JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

DE REIGERVEREN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE REIGERVEREN

Bewerkt naar een historisch verhaal.

11 minuten leestijd

Is dat William, die daar staat naast de schuur? Nee, toch niet. Opeens voelt ze dat de Indiaan haar aankijkt. Hij gaat helemaal rechtop zitten en vraagt: „Wie bent u, goede vrouw? "

„Ik woon daar op de hoeve, " gebaart Mary zonder haar naam te noemen. „En u, bent u ziek? "

De Indiaan schudt het hoofd. „Ik was een ongelukkige jager. Ik heb grote honger en dorst geleden. Maar u hebt mij redding geboden." Dankbaar kijkt hij haar aan. Dan vervolgt hij op vragende toon: „De boer van die hoeve is uw man? "

Mary knikt. Ze voelt dat de Indiaan haar peinzend aankijkt. Bijna krijgt ze een kleur. Hij begrijpt het, snapt ze. Hij weet dat ik hier stiekum ben.

Ze staat op, slaat het stof van haar rok en zegt: „Ik ga nu. Het eten en drinken kunt u meenemen. Kunt u het verder redden denkt u? Kunt u weer lopen? "

De Indiaan staat op, als om te bewijzen dat hij weer hersteld is. Hoog torent hij boven Mary uit. Ze ziet aan hem dat hij nog wat zeggen wil.

„Caroochee zal de witte duif voor de klauwen van de adelaar beschermen. Om harentwil zal het. onervaren jong in zijn nest veilig zijn. Caroochee zal zich niet wreken!" zegt hij plechtig. Van de jachtattributen die om zijn middel zijn gebonden, neemt hij opeens een bos reigerveren. Hij zoekt er zorgvuldig de grootste veren uit en geeft die aan Mary. Zonder de zin van zijn woorden nog te begrijpen, neemt Mary de veren aan, want ze begrijpt dat dit gebaar een dankbetuiging is.

Maar Caroochee zegt nog meer: „Als de doffer van de witte duif over de Indiaanse jachtvelden vliegt, verzoek hem dan deze veren te dragen !" Hij wacht Mary's antwoord niet meer af, maar pakt het eetgerei bij elkaar en verdwijnt dan tussen de pijnbomen aan de andere kant van het pad. Binnen een paar sekonden is hij uit het oog verdwenen.

Die avond moet Mary steeds aan de woorden van Caroochee denken. Ze heeft niets tegen William gezegd. Hij is zelf ook wat stil, vindt Mary. Af en toe dwalen Williams ogen onrustig rond en later neemt hij zijn geweer van de spijker en kijkt het goed na. Spreekt zijn geweten?

Niet dat zij zelf rustig is O nee! De woorden van Caroochee gonzen door haar hoofd. Nu pas begrijpt ze dat ze door de Indiaan te helpen aan een groot gevaar ontsnapt zijn. Caroochee wilde wraak nemen, maar nu zal hij dat niet doen. „Caroochee zal het onervaren jong in zijn nest — George bedoelde hij — beschermen voor de klauwen van de adelaar", had hij immers gezegd. En Mary weet, dat een Indiaan nooit een belediging vergeet, maar ook nooit een daad van barmhartigheid. De reigerveer heeft ze in de linnenkast verstopt. Die is voor Wililam bedoeld, begrijpt ze. Voor de doffer van de witte duif

Onrust

De weken die komen zijn heel druk voor Mary en William. Ze moeten allebei hard werken om het

koren en het hooi op tijd van het land te hebben. Maar de oogst is prima. Dat vergoedt wel! Pas als de pompoenen zijn opgehangen in de schuur komen ze een beetje tot rust. De dagen worden nu wat korter en hier en daar beginnen al wat bladeren te kleuren. , , 't Wordt zo langzamerhand tijd om eens over de grote drijfjacht te gaan denken, Mary!" zegt Wililam op een avond. Ze zitten beiden in de keuken en William heeft de lamp al aangestoken.

Mary legt haar breiwerk neer. „Ja, William, dat is zeker! Ik zal morgen je kleren nog eens nakijken".

„Ja. De volgende keer als ik naar het dorp ga, zullen de mannen me er wel over aanschieten, denk ik."

Mary kijkt hem even aan, niet zonder trots. Ze weet dat hij een van de dapperste mannen van de Engels-Amerikaanse nederzetting is. Hij is heel bedreven in het gebruik van de wapens en onvermoeibaar tijdens de achtervolgingen van het wild. Ook is hij niet bang voor de onverhoedse aanvallen van de Indianen, die de pijnbossen beschouwen als hün jachtterrein.

Ze pakt haar breiwerk weer op. Razendsnel tikken de naalden heen en weer. Ja, die Indianen, piekert ze. Nu wordt het misschien tijd om de reigerveren te gebruiken. Maar William weet nog nergens van! Door de drukte van de laatste maanden is de gedachte aan Caroochee wat op de achtergrond geraakt. Zal ze nu toch moeten spreken? Mary weet niet, dat William, zwijgend tegenover haar, ook steeds aan de Indiaan moet denken. Hij voelt zich niet zo gemakkelijk. Indianen vergeten nooit iets en stel je voor dat hij nu toch wraak wil nemen. Een tijdlang zitten ze zwijgend tegenover elkaar. Dan begint William aarzelend:

Mary, soms denk ik wel eens die Indiaan, waarover ik je vertelde zou die geen wraak willlen nemen? " „Ach, dan had hij het al wel gedaan, William, " antwoordt Mary rustig.

„Tja, dat dunkt mij ook. Maar toch, nu ik op de jacht ga " Hij staat op en begint de keuken op en neer te lopen. Dat doet hij alleen als hij zich onzeker voelt, weet Mary.

„Nu de jacht dichterbij komt, valt het steeds op me, Mary. Ik moet er niet aan denken, wat er allemaal gebeuren kan. Wij kunnen in het bos overvallen worden of de hoeve kan in brand gestoken worden. Ik denk er over een logeeradres voor jou en George op te zoeken. Ik wil niet dat jullie hier alleen achterblijven."

„Maar de kippen dan, William? En de andere dieren? Die kunnen toch niet alleen blijven? " werpt Mary tegen. „Heus, ik blijf liever hier."

William staat stil en kijkt haar aan. „Je doet alsof je helemaal niet bang

bent!" zegt hij verbaasd. Mary haaldt diep adem. Dan zegt ze: „Dat ben ik ook niet!"

„Hè? En je zei zelf, dat ik die Indiaan had moeten helpen. Je had gelijk, dat weet ik nu ook "

„En tóch ben ik niet bang, William. Er is iets eigenlijk had ik je dat al eerder moeten vertellen." „Ze kijkt hem recht aan opeens, dapper en toch schuw. „Ik had alles gehoord, wat je tegen die Indiaan had gezegd. Ik keek hem na en zag hem vallen op 't pad. Toen heb ik hem melk en brood gegeven "

William zit haar sprakeloos aan te kijken, maar er is geen boosheid in zijn blik en daarom gaat ze vlug verder: „En ik heb wat gekregen van Caroochee, die Indiaan. Een paar reigerveren. Die zijn voor de doffer van de witte duif, voor jou, William. Als je gaat jagen op de Indiaanse jachtgronden. Hij zal jou dan sparen."

Haar man gaat voor het raam staan en kijkt naar buiten. Boosheid en schaamte strijden in zijn hart om de voorrang. Maar één ding staat nu als een paal boven water: ze hoeven nu niet bang te zijn.

„Mary, Mary", zegt hij tenslotte. „Je bent me er een "

De avond voor Williams vertrek naait Mary de reigerveren goed zichtbaar op Williams hoed.

„Zo dat is dat, " zegt ze en ze legt de naald neer. Aarzelend voegt ze er aan toe: „Nu moeten we verder maar op God vertrouwen, William!"

Tot haar verbazing zegt Wililam niets terug, maar hij kijkt haar belangstellend aan.

„Ik weet wel, dat je zonder die veren ook wel behouden kunt worden, maar mijn vader zei altijd: Vertrouw als een kind, strijd als een man. We moeten dit middel gebruiken."

„Doe jij dat, Mary, op God vertrouwen? "

„Ik? O, William " Mary is vuurrood geworden. „Ik? Nee maar ik weet

dat ik het eigenlijk wel moet doen. Maar om te vertrouwen, moet je ook geloven, en ik ik kan „Er staan opeens tranen in haar ogen en William begrijpt dat ze de laatste tijd meer met deze dingen bezig is geweest, dan hij heeft vermoed. En het vreemde is: Hij ergert zich er niet aan, zoals vroeger. Sinds het gebeurde met de Indiaan is hij onrustig geworden. Steeds voelde hij zich eigenlijk bedreigt. Zoekt hij nu een steunpunt?

Mary heeft zich wat hersteld. „Eén ding weet ik wel, William, " zegt ze kleintjes. „We zijn zo op de verkeerde weg. Ik vooral. Ik ben bij de bijbel opgevoed. Ik weet beter."

„Jij, Mary? Er is geen beter schepsel op aarde te vinden dan jij. Ben je dan niet gelukkig? "

„Dat wel, William. Ik hou heel veel van jou en George. Maar toch er is nog iets belangrijkers dan een eigen farm en een goede oogst!"

Ze zwijgen beiden. Mary voelt dat ze nu pas voor het eerst van hart tot hart hierover met Wililam heeft gesproken. Ze merkt ook dat hij er over nadenkt. En opeens durft ze voor te stellen, wat ze al vaak in gedachten heeft gehad r „Zullen we samen bidden, William? "

Op jacht

Al heel vroeg vertrekt de jachtstoet die volgende morgen. Het is een drukte van belang op het erf van William Sullivan, want van hieruit zullen ze de bossen in trekken.

Met een hart vol zorg zwaait Mary de mannen na. „Denk om de reigerveren!" had ze nog gauw in Wililams oor gefluisterd.

„Ja hoor, vrouw, maak je maar niet ongerust " had William geruststellend gezegd, Maar ondanks deze woorden, voelt hij zich zelf toch ook niet zo rustig.

Toch is die eerste dag heel voorspoedig. Ze zien geen Indiaan en er is veel wild. Een van de mannen is zelfs zo gelukkig een beer te schieten. Nu hebben ze behalve een grote hoeveelheid vlees ook een onderdak voor de nacht. Het hol van de beer — in een diep verscholen grot — is een prachtige schuilplaats. De volgende morgen trekken ze er al vroeg op uit. Nauwelijks is het licht of de jagers verspreiden zich al weer. Ze weten dat de dieren ook vroeg wakker zijn en dan vaak eerst naar hun vaste drinkplaats gaan.

William heeft geluk. Als hij een paar honderd meter het dichte woud is binnengedrongen, begint zijn hond plotseling onrustig te snuiven.

„Koest, koest !" kalmeert William. Zijn scherpe ogen turen. Ja daar, tussen die bosjes: een hert! Hij ziet dat het dier hun geur toch ook moet hebben opgemerkt, want er gaat plotseling een trilling door het ranke lichaam. Een sprong weg is het.

De hond schiet vooruit en William volgt. Het valt hem toch niet mee. Hij springt over greppels en kruipt door laag struikgewas, steeds met het geweer in de aanslag. Een hele tijd jaagt hij zo voort. Het bos is hier heel dicht geworden. Even moet hij rusten, hij is buiten adem.

Maar terwijl hij om zich heen kijkt, beseft hij opeens dat hij een heel eind van de anderen moet zijn afgedwalad. Ook zijn hond keert niet terug van de wilde achtervolging. Waar is het dier gebleven? 't Is of een vreemde angst William bij de keel grijpt. Zou hij nu toch in gevaar zijn?

Wat moet ik doen? vraagt hij zich hardop af. Éérst proberen te ontdekken, waar ik vandaan ben gekomen Inderdaad kan hij zijn eigen spoor een heel eind terug vinden. Maar op een gegeven moment is hij het toch weer kwijt. Hij zinkt neer op een boomwortel, maar springt direkt weer overeind. Daar tussen die bosjes! Zijn dat geen loerende Indianenogen? Hij richt zijn geweer, op alles voorbereid. Maar het is slechts verbeelding.

William neemt zijn hoed van het hoofd en kijkt naar de reigerveren. Ja, ze zitten nog goed vast. Gelukkig! Het is zijn enige hoop!

Hij begint te lopen, maar kan nergens meer een aanknopingspunt ontdekken. Hij blijft echter lopen, want voor de avond valt moet hij uit' het woud zien te komen. De avond? Ha! Hij lacht om zichzelf moed in te spreken. Dan heeft hij de anderen immers al lang gevonden

Maar het valt toch tegen. Hoe hij ook zoekt en speurt, hij kan nergens een spoor van de andere jagers ontdekken, 't Lijkt wel of hij in een kring loopt. Er schijnt geen eind aan dit bos te komen.

De zon klimt hoger en hoger en begint ook weer te zakken. En nog altijd zoekt William, wanhopig en moe.

Pas tegen zonsondergang, als hij uit-

gehongerd en oververmoeid voortstrompelt, ziet hij dat het bos dunner wordt.

Hier en daar schemert blauwe lucht door de donkere dennen. Eindelijk! Zo vlug hij kan loopt hij tussen de laatste bomen door en dan staat hij aan de grens van een eindeloze grasvlakte: de prairie. De felle lucht doet even pijn aan zijn ogen. Wacht, daar is een riviertje. Laat hij daar maar naar toe gaan.

Al lopend maakt hij zijn plan op. Hij zal proberen om de rivier te blijven volgen. Misschien dat er dan ergens een huis te vinden is. En zo niet, dan... William kreunt. Daar wil hij nog niet aan denken.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1976

Daniel | 18 Pagina's

DE REIGERVEREN

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 augustus 1976

Daniel | 18 Pagina's