GEEF REKENSCHAP....!
Impressies rond belastingen, sociale wetgeving en de vermogensaanwasdeling
Wie de Bijbel onderzoekt op het punt van ons bezit, zal ontdekken, dat nergens het bezit van geld en goederen wordt veroordeeld. Het is evenwel zeer duidelijk, dat ons bezit nooit absoluut is. Het grondbeginsel in de Heilige Schrift luidt: „God is de Schepper van hemel en aarde en daarom de Eigenaar van alle goed". De mens is door God als rentmeester van Zijn bezit aangesteld en hij zal dit op voorzichtige wijze moeten beheren en verzorgen.
Persoonlijk bezit
Dit Goddelijk eigendomsrecht komt o.a. tot uiting bij het verdelen van het beloofde land onder de stammen van Israël. Elke stam kreeg zijn deel toegescheiden. Binnen dit , , stam"-land was verkoop van grond toegestaan, maar, zo zegt de Heere in Lev. 25 : 23, „Het land zal niet voor altoos verkocht worden, want het land is het Mijne, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij Mij zijt". Heel duidelijk vinden we deze principiële beperking van het eigendomsrecht in het instituut van het jubeljaar: en jaar van rust voor het land. De eigenaar kon met het land niet doen en laten wat hij wilde, maar de grote Eigenaar gaf aan Zijn rentmeester de opdracht, op welke wijze hij met het hem toevertrouwde moest handelen.
Hoewel we in de Heilige Schrift nergens een afkeuring van persoonlijk bezit aantreffen, waarschuwt God ons wel tegen het gevaar van de rijkdom (in de psalmen, Jac. 5 : 1-6 en 1 Tim. 6 : 3-10). De man die zich beroemt op zijn vele goederen, wordt door Christus „dwaas" genoemd (Lucas 12). Maar met deze kritiek is het bezit als zodanig niet veroordeeld. Wanneer wij de eerste christengemeente bezien, de gemeente die door zovelen in deze tijd wordt aangehaald als bevestiging van de „communistische" idealen, dan lezen wij in Hand. 5, dat Petrus Ananias en Saffira niet veroordeelt, omdat zij nog iets voor zichzelf wilden behouden, maar omdat zij voorgaven alles aan de gemeente te hebben weggeschonken. Om hun leugens stierven zij. Er kunnen nog veel meer Schriftgegevens worden aangedragen, maar alle bevestigen ons uitgangspunt: od is Eigenaar van alles; de mens ontvangt zijn goederen, zijn bezit, zijn rijkdom uit Gods hand. Mijn rijkdom is niet het gevolg van mijn prestaties. Wanneer ik dit besef in mij omdraag, dan zal ik deze gaven Gods ook besteden tot Zijn eer en tot mijns naasten nut. Dan beaam ik ook wat Paulus zegt in 1 Kor. 7: De tijd is voorts kort, opdat die kopen, zouden zijn als niet bezittende; en die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante van deze wereld gaat voorbij”.
De Heilige Schrift geeft zeer duidelijke richtlijnen over de wijze waarop wij ons bezit verwerven. Het achtste gebod is kort, maar heeft een enorme reikwijdte. Wie er de Catechismus op na slaat in Zondag 42, leest daar een samenvatting van de vele Schriftgegevens. De normale wijze van verwerving van bezit is „dat ik getrouwelijk arbeide". De van God verboden weg is die van diefstal. En diefstal is niet alleen datgene wat door de overheid als diefstal wordt bestempeld; maar een hele reeks van sluipwegen die de mens heeft uitgedacht om zich ten koste van zijn naaste te verrijken, wordt hier tot verboden terrein verklaard. Onder „schijn van recht" kan
heel wat onrecht gepleegd worden en onder lange gebeden kunnen heel wat huizen der weduwen opgegeten worden!
Niet alleen degenen die hun naasten benadelen, zijn dieven, maar ook zij die hen niet bevoordelen, ja zelfs zij, die de nooddruftigen niet helpen. Gods ogen zien scherper dan wij menen. Gods ogen zien hen die in de handel een bedriegelijke maat hanteren; hen die met een te korte el uitmeten. De leuze „In de handel kan niemand eerlijk zijn", is een gruwel in de ogen des Heeren.
Gods ogen zien ons bezig onszelf goed in de spulletjes te zetten zonder ons te bekommeren om de minder bedeelden nabij en veraf.
Ons belastingbiljet
Gods ogen zien ons bezig de overheid het geld te onthouden, waarop zij recht heeft. En hoewel de overheid er eveneens voor dient te waken niet als „dief" bestempeld te worden door Gods wet, toch is dit voor ons geen reden om de overheid te bestelen. En dat doen wij, wanneer wij inkomsten (ook van overwerk of van in de vrije tijd verrichte werkzaamheden) verzwijgen in ons belastingbiljet; wanneer wij uitgaven opvoeren die wij nooit hebben gedaan, zodat ten gevolge van onjuiste kosten wij minder belasting betalen. Wij moeten in dezen ook eerlijk en onberispelijk zijn. God kijkt over onze schouder mee, wanneer wij ons belastingbiljet invullen. En het argument „Iedereen doet het", zal voor ons geen verontschuldiging zijn, wanneer wij eenmaal ook hiervan rekenschap moeten afleggen.
Een ander veel gehoord excuus is, dat de overheid het geld op niet verantwoorde wijze besteedt. Ter ontkrachting van dit argument verwijs ik onder meer naar Matth. 17 : 24 e.v. In dit Bijbelgedeelte gaat het over het betalen van de didrachmen, de tempelbelasting die tijdens de Romeinse overheersing doorbetaald moest worden aan de overheersers. Christus wist, dat dit geld niet werd besteed in de dienst van God, maar in de dienst van de afgoden. Maar, Hij betaalt! Immers, de overheid zal zelf zich eenmaal over de besteding moeten verantwoorden voor de Rechter van hemel en aarde.
Vcrmogensaanwasdeling (VAD)
Gods ogen zien ook de arbeidszonden. Zij zien tussen de stenen van de prachtige huizen het bloed van de arbeiders, dat roept tot de Heere Zebaoth. De arbeider toch is zijn loon waardig. De werkgever mag zich niet van aanvaardbaar klinkende of economisch noodzakelijk lijkende redeneringen bedienen om een rechtmatig loon in te houden: „Gij zult niet stelen!" De werknemer moet zich terdege bewust zijn van wat hem drijft en zich niet zonder meer door eigen verlangens en gevoelens van rechtvaardigheid laten meeslepen: „Gij zult niet begeren!"
En in dit kader dient het op dit moment zo in het middelpunt van de belangstelling staande wetsontwerp over de VermogensAanwas-Deling te worden geplaatst. Het principe dat in dit wetsontwerp tot uiting komt, luidt, simpel gesteld: De extra-winsten die een onderneming maakt, dienen niet alleen toe te komen aan degenen die geld in de onderneming hebben gestoken (de aandeelhouders), maar ook aan degenen die daarin arbeid verrichten (de werknemers). De onderneming is weliswaar eigendom van de aandeelhouders, maar het is niet redelijk om de overwinsten alleen aan hen af te dragen. Immers ook de verrichte arbeid heeft bijgedragen tot het ontstaan van deze overwinst? De uitwerking van het principe is evenwel niet juist. Volgens het ontwerp krijgen de vakbonden de zeggenschap over een nieuw op te richten fonds waarin deze overwinsten op een of andere wijze terecht komen. Dit is onaanvaardbaar. Wanneer een kabinet kennis en macht wil spreiden, dan dient zij niet op een bepaald terrein bij een belangen-
behartigingsgroep macht te concentreren. Een onafhankelijk orgaan lijkt mij meer aanvaardbaar. Een ander punt van kritiek is de besteding van de op deze wijze verkregen vermogensbestanddelen. De opzet van dit artikel laat mij evenwel niet toe dieper op deze en andere punten van kritiek in te gaan. Het huidige wetsontwerp schiet op deze wijze zijn doel voorbij.
Misbruik van de sociale wetten
Wat ook in de opzet van dit artikel thuishoort, is het misbruik en het oneigenlijk gebruik van de sociale wetten. Kan ik het met Gods gebod in overeenstemming brengen een werkloosheidsuitkering te aanvaarden en daarnaast door het verrichten van allerlei klusjes een inkomen te vergaren dat groter is dan is toegestaan krachtens de wet (20°/o)? Kan ik het om elk wissewasje in de ziektewet lopen in overeenstemming brengen met het getrouwe lijk arbeiden? Dit zijn enkele vragen die ik hier stel, maar ze zijn natuurlijk aan te vullen. Wél wil ik duidelijk stellen, dat ik hier niet doel op het op verantwoorde wijze gebruikmaken van de mogelijkheden die de wet ons biedt.
Het aantal voorbeelden van diefstal is legio. Breidt u ze zelf maar uit! We kunnen het evenwel zó stellen: Zolang de stelregel „Ieder is zichzelf het naast" ons leven beheerst, zijn wij, ondanks alle godsdienstigheid, puur wereldgelijkvormig en onbekwaam tot het Koninkrijk Gods.
Rentmeester-zijn
Aan gierigheid — het op verkeerde wijze bezitten van ons goed — en aan verkwisting — het op verkeerde wijze besteden van ons goed — ga ik nu voorbij. Een ieder onderzoeke zichzelf! Eén ding wil ik wél stellen: Als wij allen getrouwe rentmeesters waren, zou nooit enige tak van arbeid in Gods gemeente met tekorten hebben te worstelen. Dan wordt in de praktijk toegepast, wat de Catechismus ons leert: „Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzo handel, als ik wilde dat men met mij handelde, en opdat ik de nooddruftige helpen mag". Dan vragen wij niet, wat voor ons het nut is, maar dan letten wij op het nut van onze concurrent, onze ondergeschikte, onze baas, onze vijand!
Wie is tot deze dingen bekwaam? Heere, wanneer Gij met mij alleen al ten aanzien van dit gebod met mij in het gericht zoudt gaan, hoe zou ik dan voor U kunnen bestaan?
Het is een leven dat tegen de wereldwijsheid en tegen de neiging van ons hart ingaat. Zó te leven is het leven der bekering leiden, dat dwars tegen al het onze ingaat. En dan zijn we er niet vanaf door te zeggen „Ik ben niet bekeerd", want bij onze doop zijn wij vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Op iemand met een gedoopt voorhoofd rust ook te dezen aanzien een zware verantwoordelijkheid.
Hoe nodig is het te leren, dat wij geld en goed van de Heere geleend hebben en dat wij eenmaal rekenschap moeten afleggen van ons rentmeesterschap. Want als het goed is, weten wij, dat we in twee werelden leven. We hebben onze taak op de aarde eerlijk, nauwgezet en plichtvol te vervullen, maar ons leven dient te staan in de verwachting van het komende Godsrijk. We dienen een leesbare brief van Christus te zijn. Dan zal het ons eenmaal toeklinken: „Gij goede en getrouwe dienstknecht, dienstmaagd, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten; ga in in de vreugde uws Heeren!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 november 1976
Daniel | 20 Pagina's