ZORA DE ZEEHOND
Toe nou, durf nou !
Over de grillige witte ijsvlakte, waarin af en toe een stukje open water is te zien, kruipt een zeehondenbaby hulpeloos rond. Wanhopig roept het om zijn moeder. Angstig schreeuwt het om veiligheid en bescherming. Bevend rolt het zich op als de felle noordooster over hem heen loeit. Heel die grote ijsvlakte is in beweging. De horizon gaat golvend op en neer en tussen de witte wolkenflarden komt het heldere blauw van de poolhemel te voorschijn. Gouden zonnestrepen schieten flitsend over het ijs en toveren de mooiste kleuren te voorschijn.
Het is voorjaar en sinds enkele weken verlicht en verwarmt de zon die onafzienbare kap van glinsterend ijs.
Wat doet die hulpeloze zeehondenbaby in z'n witte jasje hier? Waarom komt zijn moeder niet om hem te laten drinken? Waarom duikt hij niet in één van die grote vijvers die er bij tientallen liggen in dat grote ijsveld? Daar in het klare koude water van de Noordelijke IJszee zal hij zeker zijn moeder terugvinden. Daar is voedsel volop, daar is veiligheid. Toe dan baby, laat je voorover vallen in dat heldere water en duik, duik diep naar de bodem, ga spelen met je vriendjes in de wonderlijk gevormde ijsgrotten, doe je bekje open en hap naar de vette, dikke garnalen, die bij honderden rondzwemmen. Toe nou, durf nou! Maar het zeehondenjong zet zich aan de rand van zo'n vijver angstig schrap, om niet in dat geheimzinnig klotsende donkere water te vallen.
Toen kwam de storm
In een sneeuwhol, waarvan de uitgang in zee uitmondt, werd Zora geboren. Zijn moeder scheurde het vlies open, waarin hij was gewikkeld en Zora haalde diep adem. Zijn witte pelsje was nat en moeder likte hem helemaal schoon. Toen wreef ze hem met haar voorvin droog. De kleine Zora rilde en bibberde zonder ophouden. Zachtjes drukte moeder hem dicht tegen zich aan, terwijl ze niets anders deed dan zijn bontjasje wrijven. Al gauw houdt het rillen en bibberen op en zoekt het zeehondenjong zijn buikje vol te drinken. Twaalf dagen doet Zora niets anders dan drinken, slapen en., zwemmen. Toen hij nog maar enkele dagen oud was, nam zijn moeder hem mee naar de rand van het ijs. Voor hij wist wat er gebeurde, lag hij in het water. Vlak onder hem bewoog het grote lichaam van zijn moeder. Het gaf Zora een veilig gevoel op die brede rug te liggen en direkt aapt hij alles na, wat zijn moeder doet. Hij klapt met de zwemvliezen van zijn achterpootjes en buigt zijn rugje van links naar rechts. Elke dag blijven ze langer onder water en al gauw kan hij hele stukken zwemmen zonder zijn moeder. Op het ijs leert ze hem hoe hij vooruit moet komen, hij leert zijn rugje te buigen en zich met zijn voorvinnen vooruit te trekken, terwijl hij zijn staartje en achtervinnen omhoog houdt. Telkens schiet hij met een ruk op zijn buikje over het ijs. Samen spelen ze in de helderlichte dag, als de zon het ijs doet glinsteren als kristal. Zora wilde wel dat er nooit een einde zou komen aan dat
vrolijke spel, aan dat leven vol plezier. Maar toen kwam de storm.
Alleen
Over de zee komt hij aanrazen, de felle noordooster. Hoog jaagt hij de schuimige golven voor zich uit, woedend smijt hij grote ijsklompen heen en weer en holler en hoger wordt de inktzwarte zee, die af en toe door een flard maanlicht wordt overgoten. Als de storm de ijsvlakte bereikt, schreeuwen en gillen tientallen zeehondjes van angst. Zora gilt boven allen uit. Hij is bijna zo rond als een bal en nog helemaal wit behaard. Rondom zijn kop en poten begint zijn pels wat te verharen. Straks zullen dé lichtgrijze, gekrulde haren te voorschijn komen. Onder zijn dikke bontjasje heeft hij een flinke speklaag, die alle kou buiten sluit.
Jammerend van angst voor de loeiende storm en het oorverdovende knallen en kraken van de ijsschotsen rondom hem, roept hij om zijn moeder. Heel zijn mooie wereldje is ineengestort. Met donderend geweld dreunen machtige ijsvelden tegen elkaar. De kokende zee stapelt ze moeiteloos op tot een geweldige ijsberg met grillige vormen. Onder Zora en zijn vriendjes gromt en grauwt de zee als een wild dier, dat in het nauw zit. Plotseling raakt het brok ijs, waarop Zora en een paar vriendjes bij elkaar zijn gekropen los en tolt in het rond. Kreunend van angst slaat Zora zijn vinnen in het ijs, hoog wordt de schots opgeheven. Gillend vallen drie, vier zeehondenbaby's in het donkere water. Als 's morgens de storm is geluwd en de wind is afgenomen, ligt Zora, als een hoopje achteloos weggeworpen sneeuw, tegen een hoge ijsheuvel aan. De schots waarop hij zich met al zijn krachten had vastgehouden, ligt vast verankerd tegen een grillig afgebrokkeld ijsveld. En diep beneden in het ijskoude water ligt zijn moeder op de bodem van de zee. Het kruiende ijs heeft haar gedood.
Twee lange jaren
Midden in een onafzienbare menigte zeehonden trekt Zora mee naar het Zuiden. Nu eens duiken de grijze robben diep onder, dan springen zij bij honderden tegelijk uit het water op, om met een enorme klap weer neer te petsen. De jongere dieren, waar ook Zora bij hoort, maken de wonderlijkste sprongen. Hun slanke, op torpedo's lijkende lichamen, vliegen als raketten door de lucht. De oudere dieren zwemmen apart en doen met al die capriolen niet mee. Duizenden en nog eens duizenden zeehonden spoeden zich in ijlende vaart voort door de brede Labradorstroom. Duikelend, springend, dartelend en krijgertje spelend, schieten de grijze dieren door het koude water. Het is nu twee jaar geleden, dat Zora op het ijsveld angstig om zijn moeder riep. Twee jaren, waarin hij een mooie sterke rob is geworden. Wat smaakten die eerste garnalen heerlijk, wat was hij trots, toen hij zijn eerste vis had gevangen. Wat een angst had hij uitgestaan, toen hij in wilde overmoed achter een school vissen aanjoeg en onder een dikke ijszoldering terecht kwam. Toen wist hij het: zeehonden kunnen ook verdrinken. Snakkend naar adem, met felle pijnscheuten in zijn hele lichaam was hij door een zeestroming in een nauwe spleet terecht gekomen. Met een laatste krachtinspanning was hij op het ijs geklommen. Wat een schrik, toen hij door een woedende ijsbeer werd aangevallen. Wat een felle pijn in zijn schouder, toen de harpoen van een jagende Eskimo hem trof. Wat een diepe angst, toen hij verward raakte in een net, dat met schokkende rukken omhoog werd getrokken. Worstelend om aan die wurgende greep te ontkomen, had hij bijna al zijn zuurstof verbruikt, toen hij hoog boven het wateroppervlak werd gehesen. Slap lag hij in de bundel touwen, maar hij leefde nog. Een paar keer haalde hij diep adem, toen een krachtige beweging, een geweldige stoot en de touwen braken en hij was vrij.
En nu, nu dartelt Zora vrolijk rond en jaagt met zijn soortgenoten door de winterse zee naar het einde van de lange zeereis, de Grand Bank, ten zuidoosten van New Foundland.
Opnieuw op reis
Een maand lang hebben Zora en zijn vriendjes gespeeld boven de Grand Bank, het onderzeese bergplateau. Op een mistige dag duiken er steeds koppen op uit het grijze water en staren
glinsterende ogen naar het noorden. Voor de avond is gevallen zijn er honderden zeehonden-vrouwtjes op weg naar de plaats, waar ze vandaan zijn gekomen. Daar zullen ze hun jongen werpen te midden van sneeuw en ijs. Niet lang na het verdwijnen van de wijfjes beginnen de oude mannetjes aan de terugreis, gevolgd door Zora en zijn makkers. Voort snelt dat machtige robbenleger en boven de Grand Bank halen duizenden kabeljauwen opgelucht adem.
Zora begrijpt er niets van
Op de grote ijskap, waar Zora twee jaar geleden hulpeloos achterbleef, wemelt het van zeehonden-babies. De kogelronde jongen in hun witte jasjes schreeuwen dag en nacht om voedsel. Als ze niet drinken liggen ze lui tegen een hoopje sneeuw, alleen hun zwarte neusje en de donkere oogjes vertellen dat ze geen sneeuwheuveltje zijn, of spelen met hun soortgenootjes. Zora slaat vol belangstelling het leven in de ijzige kinderkamer gade. Lang niet alle moeders hebben jongen geworpen. Tientallen vrouwtjes zijn nog bezig een sneeuwhol te maken, met een uitgang naar de veilige zee. Waarom? Wie zou die mooie witte kinderkamer kapot willen maken? Wie zou die vrolijke, ronde babies kwaad willen doen? Niet nodig zo'n uitgang naar zee? Wat komen die mannen dan doen, die van schots naar schots springen en al dichterbij de robbenkolonies komen? Voor vele babies is het te laat om door hun moeder in zee geduwd te worden. O, kijk nou eens!
Eén van de mannen zet een klaptafeltje uit, een paar andere mannen maken brandijzers gereed en de rest van die tweebenige wezens gaat jacht maken op de hulpeloze babies. De moeders zijn angstig het water ingedoken. Lachend pakken de mannen de ineengedoken zeehondjes op en leggen ze op het klaptafeltje. Daar krijgen ze een merk in hun nek dat door het brandijzer in hun witte vacht wordt geschroeid. De verkoolde haren worden weggewreven en een stukje van de huid wordt helemaal schoongebrand. Als een baby boos wordt en gaat snauwen krijgt het een zachte tik op zijn zwarte neusje en zijn tegenstand is gebroken. Het heeft geen pijn gedaan en erg geschrokken is het zeehondje ook niet. Als de man, die het klaptafeltje opzette, wat in een groot boek heeft geschreven, krijgt de kleine witpels een metalen plaatje aan één van zijn achterpootjes. De operatie is achter de rug en Zora ziet tot zijn grote verwondering, dat heel wat babies na hun behandeling weer terughobbelen naar de mannen en daar lelijk in de weg lopen. Zodra de mannen naar een volgende schots gaan, komen de angstige moeders op het ijs om hun schreeuwende jongen hun buikjes vol te laten drinken. Zora's voorhoofd rimpelt van verwondering. Waarom doen die mannen dat?
Een me edogenloze jacht
De mooie dagen vol zon en licht zijn voorbij. Een week na het bezoek van de mannen met hun brandijzers en plaatjes komt er een dag, dat de zon zich schuil houdt en een felle wind over de ijzige kinderkamer fluit. De zeehonden hebben het nu pas echt naar hun zin en buitelen en dartelen naar hartelust. Honderden babies scharrelen rond op de schotsen en schreeuwen zoals gewoonlijk om hun moeders.
Middenin een luie geeuw verstrakt plotseling het lichaam van Zora. Door het ijs heen voelt hij een vage trilling, die niet door golven of wind wordt veroorzaakt. Hij heft waakzaam zijn kop op en staart in de verte. Het trillen houdt aan en Zora hobbelt naar de rand van de schots. Een rookpluim verwaait in de steeds donker wordende lucht. Een groot schip vaart langzaam, de ijsschotsen kapotbrekend, in de richting van de robbenkolonies. Zora glijdt zonder gerucht te maken het water in. Vele andere zeehonden volgen. Vlak bij het grote ijsveld, waarop honderden jongen zijn geboren en dat doorsneden wordt door tientallen geulen, gaat het anker overboord en zetten een vijftig man sloepen uit. Ze roeien naar de rand van het ijs, springen uit hun bootje en gaan gewapend met lange stokken, op weg naar de robbenkolonies. Elke stok eindigt in een scherpe speerpunt, waaraan een gemene weerhaak is bevestigd. Eenmaal op de schots verspreiden de mannen zich en gaan
twee bij twee aan het werk. De eerste slaat met één slag een zeehondenbaby dood, zonder zijn witte jasje noemenswaard te beschadigen. De tweede rukt, na één snee met zijn scherpe mes, de huid af en rijgt de pels aan een draad, die achter hem aan sleept over het ijs. Tien, twintig, dertig zeehondjes worden in enkele minuten wreed gedood. Steeds zwaarder wordt de lijn, die iedere tweede man achter zich aansleept, steeds vlugger slaat de wrede speer van elke eerste man neer op de hulpeloze jongen. Zora, nieuwsgierig als elke zeehond, duikt steeds op en staart naar het vreselijke dat er gebeurt. Waarom doen die mannen dat? Waarom wordt die man met die lange stok zo kwaad, dat hij lelijke woorden schreeuwt en het jong, dat hij wilde doden, met zijn zware laars nijdig wegduwt. Zora heft zijn kop wat hoger. Dan ziet hij aan één van de achterpoten van het jong een metalen plaatje blinken. Wordt het daarom niet gedood? Hij hoort de man roepen: „Alweer zo'n gemerkt mormel, als ik er nog één tegenkom, sla ik hem toch dood, plaatje of geen plaatje." En verder gaat de man, meedogenloos dodend tot de sirene van de boot hen roept te verzamelen en op te houden met hun vreselijk werk. Daar gaan de mannen, met aan hun lange lijnen de jasjes van honderden zeehondenbabies. Pelzen van onschuldige weerloze dieren. Daar gaan de ruwe kerels, wier werk het is te doden zoveel maar mogelijk is. Te doden onschuldige, weerloze dieren, omdat de bonthandel fortuinen verdient aan de witte pelzen van de zeehondenbabies. Duizenden en duizenden worden er elk jaar gedood, alleen de gemerkte jongen ontsnappen aan deze wrede slachtpartij. Dat hebben de mannen van de wetenschap, die het doden niet tegen kunnen gaan; gevraagd. Zo proberen die mannen iets te weten te komen over de trek van de robben, die in het hoge noorden van New Foundland werden geboren.
Nog eenmaal heft Zora zijn kop omhoog en kijkt de mannen na. Zijn donkere ogen staren de vlakte over, waar ivoormeeuwen en stormvogels vechten om de karkassen van de zeehondenbabies. Dan duikt hij onder en zet koers naar de open zee.
Vrij verteld naar „Een duiker uit de Poolzee”.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 oktober 1976
Daniel | 16 Pagina's