SARDIS
Bijbelstudie over de Openbaring van Johannes (6) Hoofdstuk 3 : 1-6 „En schrijf aan de engel der gemeente, die te Sardis is " Openb. 3 : 1-6.
Het dode te Sardis.
Schijn bedriegt. In Sardis had een deel der gemeenteleden de naam dat ze leefden, maar naar het oordeel des Heeren waren ze dood. In tegenstelling tot hetgeen in andere plaatsen gebeurde, werden de Christenen in Sardis niet vervolgd.
Er wordt in de brief met geen woord gerept over verdrukking om des Heeren wil. Dat is aangenaam, maar gevaarlijk. Het valt niet mee om verdrukt te worden wegens het belijden van 's Heeren Naam en het leven naar 's Heeren wil, maar het is profijtelijker voor het geestelijke leven van de enkeling en van de gemeente dan wanneer zulks niet het geval is. Dan slaan de wortelgenaden van geloof, hoop en liefde niet naar de diepte; dan sluit men zich gemakkelijk bij de gemeente aan; dan mengen zich „kwade vissen" gemakkelijker onder de „goede vissen" (Matth. 13 : 47 - 48).
Velen hadden de naam dat ze leefden, maar waren dood. Hun toestand werd vergeleken met een dode. Waren het onbekeerde mensen, waarover het de Heere in deze woorden had? Dat is de meest voor de hand liggende verklaring, maar omdat het beeldspraak is, kan het ook van toepassing zijn op ware vromen, wier „naam" niet in overeenstemming is met de werkelijkheid. Zo'n „dode" kan wel orthodox zijn in zijn levensopenbaring, maar het is een dode orthodoxie er gaat geen warmte of iets positiefs van uit.
Dat dode in Sardis was een groot gevaar voor de gemeente. Als iets doods niet wordt weggedaan, dan ontstaat er een walgelijke reuk, het wordt iets weerzinwekkends, het wordt een bron van besmettelijke ziekten, ja het veroorzaakt op den duur de dood van anderen.
Dat zijn de gevaren en gevolgen van dode orthodoxie. Wat een waarschuwing voor ons en onze gemeenten. We gaan door, en willen graag doorgaan, voor zeer orthodox, maar is het slechts een uitwendige orthodoxie, een dode orthcdoxie? Is onze orthodoxie vrucht van geestelijk leven in onze ziel of is het slechts vrucht van een van buiten geleerd lesje; van een van anderen nagebootste levenshouding? De mensen zien aan wat voor ogen is, maar God ziet het hart aan. Wij kunnen God niet bedriegen. Vlijmscherp klonk de diagnose over velen te Sardis van de Hemelse Arts: „Dood". Het doel van die bekendmaking was echter niet, dat men bij de pakken zou neerzitten. Bij de Heere, in de Heere is de Levensbron. Hij kan en wil doden levendmaken. Hij kan en wil leven gunnen aan de ziel, die zulks in oprechtheid en in ootmoed van Hem begeert opdat naam en praktijk met elkaar in overeenstemming mogen zijn. Daarom volgde onmiddellijk op de diagnose het: „zijt wakende!" vers 2.
Het stervende te Sardis.
Het „Wees wakende" van vers 2 kan zowel op het vorige als op het volgende slaan, n.1.: versterk het overige, dat sterven zou. Een deel der gemeente was nog niet dood, maar wel dodelijk ziek, lijdende aan dezelfde kwalen waaraan een ander deel der gemeente reeds „gestorven" was. Er moest onmiddellijk aan die kwalen wat gedaan worden. Waarachtige bekering (zie vers 3) was het enige redmiddel er tegen. Daartoe
moeten de zieken in de eerste plaats terecht bij de Hemelse Arts, om uit Hem, door Zijn Geest, gezondgemaakt te mogen worden. Ook moeten de in Gods Woord aangewezen geneesmiddelen, hoe bitter ze ook zijn voor vlees en bloed, getrouw en stipt worden benut. Doet men dit niet, dan zal Hij over ons komen als een dief (vs. 3). Het bezit van geestelijk leven, verwaarloosd zijnde door het achterwege-blijven van de dagelijkse bekering, vrijwaart de bezitters niet van zeer pijnlijke bezoekingen des Heeren. Verval der heiligen roept om de roe en bittere tegenheden. De Heere wil Zijn gemeente, Zijn volk dat besparen. Daarom dat: „Wees wakende en versterk wat sterven zou". Hij vindt in gunst en niet in wraak Zijn lust.
Het gezonde te Sardis.
Een klein deel der gemeente van Sardis was geestelijk gezond. Sardis had weinige namen, die kun klederen niet bevlekt hadden (vs. 4). Ze hadden door Gods genade hun vuile klederen leren wassen in het Bloed des Lams en bleven zoveel mogelijk uit de buurt van de modderpoelen der ongerechtigheid. Mensen noemden dat mijden van die plaatsen wellicht „ongezond", maar de Heere prees die Christenen daarom. Stelde de Heere het dode in Sardis tot een afschrikwekkend voorbeeld, het stervende tot een waarschuwend voorbeeld, Hij stelde het gezonde in Sardis tot een navolgenswaardig, begerenswaardig voorbeeld.
Gespreksvragen.
Vraag 1. Ga eens na in welke opzichten het „de naam hebben dat men leeft en toch dood zijn", kan slaan zowel op onbekeerde als bekeerde leden der Gemeente.
Vraag 2. Leert de brief aan Sardis de mogelijkheid van het verlies van Gods levendmakende genade? (Zie Art. 5 Dordtse Leerregels).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 augustus 1976
Daniel | 24 Pagina's