GELOFTEDAG
Zo begon het.
1602 Oprichting van de Oost Indische Compagnie. Op weg naar „de Oost" wordt St. Helena aangedaan als verversingsstation.
1651 Jan Anthonisz. van Riebeeck wordt door de Heren XVII aangesteld als koop-koopman.
Op 4 april 1652 zet hij met zijn gezin voet aan wal op „de Kaap" en sticht daar een fort en bouwt een paar huizen. Binnen 10 jaar is „Kaapstad" onmisbaar alü aanloophaven en verversingsstation voor de koopvaardijschepen van de Compagnie op hun route naar Indië. Dat was het begin!
„De Grote Trek”.
„Moeder”.
„Ja, mijn jongen”.
„Moeder ik heb zo'n dorst”.
In een hotsende, schokkende ossenwagen bukt een vrouw zich over haar zieke kind. Een hete zon doet de helblauwe lucht trillen van de hitte. Rondom de met 12 ossen bespannen wagen warrelen stofwolken. Hij is de middelste van een rij van elf.
Een goede zeshonderd meter achter de laatste wagen volgen er nog een stuk of dertig. In bijna elke huifkar zijn één of meer zieken. Driemaal is er in de harde grond een graf gedolven. Toch trekt de grote, lange rij wagens stug door. Niets houdt ze tegen, geen bruisende rivieren, geen metershoge stofwolken. geen steile bergpaden, geen hitte en geen ziekte. In de middelste wagen drinkt de zieke jongen gulzig van het water, dat moeder hem geeft. Het is lauw en troebel. Een benauwde lucht hangt in het overvolle vertrek met zijn zoldering van zeildoek. Ergens achterin is de huif gescheurd en met een klapperend geluid slaat het doek tegen de zijkant van de wagen. Wat moeten al die huifkarren hier? Wat doet al dat blatende en loeiende vee in de achterhoede? En die mannen te paard met hun breedgerande hoeden en gevaarlijk uitziende geweren? Zijn al die mensen met hun vee en huisraad soms op de vlucht? Voor wie dan? Waarom trekken ze toch zo gestaag voort? Waarom hebben ze niet uitgespannen enkele tientallen kilometers terug?
Daar links van het gebergte, dat ze nu overtrekken is een onafzienbare vlakte met mooie bomengroepen en vriendelijke riviertjes en mals gras! Vreemd, ze rijden maar door, steeds verder het noorden in. Waarom?
Het Voortrekkers Monument.
„Wat was dat prachtig vader. Ik had er nog wel uren rond kunnen kijken". Op de brede trappen voor het grote, stenen gebouw, dat hoog buiten Pretoria oprijst staat Albert Verwijs even stil. Hij draait zich om. Ah wat een prachtig beeld toch van die Voortrekkersvrouw met haar kinderen! Geen wonder, dat juist dit beeldhouwwerk een ereplaats heeft gekregen voor het Monument. Wat een moed en strijdlust hebben de vrouwen getoond. En de kin „Kom, jö", dringt meneer Verwijs aan, „we moeten naar huis". Met tegenzin loopt Albert de brede trap af. Hij heeft tenminste zijn kaarten nog. Hij heeft er bijna al zijn zakgeld aan besteed. Van elk paneel één. Zeven en twintig. Vanavond gaat hij ze nog eens allemaal bekijken. Dan gaat „die Groot Trek" weer leven, dan ziet hij Retief en Potgieter hun heldendaden weer verrichten, dan trekt hij mee met de door malaria geteisterde karavaan van Louis Trichardt, dan hoort hij dc wrede koning Dingaan bevelen: „Sla dood de tovenaars!", dan zal hij......
„Vegkop”.
„Kijk moeder, op deze kaart kun je zien dat Piet Retief beëdigd wordt als gouverneur van alle Voortrekkers, die vanuit Kaapstad naar het noorden zijn getrokken.
Toen de Kaap veroverd werd door Engeland zijn heel aan het begin van de 19de eeuw Hollandse kolonisten gaan trekken naar het noorden. Daar was nog onbewoond land genoeg. Bij de Vetrivier — ziet u hier op deze kaart — komen de leiders van de Voortrekkers bijeen. Ze willen, voor ze verder trekken een regering vormen en Piet Retief wordt hun gouverneur. Kijk, hij knielt hier en houdt zijn hand op de Bijbel. Die man links is Smit, de zendeling en dat zijn Uys, Potgieter, Maritz en Sarei Cilliers”.
Hè, Albert moet even ademhalen. Hij heeft zijn kaarten allemaal op tafel uitgespreid.
„O ja, eigenlijk moet ik dit eerst laten zien. Kijk hier heb je Louis Trichardt. Die was de eerste. Hij heeft veel tegenslag gehad, door de malaria. Bijna de hele groep is aan die ziekte overleden. Erg hè? ”
Albert legt de kaart, waarop Trichardt staat afgebeeld opzij.
„Na hem kwamen Hendrik Potgieter en Sarei Cilliers. Kijk eens naar deze kaart. Daar zie je de vrouwen en de kinderen geweren laden en kogels gieten. Kijk daar die vrouw, die schiet over de huif van de wagen heen. Nou Potgieter had de wagens in een kring laten zetten, maar ze konden hun vee en hun trekossen niet in het lager brengen. Daar was de kring te klein voor. De Matabelen hebben al die dieren gestolen. Na een hevig gevecht trokken ze terug met hun buit. Maar Potgieter kon niet weg, want er waren geen ossen meer. Gelukkig kwam Gerrit Maritz hem te hulp. Weet u hoe ze die plaats noemen? „Vegkop". Op dit landkaartje kunt u zien waar het ligt, even ten zuiden van de Vaalrivier.
Naar Transvaal.
Langs de rand van het Magaliegebergte trekt een grote karavaan wagens. De buffelleren zwepen knallen boven de ruggen van de zwoegende ossen. De wielen van de zwaar beladen huifkarren knarsen en kraken, stof wolkt op, stenen raken los en rollen de hellingen af naar de diepte. Zonder ongelukken bereikt de lange rij wagens de Olifantsrivier. Wekenlang gaat de tocht verder tot aan de rand van het Zoutpangebergte, tot aan de plaats, die nu Louis Trichardt heet. Daar komt de karavaan tot rust. En daar aan het einde van een veelbewogen loopbaan sterft Hendrik Potgieter, 58 jaar oud. Nadat Retief besloot om naar Natal te gaan, naar de kust, trok Potgieter naar het noorden. „Jij gaat mij nog te dicht bij de Kaapse regering wonen", zei hij. „Je zult zien, dat de Engelsen vanuit zee Natal zullen bezetten en wat dan? Ik trek de Vaal over". Wat heeft hij moeten vechten tegen de wrede Matabelenstam! Samen met Pieter Uys en vele andere dappere Voortrekkers heeft hij overwonnen en rust gevonden in Transvaal. Daar ligt hij begraven, maar in Pretoria „leeft" hij en met hem duizenden mannen, vrouwen en kinderen nog voort, in marmer gebeiteld, in de Heldenzaal van het Voortrekkers Monument.
Natal.
„Trrek”. Knallend met de meterslange zweep vuurt Daan Cilliers zijn ossen aan. Deze spannen hun spieren en buigen de sterke nek. Langzaam en uiterst voorzichtig klimt een rij van bijna duizend wagens de hellingen op van het Drakengebergte. Daar, op dat woeste steile gebergte komt de grote karavaan tot stilstand. Gevolgd door Gerrit Maritz en Sarei Cilliers trekt Retief naar Natal. Daar woont Dingaan, de koning der Zoeloe's. Wreed en onbetrouwbaar is zijn karakter. Met ijzeren vuist regeert hij en met haat in zijn hart ziet hij ze komen, de Boeren, de Voortrekkers. Hij kan het niet verkroppen, dat een handjevol blanke mannen de zo gevaarlijke Matabelen uit Transvaal hebben verdreven. Hij, de machtige Zoeloevorst, heeft niet zo lang geleden de Matabelen aangevallen. Zonder sukses. En nu komen die blanken onderhandelen. Hij zal ze vriendelijk ontvangen, hij zal net doen alsof hij vriendschap met hen wil sluiten, maar in zijn hart brandt de haat. O, Retief pas toch op, vertrouw hem niet. Maar de leider van de voortrekkers is vol vertrouwen. En blij klinkt zijn stem: „Inspannen mensen, op naar Natal. Dingaan heeft ons vriendelijk begroet. Kom, langs de Blauwkransrivier zullen we onze lagers bouwen". Dan trekken ze voort, de dappere mannen, vrouwen en kinderen.
Straks zullen ze mogen rusten in dat mooie land, waar overvloed is voor mens
en dier. Dan zullen ze dat land bewerken en huizen bouwen. Rust, eindelijk rust. Daar gaan ze Natal in. De achterwielen zijn van de wagens genomen.
Grote takkenbossen komen in hun plaats en zo „glijden" ze naar beneden, de bijna duizend wagens. Daar komen ze bij de rivier en spannen uit. Natal, wat klinkt dat mooi, hier zullen ze gaan wonen, hier is hun thuis.
Huistoe.
Niet ver van de hoofdstad van Zoeloeland kamperen een stuk of zeventig Voortrekkers. Ze zitten rustig met elkaar te praten. Nog één nachtje, dan gaan ze naar huis. Ze hebben het door kaffers geroofde vee teruggebracht aan Dingaan, de koning der Zoeloe's. Vriendelijk zijn ze ontvangen en vandaag heeft Dingaan een papier getekend, waarin staat, dat hij de Voortrekkers Port Natal en al het land van de Tugelarivier tot aan de Umzimvuburivier in eigendom schenkt. Retief heeft het kostbare dokument in zijn zak gestoken. „Zie je nu wel", zegt hij. „Jullie vertrouwden de Zoeloekoning niet, maar ik heb gelijk gekregen. Kom we gaan slapen. Morgen gaan we „huistoe”.
„Maak dood die tovenaars”.
Op het grote veld, vlak bij Dingaanstad dreunen duizenden voeten in een wilde dans. Zwaaiend met hun assegaaien, wiegen duizenden zwarte lichamen in eendere bewegingen heen en weer.
Langzaam, heel langzaam beweegt de grote kring van die dansende en schreeuwende krijgers dichter naar de groep Voortrekkers toe, die met grote aandacht naar het schouwspel kijkt.
Dingaan heeft hen uitgenodigd om nog eens naar de dansen van zijn soldaten te kijken. De geweren hebben ze achter gelaten, zo wil het de hofetiquette.
Steeds nauwer wordt de kring en nog ziet Retief het gevaar niet. Dan, plotseling staat de koning op: „Maak dood die tovenaars" brult hij.
Overweldigd door die duizenden bloeddorstige krijgers zijn de Boeren machteloos. Op een heuvel buiten de koningsstad worden ze met stokken en stenen om het leven gebracht.
Gered.
Op een kleine heuvel staan een stuk of tien ossewagens in een kring. Tussen de wielen steken takken met scherpe doorns. Verwoed wordt er gevochten. De kruitdamp stijgt op, het geknetter van geweervuur overstemt soms het geschreeuw van de aanvallende Zoeloe's. Veertien mannen met hun vrouwen verdedigen met heldenmoed het kleine lager. De kinderen vechten dapper mee, ze gieten kogels en laden de geweren. Toch zullen ze het niet lang meer vol kunnen houden, de dapperen, het kruit en de kogels raken op. Wie, wie zal het wagen door de horde van Zoeloe's heen te breken en uit een verlaten wagen, niet ver van het lager vandaan, kogels en kruit te halen? „Ik zal gaan", zegt plots een stem. Wie is die dappere Voortrekker? Och, 't is nog een jongen, hij is amper 15 jaar oud.
„Kijk, moeder”, zegt Albert, „hier heb je hem. 't Staat er onder, ziet u wel?
„Marthinus Oosthuysen se heldedaad”.
De Grote Gelofte.
„Heere, als Gij ons de overwinning zult geven, zullen wij en onze kinderen tot in de verre toekomst deze dag als een Sabbath en een dag van dankzegging eerbiedigen".
Het is 9 december 1838. Plechtig klinken deze woorden over de hoofden van meer dan 450 Voortrekkers, die de hoed in de hand, eerbiedig staan te luisteren.
Na de vreselijke moord op de lagers en kampen langs de Blauwkransrivier, door de woeste krijgers van koning Dingaan, is besloten Dingaan zijn verraad te straffen. Grote heldendaden zijn die vreselijke nacht verricht, de naam van Marthinus Oosthuysen staat gegrift naast die van Potgieter en Retief. Gruwelijke tonelen hebben zich afgespeeld, want de Zoeloe's kenden geen genade. Enkele dagen later worden de Voortrekkers bij Italeni verslagen door een overmacht van Zoeloe's. Oh, zullen ze nu Natal moeten verlaten? Moedeloos zitten de dappere Boeren bij de pakken neer. Maar hun vrouwen sporen hen aan te blijven. Het onschuldig bloed dat bij Blauwkrans vergoten werd, mag niet ongewroken blijven.
En daarom zijn ze hier bij elkaar. Daar staat hij, de Kommandant - Generaal Andries Pretorius. Zijn hele kommando bestaat uit 464 man. Moet dat handjevol optrekken tegen de 20.000 dappere Zoeloekrijgers en hun wrede koning Dingaan?
Hoe kan dat nou, 't is toch geen wonder dat de dappere Voortrekkers moedeloos zijn? Maar kijk, wie komt daar naar voren? Wie gaat daar bovenop het affuit
van dat kanon staan? Is dat Sarei Cilliers niet? Hoor eens wat hij zegt tegen dat kleine groepje mannen: „Vertrouw op de Heere en Hij zal het maken". Ah, dat geeft de meest moedeloze moed, dat vervult de meest krachteloze met nieuwe kracht. Plechtig en duidelijk klinkt daar de Grote Gelofte, die iedere avond — een week lang — wordt herhaald. „Heere, als Gij ons de overwinning zult geven”.
De slag aan de Bloedrivier.
In het grote lager van Pretorius is het stil. Toch slaapt er niemand. Met het geladen geweer in de hand wacht het kleine kommando op de strijd, die komen zal.
Vijfhonderd tegen twintigduizend. „Heere, als Gij ons de overwinning geeft". En zie, God strijdt al voor dat handjevol Voortrekkers. In het machtige leger van de wrede koning Dingaan heerst onenigheid. De oude en de jonge generaals hebben ruzie over de vraag, hoe ze de Boeren zullen aanvallen. En kijk toch eens! Wat zeer zelden gebeurt zo middenin de zomer, dat gebeurt nu. Tussen het optrekkende leger van de vijand en het kamp van Pretorius golft een dichte nevel. Hij verhindert de Zoeloe's in de nacht de aanval te ondernemen! Wees maar gerust wakkere Voortrekkers, de overwinning zal zeker zijn. En ze hébben overwonnen! Die gehele dag scheen de zon, het buskruit is droog gebleven. Gode de eer, want de kans op regen is in december heel groot. Dingaans leger is verpletterend verslagen. De rivier, waarbij Pretorius zijn kamp had gemaakt werd rood van het bloed der Zoeloe's. Bloedrivier!
Geloftedag.
„Kijk, moeder hier ziet u hoe de Voortrekkers Natal weer verlaten. Potgieter heeft gelijk gekregen. Engeland heeft Natal tot zijn gebied verklaard. En op deze kaart kunt u zien, dat de onafhankelijkheid van Transvaal door Engeland wordt erkend. En twee jaar later, in 1854, wordt. Oranje-Vrijstaat onafhankelijk. Zo hebben de Voortrekkers een land gevonden, waar ze in vrede konden leven". Albert zucht ervan. „Dat heb ik nou allemaal in de Heldenzaal van het Voortrekkers Monument gezien", besluit hij. „Maar je hebt toch nog een kaart", zegt moeder. „O ja, dat is een foto van de Senotaaf. Dat lijkt net een altaar of een graftombe. Er staan ook woorden op, ziet u wel? Hier kun je het goed lezen: „Ons vir Jou Suid-Afrika". Boven in het gebouw is een koepel, daar zit een opening in. In de zomer valt er een lichtstraal door en die vormt een ronde plek op de muur. Precies op 16 december, om 12 uur, heeft die plek de woorden bereikt op de Senotaaf. Dit gebeurt maar op één dag van het jaar, op GELOFTEDAG", 't Blijft even stil, Moeder kijkt nadenkend naar Alberts laatste kaart. Ze draait hem om. Er staan nog een paar regels op de achterkant. „Lees ze eens voor, Albert”.
„Mag ons steeds ons oë rig op Hom wat ons lotgevalle so wonderlik bestier het oor die jare wat verby is".
„Want ons Vader daarbo het Sy Hand aan die rad en Sy Oog op die uiterste draai van die Pad”.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 september 1976
Daniel | 24 Pagina's