HET HOOGSTE GOED
Over arme rijken
We bezinnen ons in dit themanummer over ons bezit. Daarover wordt veel geschreven. Er wordt nog meer over gedacht. In het bijzonder over de vorming van een bepaald bezit. Wij moeten er nu echter direkt al bij schrijven, dat een gezegde, waarin een zekere levenswijsheid is opgenomen, en dat ons de werkelijkheid voor ogen stelt, ons leert dat het bezit van een zaak. het einde is
van het vermaak. De vermeerdering van het bezit brengt meestal ook mee een vermeerdering van zorgen. Alleen al de angst het bezit weer te verliezen, kan vele harten kwellen.
Bezit verkrijgen en bezit bewaren geeft veel onrust in ons menselijke hart. Wie zijn hart vestigt op het bezit hier, is eigenlijk een verschrikkelijk arm mens, al is hij dan nog zo rijk. Hij is werkelijk straatarm. Al zouden we akker aan akker trekken, al zouden we huis aan huis kunnen voegen, we zouden straatarm blijven. Nooit komt dit duidelijker tot uitdrukking dan bij het sterfbed. Daar moeten we alles achterlaten. Zelfs het meest eigene van de mens, de kleding die hij droeg, kan niet worden meegenomen. Wij gaan alleen, zonder onze bezittingen, door de poort van de dood. Wij moeten alles aan anderen achterlaten. En wie dan God mist, mist alles. Ook zijn ziel zal in een eeuwige, nooit te vertellen rampzaligheid wegzinken.
De Heere Jezus heeft dat geleerd in de gelijkenis van die rijke man, die schuren gebouwd had, zijn voorraden had vermenigvuldigd, en nu rust zou willen nemen. Hoe noemt God zo'n mens? Een verstandige man, met een vooruitziende blik? Noemt God zo'n mens een man die zijn schaapjes op het droge heeft? Noemt God zo'n mens een voorspoedige zakenman? Nee. God zegt: Gij dwaas! Dus ons jagen naar bezit wordt door God als dwaasheid beoordeeld. In deze nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen gij bereid hebt wiens zal het zijn? Alzo is het met dien, die zichzelven schatten vergadert en niet rijk is in God.
Laat dus bij alle werk in deze maatschappij dit ene woord duidelijk in onze gedachten geschreven staan: Wij moeten dit alles achterlaten! Niets is er wat blijvend het onze genoemd kan worden. Er zijn dus rijke dwazen met waardeloze bezittingen.
Over niets hebben en alles bezitten
Wie in dit leven zijn oog alleen vestigt op de dingen van deze aarde is geestelijk nameloos arm. Want niets van hetgeen wij zien kan onze ziel vervullen. Het grote gebrek dat wij hebben is, dat wij God kwijt zijn. Gods beeld hebben wij verloren. Gods gunst moeten we missen. Gods gemeenschap hebben we niet meer. Wij zijn zonder God in de wereld. Dat is het allerergste. Dat is ons gebrek. Dat is onze armoede. Dat is onze ellende.
Het hoogste Goed van een mens kan alleen God zijn. Niet dat we dat zo zien van nature. Dat blijkt wel. Want zo wij dat zouden zien, dan zouden we ook gaan zoeken naar dat hoogste Goed. Als we God werkelijk kwijt waren, dan zouden we met ingespannen krachten zoeken God tot onze God te mogen kennen. Dan zouden wij begerig zijn naar Zijn gunst. Dan zouden wij het niet buiten zijn gemeenschap kunnen stellen. Nu jaagt de mens wel naar bezit maar niet naar God. We willen wel de gaven van God hebben, maar de God van de gaven heeft ons hart niet.
Het zou echter kunnen zijn dat het laatste juist anders is in je hart. Het zou kunnen zijn dat het laatste juist wel leeft in je hart, zodat je buiten God niet meer verder kunt gaan. Want genade leert dat alleen God het hoogste goed is. Paulus schrijft daarvan in 2 Korinthe 6 : 10. Daar schrijft hij over zichzelf als een mens die niets heeft en nochtans alles bezit. Het is voor het denken van velen een wonderlijke zaak dat iemand arm is en velen rijk maakt; dat een mens niets heeft en toch alles bezit. En toch is dat waar. Wie God heeft, heeft alles. En wanneer hebben wij God?
Wanneer wij met God verzoend zijn door Christus Jezus. Wanneer wij het eigendom des Heeren geworden zijn met lichaam en ziel.
Alles hebben
Alles hebben, dat is nogal wat. Er is ook al weer een gezegde, een mens kan niet alles hebben, er moet wat te wensen overblijven. Daarmee wordt dus bedoeld, dat je nu eenmaal niet al je wensen in vervulling kunt zien gaan; alles wat je begeert kun je ook niet krijgen. Maar in de Bijbel lees ik toch dat Paulus zegt, ik heb niets en bezit alles. Niet alleen Paulus zegt dat. Ook Jakob. Jakob die door Pniël gegaan is. Jakob, die alleen achterbleef en met God worstelde. Jakob die niets overhield, dan dit ene, Ik laat u niet gaan, tenzij dat God mij zegent. Deze Jakob ontmoet zijn broer Ezau. Jakob wil aan zijn broer geschenken geven om hem gerust te stellen en gunstig gezind te maken. Ezau weigert de geschenken,
want zo zegt hij, ik heb veel, mijn broeder. Maar Jakob houdt aan en zegt, neem het toch, mijn broeder, dewijl ik alles heb. Jakob had alles, want hij had God.
Wie God tot zijn deel heeft, heeft alles. We luisteren nogmaals naar Paulus die in 1 Korinthe 3 schrijft: Niemand roeme op mensen; want alles is uwe. Het ging daar namelijk om een verdeeldheid in die gemeente. De ene groep beriep zich erop dat zij van Apollos was. De andere groep zei daartegenover, wij hebben een veel betere dominee, want wij zijn van Paulus. Een derde groep had de oudste papieren, want zo zeiden ze, wij zijn van Cefas. Van Petrus dus. Paulus zegt echter beroemt u toch niet op mensen, want alles is uwe. Het zij Paulus, het zij Apollos, het zij Cefas, het zij de wereld, het zij leven, het zij dood, het zij tegenwoordige, het zij toekomende dingen, zij zijn alle uwe. Dat is wat! Lees het nog eens rustig na. Alle apostelen staan in hun dienst. Het leven, de wereld, de dood, toekomende en tegenwoordige dingen, alles het uwe. Is dat niet wat overdreven? Nee, zegt de apostel, want gij zijt van Christus. Het eigendom van Christus dus. Ge behoort met lichaam en ziel Hem toe. En dan werkt alles mede ten goede. Hij zal leiden tot de eeuwige zaligheid. Jullie moeten maar eens lezen wat zondag 1 van de Heidelberger Catechismus daarvan zegt. Het is de enige troost in leven en sterven. Een andere is er niet. Het is het Hoogste goed. Het is God tot ons deel hebben voor de tijd en voor de eeuwigheid.
Over een rijke arme
Zo'n rijke arme willen wij jullie voorstellen uit de Bijbel. Dat is Abraham. Deze dientknecht van God had om Lot te verlossen vijf koningen achterna gejaagd en hen verslagen. Als Abraham mag kiezen uit de oorlogsbuit van de koning van Sodom, weigert Abraham er ook maar iets van te nemen. Hij weigert omdat hij niet wil dat de Koning van Sodom zou kunnen zeggen, ik heb Abraham rijk gemaakt. Abraham weigert dat deel te nemen. Want Abraham leefde met God. Maar even daarna is Abraham kleinmoedig. Want Abraham zal zonder kinderen moeten sterven, zo denkt hij. Hij is oud, en Sara is onvruchtbaar. Wat zal er van de beloften terechtkomen? Dan ontmoet hem de Heere. En de Heere zegt, vreest niet, Abram! Ik ben u een schild, uw loon zeer groot. Deze arme is nameloos rijk. De Heere is zijn schild en loon.
De kanttekeningen zeggen: „Deze woorden begrijpen de volheid van alle gelukzaligheid, die God in de Messias zijn kinderen belooft en geeft, bestaande in de bescherming tegen alle kwaad, en toevoeging van alles goeds, hier aanvankelijk, en hierna volmaaktelijk." Dat is ware rijkdom, het goed dat nooit vergaat. Wie zo sterft, gaat erven. Die laat achter een land van ellende en zorg. Een wereld die in het boze ligt. Die laat achter een lichaam der zonde. Die verkrijgt de lange witte klederen, het gezelschap van alle godzaligen en engelen, maar bovenal God tot zijn eeuwige vreugde.
Ik doe beërven dat bestendig is
Dat goed is nu te krijgen. Het wordt geschonken uit genade, om niet. De opperste Wijsheid — dat is de Heere Jezus Christus — leert dat in Spreuken 8. Hij zegt, rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid. Dus niet een goed dat straks weer moet worden achtergelaten, maar goed dat blijft, dat duurzaam is. Dat is bij Hem, maar dan ook bij Hem alleen. Dan zullen we het ook alleen bij Hem moeten zoeken. Hij zegt in dit hoofdstuk, in het voorgaande vers: Die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden. Het is dus eigenlijk een boodschap voor jonge mensen. In de jeugd van het leven belooft de Heere het, die Mij vroeg zoeken zullen Mij vinden. Zoek niet naar het onbestendige goed, naar goud of naar zilver, want dat laat je ziel leeg. Wat de Heere Christus geeft is beter dan dat alles. Mijn vrucht is beter dan uitgegraven goud, en dan dicht goud; en Mijn inkomen dan uitgelezen zilver. Hij doet wandelen op de weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts; opdat Hij Zijn liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en Hij zal hun schatkameren vervullen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1976
Daniel | 20 Pagina's