DE REIGERVREREN
Bewerkt naar een historisch verhaal.
Pioniers.
Stil en vredig ligt daar de hoeve tegen de wazige achtergrond van de donkere pijnbomen. Het bruinhouten huis is niet groot, maar het straalt zo'n vriendelijkheid uit, dat William Sullivan er iedere keer weer met plezier naar kijken moet.
Ook nu weer — als hij van zijn wekelijkse tocht naar het dorp terugkeert — komt er een tevreden lach op zijn vriendelijk gezicht. Stapvoets rijdt hij door de heuvels en zijn blik omvat met liefde het mooie landschap.
Wat gaat het hem goed! Kijk daar het huis, dat weliswaar nog niet zijn eigendom is, maar toch is het niet goed onderhouden en staan de vensterbanken niet vol planten? En welke vrouw zorgt zo goed voor de moestuin en de kippen als zijn Mary? En moet je die bloemen voor het huis zien is het niet een lust voor het oog? Maar dat is nog niet alles. Aan beide zijden van het huis golven welige akkers. Het weer is gunstig geweest. Regen en zon op z'n tijd! Het belooft een goede oogst te worden. Hij is nu zo dicht genaderd, dat hij Mary al voor een van de open ramen kan zien staan. Ze wuift naar hem en hij neemt zijn hoed van het hoofd en zwaait er mee door de lucht. Hij zet zijn paard wat aan Schiet op, oudje, we gaan naar de vrouw! Hij ziet dat Mary naar buiten komt en het hek openhoudt. In draf rijdt hij door het karrespoor de heuvel af het erf op. Het is iedere keer weer een feest terug te keren uit het dorp!
Even later zijn ze samen in de ruime keuken William stalt de boodschappen uit voor Mary. en
„Alsjeblieft, Mary", zegt hij, „zout, linnen, kruiden. Niets vergeten? "
Mary bekijkt alles gretig. „Is er nog nieuws? " vraagt ze dan. „Vertel ik straks wel", plaagt hij.
Mary lacht, maar haar gezicht betrekt even. William kijkt haar aan. Het is toch wel eenzaam hier in dc prairie voor zo'n jonge vrouw. De dichtstbijzijnde farm ligt wel een uur lopen hier vandaan.
Opeens dringt vanuit de kamer een klaaglijk kinderstemmetje tot hen door. De kleine George is wakker!
„Ik zal hem even halen", zegt Mary. Ze gaat naar de kamer, waar het gehuil direkt overgaat in verheugd gekraai. In de keuken legt ze de spartelende peuter in Williams armen. Onmiddellijk begint het kind aan zijn baard te trekken. Maar William lacht en knuffelt zijn zoontje. Kan hij alleen maar lachen vandaag?
„Toen ik hierheen kwam rijden, Mary", zegt hij, toch even ernstig, „moest ik er opeens aan denken dat het ons hier zo goed gaat. Ik zag de hoeve en de akkers en ik dacht: Het is ons toch maar gelukt!"
„Ja, William, we zijn rijk gezegend, " beaamt Mary nadenkend.
„Gezegend? Als je maar weet dat ik alles met m'n blote handen heb klaargespeeld, " moppert William. Hij is even geërgerd. Je kan toch merken dat Mary een puriteinse opvoeding heeft gehad. Ze gaat nu nooit meer naar een kerk, maar toch
„Alles wat je hier ziet, daar heb ik zelf voor gezorgd, " zegt hij nog eens met nadruk. „Jammer alleen dat er zoveel van die smerige Indianen in dit gebied wonen "
Mary schudt haar hoofd. „William, William! Het zijn toch ook mensen!"
„Dat wel, maar voor de rest klinkt stug. " Het
Mary zegt niets meer. Ze ziet hoe William George op de grond zet en naar buiten gaat. Ze zucht even. Jammer nou, dat William zo'n hekel aan die Indianen heeft. Trouwens, wie van de Engelse pioniers hier heeft dat niet? Het werd hun vroeger in Engeland al geleerd: er is geen hoogwaardiger mens als de Engelsman en geen lager schepsel als de Indiaan. Door het raam ziet ze dat William bezig is het paard te verzorgen. De geërgerde uitdrukking van zijn gezicht is al weer verdwenen. Zo is William: zo boos, zo weer goed. Nee, spijt heeft ze er toch niet van dat ze met hem meegegaan is naar Amerika!
Een Indiaan op de hoeve.
Het is avond geworden. Een zachte avond na een warme dag. Binnen is Mary bezig George te wiegen. William zit buiten op de bank naast het huis. Even een moment rust Hij strekt z'n benen voor zich uit en sluit even zijn ogen. Heerlijk is het nu buiten.
Hij is bijna weggedoezeld, als hij opeens zachte, slepende voetstappen hoort op het verharde erf. Mary is het niet, Mary loopt anders William doet z'n ogen open. Eén ogenblik is hij te verbaasd om te schrikken.
Een Indiaan! Op zijn erf! Wat heeft dat te betekenen? De Minateree Indianen zijn wel met de blanken bevriend, maar toch Hij gaat met een schok rechtop zitten en zijn handen grijpen automatisch naast zich. Maar nee, zijn geweer hangt binnen naast de deur!
Langzaam nadert de Indiaan. Zijn gezicht is beschilderd en in de haarband om zijn voorhoofd zijn bruine veren gestoken. Hij is in jachtkostuum. Moeilijk sloffen zijn voeten en zijn schouders hangen vermoeid voorover. Nee, een fiere Indiaan is hij niet. Hij nadert William Sullivan tot op enkele meters. „Wilt u deze ongelukkige jager wat te eten geven? En misschien huisvesting voor deze nacht? " vraagt hij met zachte stem.
William kijkt hem verwonderd aan.
Vlug denkt hij na. Eten misschien. Maar huisvesting? Dat nooit! Hij denkt aan zijn zoontje — stelen Indianen geen kinderen? Er komt een vastberaden trek op zijn gezicht. Nee, hij begint er niet aan. Misschien is het een list! „Nee, " zegt hij kort. En dan feller: „Ga van mijn erf!"
De Indiaan blijft staan. , , Maar ik heb honger, heer. Het is al lang geleden, dat ik een korst brood gegeten heb " „Ga weg! Ga van mijn erf of ik schiet je er af!"
De Indiaan buigt het hoofd, alsof hij diep nadenken moet. Alsof hij vechten moet tegen zijn trots. Dan kijkt hij William nog eens smekend aan.
„Alleen een dronk water dan, heer!" „Nee!" William is driftig geworden. Hij staat op en zijn hand wijst in de richting van het hek. „Verdwijn, Indiaanse hond! Ga maar uit de rivier drinken!" De Indiaan draait zich om en loopt het erf af. Maar niet als een geslagen hond. Met rechte schouders en zijn hoofd fier rechtop laat hij William achter, 't Is echter alsof hij moeite moet doen om zijn voeten mee te krijgen.
William kijkt hem na tot hij het hek uit is en door het karrespoor loopt. Dan gaat hij de schuur in en gaat daar op een houtblok zitten. Hij moet eens goed nadenken. Wat heeft dit te betekenen? Of had hij misschien toch beter Hè, hij voelt zich toch niet erg op zijn gemak.
Binnen voor het open raam staat Mary. Haar gezicht is bleek. Geschrokken kijkt ze de wankelende gestalte van de Indiaan na. Ze heeft alles gehoord. O, William, William, denkt ze. Wat heb je nu gedaan? Hoe kon je?
In een flits duiken herinneringen aan haar jeugd in haar op. Vader hielp iedereen zoveel mogelijk. Bedelaars, schooiers, of wat ook, „Dat is onze christenplicht!" zei hij dan. „Dat is wel het minste wat we voor God kunnen doen." God? Mary kleurt. Ze heeft zich hier in Amerika niets van Hem aangetrokken. O kijk, kijk! Mary leunt opeens voorover uit het raam om goed te kunnen zien. Wat doet die Indiaan vreemd. Het lijkt wel of hij niet goed wordt. O, wat is dat? Hij struikelt. In een vreemde zwaai valt hij opeens opzij uit in het gras. Roerloos blijft hij liggen.
Mary slaat van schrik haar hand voor haar mond. Die man is ziek! Hij kan daar toch niet blijven liggen zo Razendsnel tuimelen de gedachten door
haar heen. Wat moet ze doen? Helpen? William zal misschien boos zijn. Maar misschien merkt hij het niet, hij is in de schuur. En die man móet geholpen worden. Opeens is haar besluit genomen. Vlug pakt ze wat brood met geitenvlees in een doek en ze vult een kruik met melk. Dan loopt ze gejaagd het karrespoor op.
Witte duif.
De Indiaan heeft de ogen gesloten, als Mary bij hem komt. Zacht schudt ze zijn schouder heen en weer.
„Rode broeder! Word eens wakker!" fluistert ze dringend aan zijn oor. Jammer dat ze niet wat wijn meegenomen heeft. Zal ze het nog op kunnen halen? Maar terwijl ze vlug na probeert te denken, kreunt de Indiaan opeens en opent zijn ogen.
„Rode broeder! Rode broeder!" De donkere ogen kijken zoekend rond. Dan ziet hij Mary. Een verbaasde trek glijdt over zijn gezicht. Het is een aardig gezicht met nobele trekken, ziet Mary. Nu fluistert hij wat. Ze moet zich voorover buigen om het te horen.
„Dorst water " stamelt hij.
Ze pakt de kruik met melk en laat hem drinken. Eerst gaat het langzaam, maar dan begint hij met grote slokken te drinken.
„Rustig aan, " zegt ze, , , 't is niet goed, zo veel tegelijk te drinken. Probeert u maar eens wat te eten."
De Indiaan komt wat overeind, steunend op zijn elleboog, 't Lijkt wel of de gedachte aan eten hem nieuwe krachten geeft. Mary kijkt toe hoe de man hongerig begint te schrokken. Hij moet uitgehongerd zijn, want verder ziet hij er eigenlijk niet zo ziek of zwak uit. Af en toe dwalen haar ogen onrustig naar de hoeve.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 augustus 1976
Daniel | 24 Pagina's