden, waardoor ook de muziek tot hem komt. Kérstmuziek.
Naar binnen gaan? Verder lopen? Z'n hand drukt op z'n portemonnee, waarin heel wat geld zit. Hij kan plezier maken. Hij hoort weer de stem van Ibrahim over het halen van een bruid. Hij heeft de brieven die z'n vader de malam liet schrijven, zorgvuldig bewaard. Brieven waarin vader schreef over Fatima, z'n kleine buurmeisje. Fatima, die nu groot geworden is en de „litham", de gezichtssluier, draagt, omdat
ze de huwbare leeftijd heeft bereikt, Het alleen zijn doet hem verlangen naar een vrouw. En opeens is die vrouw er. Ze legt haar hand op z'n arm. „Zullen we naar binnen gaan? " Verward kijkt hij op. Blikt in de brutaal uitdagende ogen van een flink opgemaakte vrouw. De verleiding is groot, z'n aarzeling echter kort. Kort, omdat de zuivere ogen van Fatima voor z'n geest komen. Hij schudt de hand van de vrouw af, loopt verder zonder meer naar de uitnodigend verlichte ramen van het café te kijken.
Doelloos slentert hij door de stad. Blijft voor een winkel staan zonder te zien wat er in de etalage uitgestald ligt. Met een ruk draait hij zich om als hij een hand op z'n schouder voelt. Wéér die vrouw?
Hij hoort z'n naam noemen. Wat vragend klinkt het: „Musa? " En, als hij zich omdraait: „Ja, je bent het". „Henk Boersma", reageert Musa verrast. Henk Boersma, iemand van het kantoorpersoneel van de fabriek, die altijd vriendelijk groet en wel eens een gesprek aanknoopt. „Alleen? " vraagt Henk. „Ja", knikt Musa, „alleen". „Je vrienden? " polst de ander. „Maken pret en ik zou bijna pret gaan maken". Hij lacht wat verontschuldigend. Henk ziet de eenzaamheid, de leegte in de donkere ogen van Musa. Hij voelt zich schuldig. Als Musa hem aankijkt, ziet hij een blik van pijn komen in de ogen van de Hollander.
Toen Musa in dienst kwam, voelde Henk zich meteen aangetrokken tot de rustige Marokkaan, die onopvallend, maar stipt z'n werk deed. Hij maakte wel eens een praatje met hem, waardeerde het dat hij z'n best deed Hollands te spreken, was geïnteresseerd in Musa's achtergrond, informeerde naar z'n land, z'n godsdienst. Maar na werktijd? Wel, dat viel buiten zijn verantwoordelijkheid. Bij eventuele huiselijke of financiële moeilijkheden kon men aankloppen bij de sociaal werkster, die in vaste dienst was van de fabriek. Bovendien was er een opvangcentrum voor buitenlanders in de stad. Hij wist dat Musa z'n kamer had in een buurt waar voornamelijk Turken en Spanjaarden woonden. Daar zou hij z'n kontakten wel mee hebben, nam hij aan. Als Hollander kon je toch geen diepgaand gesprek met een Afrikaan hebben. Hun zeden en gewoonten, hun godsdienst waren zo verschillend van de zijne. Het kontakt tussen Henk en Musa bleef beperkt tot meestal wat oppervlakkige gesprekken in de fabriek.
En nu, nadat hij na de kerkdienst nog een bezoekje gebracht heeft aan z'n zieke vriend en op weg is naar huis, ontmoet hij Musa. Musa, die hij nu pas voor 't eerst ziet als medemens. Een eenzaam mens.
Gisteren en vandaag hoorde Henk het Kerstevangelie. De Zaligmaker, geboren voor zondaren. Henk voelt, dat Musa, een moslim, op z'n weg geplaatst wordt. Op de jeugdvereniging hield hij enkele weken geleden een inleiding over: „Wat is barmhartigheid? " Een inleiding, die veel vragen opwierp, zoals: is euthanasie barmhartigheid, zoals velen tegenwoordig zeggen? Vandaag wordt hij geconfronteerd met een „simpele" vorm van barmhartigheid. Doet goedertierenheid en barmhartigheid de een aan de ander. En daarbij niet denken: , , 't Jonge, wat ben ik toch een goeie vent dat ik me het lot van zo'n eenzame aantrek". Op de vraag van Henk of Musa meegaat naar z'n ouderlijk huis, antwoordt hij met een blij-verwonderd: „Graag”,
’t Worden goede uren. De ouders van Henk heten hun onverwachte gast welkom. Zusje Tineke doet Musa denken aan het kleine meisje uit de straat. Ze leunt vertrouwelijk tegen hem aan als ze hem haar kleurboek en pop laat zien. De scherpe scheiding Marokkaan/Hollander, die hij altijd sterk ervaarde, vervaagt. Hij geniet van de gezelligheid, van de warmte naar lichaam en geest, die hem doortrekt. Luistert aandachtig naar de Bijbellezing en het gebed na de maaltijd.
Als mijnheer Boersma hem vraagt: „Musa, wij zijn christen. Gisteren en vandaag war^n er kerkdiensten, waarin we de geboorte van de Heere Jezus, de zoon van God, herdachten. Ook vanmiddag is er een dienst, maar nu speciaal voor kinderen, hoewel ook ouderen welkom zijn. Omdat Henk z'n vriend ziek is, zou Henk ook meegaan.
Heb jij ook zin om mee te gaan? " antwoordt Musa nadenkend: „Jullie geloven in God, ik in Allah. Ik lees de koran. Ik weet dat er in de koran staat — Geloof in God en in het boek dat Hij openbaarde aan de profeet, en in het Boek dat Hij daarvóór zond — Zou dat het Boek zijn, waaruit u las? Als er vanmiddag uit dat Boek verteld wordt, wil ik wel mee”.
Als enkele uren later Musa vol belangstelling luistert naar het zingen van de vele jonge kinderstemmen, rijst er in Henks hart een gebed op. „Och Heere, vergeef me dat ik vaak niet verder kijk dan m'n eigen familie, dan m'n „eigen" kerk, waar ik m'n vrienden heb. Daar christen te zijn is niet zo moeilijk als erbuiten. Laat me toch Uw getuige zijn, in woord en daad, niet op een speciale plaats, maar overal. Werk Gij toch in het hart van deze jonge moslim”.
Tot de jonge Afrikaan komt die middag de nodiging, gezongen door ongeschoolde, spontane kinderstemmen:
Daar is uit 's werelds duist're wolken, Een Licht der Lichten opgegaan. Komt tot Zijn schijnsel alle volken, En gij, mijn ziele, bidt het aan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 december 1976
Daniel | 13 Pagina's