DE HEERE REDT
Winter 1943
Winter 1943 Wat is het koud. Over de kale dijk waait een gure wind. Hij doet het water van de brede rivier nijdig rimpelen. Wat dunne sneeuwvlokjes zitten elkaar achterna in de loodgrijze lucht. Onderaan de dijk, net waar hij een tamelijk scherpe bocht maakt, schuilen een zevental huizen veilig weg aan zijn brede voet. De koude oostenwind, die van over de rivier komt aanwaaien deert hen niet. Even voorbij de scherpe kromming staat de kerk. Hij kan maar net met zijn toren en dak boven de hoge dijk uitkijken. Het leistenen dak ziet blauw van de kou en het haantje op de toren is dof van ellende. Geen wonder, 't is oorlog en het zal straks voor de vierde keer Kerstfeest worden in bezet Nederland.
De mandenmakerij
Bij één van de zeven huizen, die zo veilig weggedoken staan onderaan de dijk hoort een grote schuur. Er naast, netjes gebundeld, liggen dikke bossen hout. 't Zijn lange, taaie takken griendhout. Overal verspreid staan stapels manden, grote en kleine, ronde en vierkante. In de schuur zelf is het een grote rommel. Ook daar liggen bossen hout en staan tientallen manden, maar daar tussen slingeren half afgemaakte korven en manden. Een mes ligt achteloos weggesmeten in een hoek. Waarom is het zo'n rommel en waarom is er niemand aan het werk? 't Is pas elf uur, er gaat nu toch niemand naar huis? En als de mandenmakers ophouden met hun werk laten ze toch zo'n rommel niet achter?
Kaput
Op de brede rivier, die vlakbij de huizen aan de dijk een grote bocht maakt, vaart een boot. Vanaf de achstersteven hangt een dik kabeltouw met een flauwe bocht in het water. Het andere eind van dat touw zit vast aan een lang, diepgeladen schip. Langzaam hakkepuft het voorste scheepje de rivier af. In de kleine stuurhut staan twee mannen. Eén houdt het roer. Hij heeft een blauwe schipperspet op. Zijn ogen dwalen onrustig van het water naar de lucht. De ander is gekleed in het uniform van een Duitse korporaal. In de stuurhut van het achterste schip bevinden zich ook twee mannen. De man naast het roer is een Duitser. De ander draagt geen uniform. Zijn ogen dwalen ook onrustig van het scheepje voor hem naar de lucht. Net wil de kleine sleepboot de grote bocht gaan ronden, of uit de grauwe lucht duikt een zilveren vogel. Gierend slaan tientallen kogels in het achterste schip, net onder de waterspiegel. De vlugge vogel trekt in een scherpe bocht op en laat zijn kogels hagelen tegen de andere zijde van het schip. Nog twee keer wordt dit vreselijk spelletje herhaald, dan verdwijnt het vliegtuig even snel in de loodgrijze lucht, ais het gekomen is. In de stuurhut van de kleine sleepboot kijken de beide mannen elkaar aan. Bij de eerste aanval • zijn ze diep ineengedoken en zo blijven ze zitten. De Duitser ziet wit, in z'n ogen is angst. De man met de blauwe pet heeft ook niet veel kleur meer, maar in z'n ogen zijn toch pretlichtjes. Hij wijst naar buiten, naar het andere schip. Dat begint langzaam te zinken. , , Kaput", zegt de schipperspet lakoniek en haakt met een zwaai de kabel los, ze mochten eens meegetrokken wor-
den. De beide andere mannen zijn er ook goed afgekomen. Ze zitten in de kleine boot, die achteraan het getroffen schip hing en roeien zo snel mogelijk naar de sleepboot. Kijk en daarom is het zo'n rommel in de ruime schuur waar de manden gemaakt worden. Iedereen is, toen het schieten begon, weggehold naar het huis.
Het eiland
De rivier langs het dorpje, waarvan de kerk maar net boven de dijk uitkijkt is een zijarm van een veel breder water. Een heel eind vóór het dorpje, wel een kilometer of tien terug, heeft die grote rivier nog een zijarm. Die beide zijrivieren komen net voorbij de grote bocht bij elkaar en stromen samen als één water naar het noordwesten. Tussen de eigenlijke rivier en de beide zijtakken ligt" een groot eiland. Het is ongeveer 7 kilometer lang en 3 Va km. breed. Er groeien eeuwenoude bomen, die met allerlei andere bomen een dicht bos vormen. In het midden staat een geweldige reus. Hieronder hield men vele, veie jaren terug al rechtzittingen. Het eiland zelf wordt diep ingesneden door uitlopers van de rivier. De oevers zijn met riet begroeid. In een boot, goed verborgen tussen het riet, zitten drie mannen. Een klein olielampje verspreidt wat licht op de tafel waar ze omheen zitten.
„Hier moet geholpen worden”, zegt één de mannen, die Piet genoemd wordt. „Ze kunnen daar niet blijven zitten. Veel te gevaarlijk. Dirk, jij hebt de beste papieren van ons drieën. Jij gaat er morgen heen en probeert het rond te krijgen. Ik ga naar de mandenmaker en zal vragen of ze daar terecht kunnen.”
Vreemd, over wie hebben die mannen het en wat heeft de mandenmaker hier nou mee te maken? En waarom zitten ze niet gewoon thuis met elkaar te praten? Moet dat nou hier op dat eiland in zo'n oude schuit verborgen tussen het riet?
De omgekeerde mand
In het huis naast de mandenmakerij zitten drie mannen. Eén heeft het woord. Tegenover hem luisteren de twee anderen stil toe. „Nou Van Steeg, hoe denk je er over? " „Je overvalt me wel een beetje kerel", antwoordt Van Steeg bedachtzaam. Hij klopt zijn pijpje uit en vult het weer met eigen teelt. Rustig steekt hij de brand er in, duwt nog eens met het luciferdoosje op de kop, dan kijkt hij de man tegenover hem onderzoekend aan.
„Je vraagt me daar nogal niks. Een heel gezin te laten onderduiken hier en dan nog wel Joden, toe maar.”
„Een heel gezin”, zegt de ander wat verontwaardigd, „een heel gezin. Man, vrouw en een kindje van twee maanden.”
„Ja, ja”, zegt Van Steeg, „twee maanden. Dat kind zal wel eens huilen, denk je niet en iedereen, die langs loopt kan dat horen. Ik héb geen kleine kinderen meer. Er hoeft er maar eentje verkeerd te willen en zeg jij eens wat vrouw". Vrouw Van Steeg glimlacht even. „Ik denk zo, dat Amram en Jochebeth ook v/el eens bang zijn geweest, als hun kleine jongen huilde.”
„Ja, ja", knikt haar man, „ja, ja. Wanneer moet ik beslissen Piet? " „Maandagmiddag”.
„Kom je zelf langs om m'n antwoord? " „Beter van niet Van Steeg. Er zijn nogal wat Duitsers op het dorp deze dagen en mijn buurman is de laatste weken al te nieuwsgierig. Ik heb de middagdienst op de fabriek en moet om 1 uur beginnen. Als je plaats hebt voor die twee mensen en hun kindje, zet je maar een omgekeerde mand op het paaltje bovenaan de dijk. Ik zie dan, als ik langs fiets direkt je antwoord." „Goed Piet, " zegt de mandenmaker, terwijl hij zijn pijpje uitklopt. Als hij de deur achter zijn bezoeker dicht doet mompelt hij: „Geen plaats, dan geen mand.”
Geen plaats voor dat Kind
In de kerk, die met zijn toren en dak boven de dijk uitsteekt is de tussenzanggezongen. De mensen zetten zich weer tot luisteren. De kinderen weten: nu is de kerk bijna uit: „Gemeente, jongens en meisjes, " zo begint de predikant zijn toepassing. „Hebt u plaats voor die twee mensen en dat Kindeke? Of zegt u net als de mensen in Bethlehem: Nee, gaat u maar door, probeert u maar bij een ander. O, misschien hebt u wel plaats voor Jozef en Maria, maar dat Kind, daar gaat het nu om". Achter in de kerk snuit koster Van Steeg plotseling iets te hard zijn neus. „Geen plaats". In het vak waar de vrouwen en de meisjes zitten schuift vrouw Van Steeg onnodig
haar psalmboek opzij. „Geen plaats." Zou haar man het ook horen? Lang hebben zij vrijdagavond samen gepraat, maar tot een definitieve oplossing is het niet gekomen. Als dat kindje er maar niet bij was. Die beide grote mensen, och dat zou wel gaan, maar zo'n klein jongetje. Voor ze gisteravond naar bed gingen hebben ze de Heere gevraagd of Hij hun licht wilde geven in deze moeilijke zaak. En nu, o 't is alsof de dominee haar aanwijst: „Bij u ook al geen plaats? " „Ja!" wil ze wel hardop roepen, „ik ben al lang besloten. Maar mijn man, die " Veel hoort ze niet meer van de toepassing. Als de kerk uitgaat, haast ze zich naar huis. In grote spanning wacht ze op haar man. Ze zal niets zeggen heeft ze besloten. Hij moet beginnen. Wacht daar hoort ze hem komen. Maar waar blijft hij nou? O, ze hoort hem stommelen in het kleine portaaltje. De deur gaat open en daar komt Van Steeg binnen, een mand in zijn hand. „Ik zal hem maar gelijk op het paaltje zetten, vrouw, " klinkt zijn rustige stem. Vrouw Van Steeg ontroert ervan. Het kost haar heel wat moeite hem ervan te overtuigen, dat hij dat nu niet doen moet, zomaar overdag en op zondag. Dat zou in de gaten lopen, want wie heeft er ooit op Gods dag in dit kleine kerkse dorp met een mand lopen sjouwen!
De Zone Davids in een stal!
In de boot, verborgen tussen het riet, is het koud. Een kleine olielamp verspreidt wat licht over een kale tafel, waaraan twee jonge mensen zitten. In een grote kist, opgevuld met hooi en stro ligt een kindje, warm toegedekt door een wollen deken. Het slaapt heerlijk en heeft geen weet van zijn ongezellige koude omgeving.
„Jozef, hoe laat is het? " Voor de zoveelste maal kijkt de jonge man op zijn horloge. „Zeven uur, Mirjam. Nog twee uurtjes dan komt Dirk ons halen." Mirjam zucht. „Als het maar goed gaat. Als ons kindje maar niet wakker wordt. Moeten we weer in dat kleine bootje? Zou het ver varen zijn? ”
„Ik weet het niet, " antwoordt Jozef. „Zullen we nog een stukje uit het boekje lezen, dat Dirk ons gaf? ”
„Nee, ” zegt Jozef kortaf.
„Ja maar het was toch wel een mooi verhaal van die herders", weifelt Mirjam.
„De Messias wordt niet in een stal geboren. Dat hebben de Christenen ervan gemaakt. Het was niet goed van Dirk dit boekje te geven.”
„Vandaag is het voor de Christenen Kerstfeest, " zegt Mirjam zacht. „Dirk zei, dat het vanavond de beste tijd is om naar ons onderduikadres te gaan, want de Duitsers vieren ook Kerstfeest en zullen vast niet op mensenjacht gaan." Jozef balt zijn vuisten. Hij knarsetandt. O, hij haat ze! 't Is de schuld van de vijand, dat ze steeds opgejaagd worden van het ene adres naar het andere. Waar ze nu gebracht zullen worden en naar wie heeft Dirk niet gezegd. Wel dat ze weer moeten varen. Hij zal warme kleren meebrengen. Hij heeft ook voor de kist met hooi en stro gezorgd voor hun kleine jongen. Als Jozef aan zijn zoontje denkt, verdwijnt de haat uit zijn ogen. Hij knielt bij de kist neer. Even moet hij denken aan wat Mirjam vanmiddag gelezen heeft. Komt dat omdat er wat hooi naast de kist ligt? Hij rukt zijn schouders naar achter. „In een stal, " mompelt hij zacht, „de Zone Davids in een stal!”
Niet op mensenjacht?
Terwijl Jozef en Mirjam vol spanning wachten op het ogenblik, dat ze weggebracht zullen worden, maakt zich van de kade bij de melkfabriek een motorboot los. Langzaam slaat de schroef door het water. Zacht, bijna geruisloos ronkt de motor. Voor-en achterop het dek staan twee zoeklichten. In het ruime vooronder zit een tiental soldaten. Ze hebben geen beste bui. Wat mankeert hun kommandant om op Kerstavond zo'n opdracht te geven? ! Ze durven niet hardop te zeggen, wat ze denken, want de officier is een echte dienstklopper. Bijna onhoorbaar vaart de boot onder de brug door, die het eiland met de dijk verbindt. De dijk, die bij de mandenmakerij zo'n scherpe bocht maakt. Wie zei er, dat de Duitsers op Kerstavond niet op mensenjacht gaan?
Toch op mensenjacht?
Op het moment, dat de motorboot onder de brug doorvaart, stoppen even buiten het dorp twee legerauto's. Vlug en stil springt een dertigtal soldaten achter uit de bak en stellen zich in twee rijen op. Bij het dorp gekomen verspreiden ze zich. Wie zei er, dat de Duitsers op Kerstavond niet op mensenjacht gaan?
De schuilplaats
Bij de mandenmaker is alles in orde gebracht om de onderduikers te ontvangen. De schuilplaats, waarin al eens meer mensen verborgen waren, is voorzien van eten en drinken. Er is geen betere denkbaar. Vanuit de kelder, die voor driekwart vol staat met manden, is een gang gemaakt naar de dijk. In de dijk zelf is een gat gemaakt zo groot als een kleine kamer, alleen wat lager. Stevig gestut met zware balken is het een uitstekende schuilplaats geworden, die heel moeilijk te vinden is. De ingang vanuit de kelder is kunstig verborgen. Het Jodengezinnetje behoeft er niet altijd te zitten, alleen in tijden van gevaar. Dat zou trouwens niet kunnen, want je kunt het er hoogstens twee dagen uithouden.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 november 1976
Daniel | 14 Pagina's