GIJ ZIJT MIJN GOD
Te Iaat
Door de straten van Vlissingen holt een jongen. Zijn snelle voetstappen klinken luid op tussen de huizen. Hij hoeft niet bang te zijn, dat hij in zijn haast tegen iemand op zal lopen, want iedereen is in huis. 't Is immers etenstijd. Hijgend rent hij voort. Er zal wat voor hem opzitten! Vader heeft zulke harde handen. En wat zal moeder mopperen, want hij heeft een grote scheur in zijn kiel en een flinke winkelhaak in zijn broek. Zijn knie schrijnt en z'n rechteroog krijgt zoetjesaan alle kleuren van de regenboog. Vooruit, nog één straatje dan is hij er. Wild stoot hij de achterdeur open.
De slag op de Zuiderzee
„Dekselse kwajongen, waar heb je zolang gezeten. Wij hebben het maal bijna op!" Zo wordt de jongen, die zo'n haast maakte om thuis te komen begroet. „We ik we hebben gevochten, " stoot de laatkomer uit. „En we hebben gewonnen, " voegt hij er nog gauw aan toe.
„Wat gevochten, " zegt vader Adriaan kwaad. „iNaar zolder en direkt." Vlug verdwijnt de vechtersbaas naar boven. Hij komt er betrekkelijk goed vanaf. Vader is altijd erg gul met de lat en zet meestal zijn woorden kracht bij met zijn handen. Op zolder aangeland, voelt hij even aan z'n oog. 't Lijkt wel in brand te staan. Tjonge, dat ging er even heet aan toe. Maar zijn groep is als overwinnaar uit de strijd te voorschijn gekomen. Ha, ze hebben „De slag op de Zuiderzee" gespeeld. Hij voerde de Watergeuzen aan! Zouden de andere jongens ook zonder eten naar bed zijn gestuurd? Als vader straks weggaat komt moeder vast wel naar boven met een paar boterhammen. Ze moet toch de kleintjes naar bed brengen. Als hij aan zijn moeder denkt, wordt de aanvoerder van de Watergeuzen wat onrustig. Wat zal ze hem verdrietig aankijken! „Miohiel, Miohiel, waarom doe je altijd zo wild. Kijk nou toch eens naar je kleren. Het geld groeit me niet op de rug." Michiel zucht. Vervelend is dat, maar als hij aan het spelen is vergeet hij alles.
Stuurman
Aan het roer van de „Groene Leeuw" staat een jonge man. Zijn ogen turen op de woelige golven. Wat een ijsschotsen! Voor ze het wisten zaten ze er denin. Voorzichtig stuurt hij de walvisvaarder op het eiland aan.
„Dat hebben we weer geklaard, Michiel, " hoort hij de schipper zeggen, als het anker over boord wordt gezet. „En nu maar hopen op een goede vangst." De stuurman zegt niets terug, maar dat verwacht de schipper ook niet. Hij heeft het best getroffen met Adriaanszoon, een zeeman in hart en nieren en bekwaam voor zijn werk wat het ook is. Je zou niet zeggen, dat dit zijn eerste reis als stuurman is. Nee de schipper is heel tevreden met deze zwijgzame man achter het roer.
Voor de nieuwe stuurman zijn kooi opzoekt, schrijft hij een paar regels in zijr reisboek. „Zonder ongelukken mijn eerste reis als stuurman volbracht. God lof.’
Kapitein
Op het dek van de koopvaarder „De Salamander" heerst grote bedrijvigheid. Me vuistenvol smeren de bemanningsleden de binnen-en buitenkant van de verschansing vol boter. De planken van het dek vlak bij de verschansing glimmen ook a van het vet en ieder moet oppassen niet uit te glijden op het botergladde dek De kapitein geeft aanwijzingen: „Goed zo mannen, ja daar bij de boeg nog een hand jevol. Meeuwsz, maak dat laatste vaatje ook maar leeg!”
In de ruimen van de rijkgeladen koopvaarder liggen de goederen hoog opgestapeld Zout, wijn. zuidvruchten, prachtige kleden en Marokkaans leder. Een welkome bui voor de op de loer liggende Duinkerker kapers. O, de kanonnen op „De Salamander
zijn geladen, maar wat moet je met tien van die „bussen" tegen de grote overmacht van de zeerovers? Wie niet sterk is moet slim zijn!
„Zo mannen, laat ze nu maar komen, " zegt kapitein De Ruyter tevreden. Een groot gedeelte van het dek is droog gehouden. Daar staan ze opgesteld: de bemanningsleden, de oudsten, die een leven van varen en vechten achter de rug hebben en de jongsten, die hun eerste reis maken. Ze zijn gewapend met haken en pieken en musketten. Ze zullen hun leven zo duur mogelijk verkopen! Bijna thuis, ja maar het grootste gevaar moet nog komen: de Duinkerkerkapers! De gevaarlijke tocht langs Spanje is veilig volbracht, de beruchte Golf van Biskaye was zo kalm als een binnenzeetje. Maar o, die Duinkerkers! Ze hadden enkele vaten met ranzige Ierse boter aan boord en de kapitein, die wist, dat dapperheid alleen straks niet baten zou, had bevel gegeven het schip met boter in te smeren. Daar verschijnt een zeil aan de horizon! „Een kaper!" schreeuwt de uitkijk, als de afstand tussen het snel naderende schip en „De Salamander" kleiner is geworden. De zwaar bewapende zeerover denkt aan de eenzame koopvaarder een gemakkelijk buit te hebben. Maar dat zal hem tegenvallen! Als zijn enterhaken houvast hebben gekregen aan de „gladde" koopvaarder springen de kapers over. Dat wordt een ongedachte glijpartij! „Zy gleeden, glipten en vielen, als op gladt ys onder en over elkandere heenen; zocdat hy (Michiel de Ruyter) ze naa een kort gevecht, afsloeg, en zyne reis onverhindert vervolgde.”
Kapitein De Ruyter mocht weer veilig het vaderland bereiken. Zijn reisverslag getuigt ervan: mochten wy met Godts hulpe veilig binnenvaren.”
Vice-admiraal
In de ruime kamer van een groot huis te Vlissingen zitten twee mensen samen te praten. Hun gezichten staan zorgelijk. Tussen hen in ligt een brief. „Ik moest het maar doen vrouw, het vaderland is in nood.”
Moeder Anneke zucht. Ze weet het wel. Haar man heeft het er erg moeilijk mee. Het vaderland roept en hij zal gehoorzamen. Er is oorlog met Engeland. De vloot kan hem niet missen. Hij heeft immers in 1641, toen Frederik Hendrik hem benoemde tot Schout-bij-nacht, beloofd zijn taak met Gods hulp „wel ende getrouwelyck" te volbrengen. En die eed zal hij zeker gestand doen. O, maar 't is zo moeilijk. Het was zo fijn hem elke dag thuis te hebben, geen angstig wachten meer, of hij wel veilig zou thuisvaren.
Michiel staat op. „Ik kan niet anders vrouw, ik ga. Maar ik zal de Heren van de admiraliteit zeggen, dat het voor één keer is." Voor één keer. Dat zal echter anders lopen dan cle nu tot commandeur benoemde zeeheld denkt. Want voordat deze oorlog is afgelopen, is hij benoemd tot vice-admiraal.
Alleen maar voorname mensen?
Aan de IJ-kant van Amsterdam staat een rij deftige koopmanshuizen. Ze zijn rijk versierd met mooie gevels, waarin prachtig gebeeldhouwde knoppen zijn aangebracht. Boven de schitterend bewerkte deuren hangt een afdakje, een luifeltje. Bijna elk huis heeft een gevelsteen, waarin met sierlijke letters een naam is gebeiteld. Ah, daar wonen vast heel deftige mensen. Daar zul je geen bierdragers, touwslagers, lakenwevers of zeilmakers aantreffen. Welnee, daar wonen alleen maar rijke kooplieden, voorname reders en trotse burgemeesters. Zullen we eens in één van die mooie huizen een kijkje nemen?
Admiraal
In één van de ruime kamers van dat deftige huis, zitten twee eenvoudige mensen samen te praten, , , 't Is net als toen, nu al meer dan 20 jaar geleden." „Zeg dat wel vrouw, net als toen. En ook nu zeg ik: ik ga, maar zal de heren van de admiraliteit zeggen, dat ik er zeer tegenop zie en dat de vloot te zwak is om het tegen zo'n geduchte tegenstander op te nemen.”
Enkele minuten later bevindt luitenant-admiraal De Ruyter zich bij de heren van de regering. Deze begrijpen cle oude zeeman niet en grieven hem diep met de vraag: „Begint gy op uw ouden dagh bang te worden? " „Neen", is het antwoord, „al werdt my bevolen' 's Lands vlagh op één enkel schip te voeren, ik zoude daarmee in zee gaan. Waar de Heeren hun vlagh betrouwen, zal ik myn leven waagen.”
Enkele weken later, in 1675, vertrekt De Ruyter als opperbevelhebber ter zee naar de Middellandse Zee om Spanje bij te staan in de strijd tegen de Fransen en de Engelsen.
„Doorgaan en moed houden”.
Het is 22 april 1676. Vanaf het hoge dek van het admiraalschip „De Eendracht" — niet op zijn vertrouwde „Zeven Provinciën" — leidt admiraal Micihiel de aanval op de Frans-Engelse vloot, 't Heeft maanden geduurd eer men begon. Spanje had De Ruyter met veel eerbetoon ontvangen, maar het beloofde aantal Spaanse schepen liet op zich wachten. Nu is het zover en op deze mooie voorjaarsdag brandt de strijd los. Hevig dreunen de kanonnen en knetteren de musketten. De Hollandse schepen spuwen vuur uit al hun stukken. Helaas blijven de Spaanse schepen op de achtergrond. Durven de Spanjaarden niet? Een goed half uur is het gevecht aan de gang. Dan gebeurt het erge. Fluitend giert een kogel over het dek van „De Eendracht". Er staat een naam op deze kanonskogel: Michiel Adriaansz. De Ruyter. Ernstig verwond aan zijn linker voet, smakt de admiraal neer op een lager dek. In de kajuit wordt hij neergelegd. „Doorgaan en moed houden" is zijn bevel. De admiraalsvlag blijft hoog waaien in de top van cle mast. Ondanks de hevige pijnen blijft Michiel de slag leiden. En ze vechten' de matrozen, de konstabels, de officieren. Ze vechten als leeuwen en als het avond wordt, trekt de vijand langzaam terug.
Gy zyt myn Godt
Het is een week later. In de hete kajuit ligt de admiraal machteloos neer. Zware koortsen slopen zijn sterke lichaam. Bestevaêr is erg, heel erg ziek. Hij moet sterven. O, wat komt het Woord van God, dat veilige Kompas, w T aarop hij in goede en kwade tijden voer, hem nu te pas! Ze staan bij hem, de vlootpredikant, de chirurgyn, de vice-admiraal en de schout-bij-nacht. Ze komen aanvaren de kapiteins, geroeid door cle matrozen, die fluisteren: „Bestevaêr begint aan zijn laatste reis.”
De vlootpredikant - wat had Michiel altijd graag een dominee aan boord - buigt zich over de stervende zeeheld heen'. Hij bidt met hem mee, hoor: O Godt, Gy zyt myn Godt. Ik zoek U in de dagheraadt.”
Nog een zucht en Michiel Adriaansz. is aan zijn laatste reis begonnen. Zijn Thuisreis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 mei 1976
Daniel | 16 Pagina's