JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

LAODICEA (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

LAODICEA (1)

LAUW ZIJN

4 minuten leestijd

LAUW ZUN „En schrijf aan de engel van de gemeente der Laodicenzen Ik weet, dat gij lauw zijt, en noch koud noch heet " Openbaring 3 : 14-17

Het feit van dat lauw-zijn.

Laodicea’s gemeente was de laatste gemeente in Klein-Azië waaraan de verhoogde Zaligmaker Jezus Christus een brief laat schrijven. In deze brief toont de Zaligmaker ook weer dat Hij de naam „Heiland" niet tevergeefs draagt (Zach. 9 : 9). Hij wil het zieke „heilen" = helen. Anders dan valse heilanden en zachte heelmeesters, die stinkende wonden maken en verderf veroorzaken, plakt Hij niet slechts een troostpleister over het zieke. Met het scheermes van een vlijmscherp, ontdekkend woord verwijdert de hemelse Arts de korst, die Laodicea's wond aan het menselijke oog onttrekt. Dat doet pijn. Dat weet Hij. Die handelwijze vloeit niet voort uit een lust tot pijn doen, maar uit Zijn liefde voor Laodicea (vs. 19). Hij heeft de genezing, het behoud van Laodicea en daarmee zowel hun heil als de Eer Zijns Vaders op het oog. Daarom maakt Hij het heimelijke openbaar. Daarom bestraft en kastijdt Hij Laodicea om haar lauwheid (vs. 19). De Heere heeft de Zijnen lief met een eeuwige liefde. Daarom kocht Hij Zijn gemeente, waarvan Laodicea een onderdeel was, met Zijn bloed. Daarom wekt Hij door Zijn Woord en Geest ook te Laodicea geestelijk doden op tot geestelijk leven Daarom waakt Hij over de vromen te Laodicea Daarom bestraft en kastijdt Hij de Zijnen vanwege hun lauwheid. Neen, het is geen haat tegen hun persoon, maar haat tegen hun leven, wat de Heere doet schrijven aan Laodicea dat Hij weet dat ze lauw zijn en wat hun te wachten staat wanneer dit niet verandert.

Het waarom van dat lauw-zijn.

Het waarom van het lauw-zijn lag in het feit, dat ze niet wisten, dat ze ellendig, en jammerlijk, en blind en naakt waren. Hadden de Christenen te L. geen historiële, verstandelijke, beschouwende kennis van het ellendig, jammerlijk, blind en naaktzijn als gevolg van het kind-van-Adam zijn? Dat is zeer onwaarschijnlijk. Maar historiële ellendekennis is nog geen bevindelijke ellendekennis. Slechts bevindelijke ellendekennis leidt tot hartelijke droefheid en innige schaamte over gekende en erkende ellende. Die verdrijft de natuurlijke „koudheid" over onze ellende en verwekt brandende begeerten naar verzoening en verlossing van de ellenden, die wc om der zonde wil onderworpen zijn. Daar kennen al de wedergeborenen iets van. Maar wanneer Gods kinderen tot de „bezittende" klasse gaan behoren als hun bezit groter wordt dan hun gemis als ze „gearriveerde Christenen" geworden zijn, die rijk en verrijkt zijn en geenszins gebrek hebben als ze zo goed bekeerd zijn in hun eigen oog, dat hun niets meer ontbreekt dan worden ze lauw. Geheiligde kennis van wat men in en door Christus bezitten mag, leidt niet tot valse gerustheid. Vermeend bezit leidt wel daartoe. Ware ellendekennis (een vrucht van de H. Geest) maakt en houdt arm. Zonder (voor het eerst of bij vernieuwing) ingeleefde ellendekennis is men rijk. Die ellendekennis is en blijft nodig om ons van koudheid en lauwheid te verlossen. Door Gods Geest verschafte zekerheid van bezit, gepaard gaande met door Gods Geest geleerde ellendigheid, maakt „heet", d.w.z. doet het hart

branden van liefde, doet blaken van heilige ijver om des Heeren wil te doen uit dankbaarheid. Dat ontbrak in Laodicea. Dat ontbreekt zeer velen, zowel buiten als in onze kringen. Vandaar zoveel koudheid en lauwheid.

Het gevaar van dat lauw-zijn.

In de buurt van Laodicea waren bronnen waaruit lauw water opborrelde. Ze waren berucht. Wanneer dorstige mensen daaruit dronken, spuwden ze het lauwe water weer gauw uit. Ze walgden van dat water. En terecht. Die walg gebruikt de Heere als beeld van Zijn walg van de lauwe Christenen te L. Het , , zo dan, omdat gij lauw zijt Ik zal U uit Mijn mond spuwen" informeert de lauwen te L. en overal ter wereld, dat ze zich in een hoogst gevaarlijke toestand bevinden. Ze lopen gevaar „uitgespuwd" te worden. Ook dit is beeldspraak. Het betekent, dat de Heere openlijk Zijn afschuw zal tonen over het leven van zulke Christenen. Indien we onder de „lauwen" önbekeerden in de gemeenten verstaan, die „meelevend" zijn, dan betekent dit, dat als ze zo sterven, zij èn in dit leven en na dit leven gestraft zullen worden om hun zonden. Wanneer we onder „lauwen", bekeerde mensen verstaan in een lauwe „stand" in het genadeleven, dan betekent de waarschuwing, dat wanneer ze zich niet van hun lauwheid bekeren, de Heere tijdens hun leven zijn heilig ongenoegen duidelijk zal doen blijken.

Vr. 1. Betekent het „och of gij koud waart" (vs. 15c), dat de Heere het „koud-zijn", het niet-meelevend-zijn, aanbeveelt? Vergelijk Ruth 1 : 11-13 en 15.

Vr. 2. Ga eens na of er sprake kan zijn van „uitspuwen" door de Heere in verband met lauwheid. Betrek hierbij het leven van enkele Bijbelheiligen die toch zalig werden (Simson, Salomo e.a.)

Vr. 3. Wat moeten we doen om van koudheid en lauwheid af te komen? Zie Openb. 3 vs. 18.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1976

Daniel | 16 Pagina's

LAODICEA (1)

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1976

Daniel | 16 Pagina's