JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

HET GEHEIM VAN DE IJSGROT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET GEHEIM VAN DE IJSGROT

Ons vervolgverhaal (slot)

11 minuten leestijd

„Ja, ” zegt tante Hanne. „Een heel dure ring. 't Hele huis hebben we overeind gezet, want volgens die meneer moest hij ergens in huis zijn. Een rood papiertje zat er om met een goudkleurig strikje, vertelde hij.....”

’t Is maar goed dat Friedrich van achteraf zti en dat het schemerig wordt. Nu kan niemand zien dat een gloeiende kleur over zijn gezicht trekt. O, wat moet hij nu doen? Alles vertellen? Hij kijkt naar Liselot, maar die schudt bijna onmerkbaar haar hoofd. Wat betekent dat? Houd je mond?

Liselot weet raad

Tante Hanne blijft nog lang die avond. Maar Friedrich hoort niet veel meer van al wat er besproken wordt. Hij denkt maar aan één ding: Hoe moet hij die ring teruggeven? Want dat het dezelfde is, daar twijfelt hij niet aan. Alles klopt immers? Pas voor hij naar bed gaat, ziet hij kans snel een paar woorden met Liselot en Karl te wisselen.

„Wat bedoelde je, Lise? " vraagt hij. „Mocht ik niets zeggen? ”

„Nee! zegt ze vlug. Tante Hanne is reuze lief, maar ze heeft één groot gebrek: ze kan niet zwijgen. Binnen een dag zou het hele dorp alles weten. Laten we er nog eens over denken, wat we moeten doen.”

Het gesprek wordt afgebroken doordat oom Franz de kamer binnenkomt. Maar het wordt Friedrich warm om het hart. Wat staan ze achter hem, Liselot en Karl. En daar heeft hij het toch zeker niet naar gemaakt!

Die nacht slaapt Friedrich weinig. Al piekerend keert hij zich om en om. Hoe moet het nu? Als hij heel eerlijk is, weet hij het wel: gewoon open kaart spelen.

Maar het is zo moeilijk je eigen fouten te bekennen. Puffend gooit hij het dekbed van zich af en loopt naar het open raam. Hè, heerlijk even die koele lucht. Buiten is het heel stil. Er is geen maan en het is aardedonker. Net als in de grot, denkt Friedrich. Hoe komt het toch dat hij steeds weer verkeerde dingen doet? Soms krijgt hij een hekel aan zichzelf. Hij zucht even, want eigenlijk weet hij hierop het antwoord ook. Dat weet hij heel goed! 't Is niet alleen' dat hij in de grot is gegaan, 't is alles — 't is zijn hart.

De volgende morgen voelt hij zich ellendig. Maar dan is het Liselot, die hem plotseling een voorstel doet, dat hij heel goed vindt. Als ze samen in de keuken zitten te eten, begint ze er over. Tante Rita is in de tuin bezig.

„Moet je luisteren, Friedrich. Ik weet wat!" Ze schept een lepel jam op haar bordje, maar praat intussen vlug door. „Vanmiddag moet ik naar tante Hanne om kaas te bezorgen'. De burgemeester koopt altijd kaas van ons. Als ik dan die ring eens meeneem? Ik leg 'm dan gewoon stiekum ergens neer. Die man dacht toch dat hij hem in huis verloren had? Nou, dan vinden ze 'm wel!”

Friedrich heeft z'n mes neergelegd. Het is niet gek. Nee, het is helemaal niet gek. „Ja, " zegt hij dan langzaam. „Laten we dat maar doen!”

De morgen kruipt voor Friedrich. Als het eindelijk tijd is voor het middageten, kauwt hij met trage tan-

den de macaroni met sla. Ongeduldig wacht 'hij tot Liselot klaar is met de vaat. Eindelijk pakt ze het mandje met de kaas. Daar gaat ze dan! Friedrich kijkt haar na in de deuropening. Bij de kromming in de weg kijkt ze nog even om en zwaait. Wat lijkt ze zeker van zichzelf, die Liselot!

Toch is ze niet zo kalm als ze er uitziet. Met loden schoenen sloft ze over de stoffige weg. Het doosje met de ring zit diep weggestopt in de zak van haar schort met haar zakdoek er veilig hoven op. Steeds weer repeteert ze haar plannetje. Onder de kapstok r— ergens in een hoekje — wil ze het doosje leggen.

Bij het huis van de burgemeester is alles stil. Toch wordt op haar bellen direkt opengedaan door tante Hanne. „Dag Lise! Kom ibinnen. We zijn jam aan 't maken, mevrouw en ik!"

Liselot schrikt even. Jammer nou, dat mevrouw in de keuken is.

„Dag mevrouw, " groet ze verlegen, als ze de grote keuken binnenstapt.

„Dag Liselot. Kom je kaas brengen? " Mevrouw zet de mand met aardbeien van haar schoot en zoekt naar haar beurs. „Hoeveel is het deze keer? " „Dertig franc vijftig, mevrouw!"

Liselot bergt het geld op, dat voor haar neergeteld wordt. Wat aarzelend blijft ze dan nog even staan. Ze wil nog even een praatje maken, maar ze is zo gespannen dat ze niet weet wat ze zeggen moet. Het wordt stil in de keuken. Alleen het suizen van de gaspitten is te horen. Zei tante Hanne nu maar iets! Liselot voelt weer een niesbui opkomen. Ook dat nog! Haastig grabbelt ze naar haar zakdoek en! draait zich om. Maar dan valt er opeens iets over de granieten vloer. Ze kijken er allemaal naar: een klein rood pakketje is uit Liselots zakdoek gevallen en op de vloer gerold.

Liselot wordt eerst wit en dan felrood. Al niesend wil ze nog gauw het doosje oprapen, maar mevrouw is haar al voor. Ze bukt zich en raapt het op. „Hier Lise, " wil ze zeggen. Pas dan dringt het tot haar door wat ze heeft opgeraapt. Verbaasd kijkt ze naar het kleine pakje met het goudkleurige strikje.

Maar...'... maar dat was Herr Schliernann kwijt. Of is het van Liselot?

„Heb je juwelen gekocht, Liselot? " vraagt ze aarzelend.

„Nee eh ja " stamelt Liselot. Met een hoofd als vuur zit ze aan de tafel. Tante Hanne komt ook kijken. „Wat is dat nu, Lise? „Wat zit er in? "

„Een ring....”

„Een ring met briljantjes? " vraagt mevrouw.

Ze knikt. Opeens fel zegt ze: „Maar ik heb hem niet gestolen', hoor. Friedrich heeft hem gevonden. In de ijsgrot!”

„Ja hoor, dat geloven we wel, " kalmeert mevrouw vlug. , yMaar ik roep even m'n man." Snel loopt ze de gang in. Hier weet ze geen raad mee!

Het duurt maar even of ze zijn samen terug. En dan moet Liselot nóg eens vertellen. Even heeft ze nog gedacht een uitvlucht te verzinnen, maar nu zegt ze alles. Ook waaróm Friedrich in de ijsgrot ging en waaróm ze het verzwegen hebben.

Dat vindt de burgemeester wat sterk. „Waren ze dan zo bang voor je vader dat ze dat niet eens durfden te bekennen? Is hij zo'n boeman? ”

„Helemaal niet, " zegt Liselot wat verontwaardigd. „Maar hij vertrouwde hen!”

„Goed, goed. Maar wat was je nu eigenlijk van plan? ”

„Ik wilde de ring hier ergens neerleggen. Op de grond of zo. Dan had iemand hem wel gevonden.”

„Maar je had een beloning kunnen krijgen.....”

„Die heb ik niet nodig, " zegt ze wat hoog. „We wilden alleen de ring teruggeven en vader geen verdriet doen.”

„Tja.... " De burgemeester strijkt eens door z'n dunne haren. „Tja, Herr Schliemann is er niet. Maar ik geloof je wel." Liselot hoort echter nog twijfel in zijn stem. Ze staat opeens recht eri haar blauwe ogen kijken open en eerlijk in de zijne. „Ik bén geen dievegge!" Vraag het Friedrich, vraag het Karl! Ze zullen u precies hetzelfde vertellen”

De burgemeester krijgt opeens aardigheid in dat trotse hoofdje. Maar hij wil alles onderzoeken. Daarom zegt hij: „Ja, Liselot, dat is een goed idee. Dat doe ik!”

Het is een ontdane Friedrich, die even later tegenover de burgemeester zit in de mooie kamer van de familie Wessel. „Zo Friedrich, " begint de burgemeester, nadat hij zich heeft voorgesteld. „Ik wou je wat vragen. Of heb jij soms iets te vertellen? Over een ring met briljantjes? ”

Friedrichs handen trillen. Wat is er gebeurd? Wat moet hij zeggen'?

„Ik 'heb 'm gevonden in de ijsgrot", zegt hij benepen.

„Zo. En toen? "

Dan spreekt ook Friedrich zich uit. Alles zegt hij. De burgemeester luistert aandachtig. Af en toe knikt hij: „Ja, ja." En als Friedrich klaar is met z'n verhaal zegt hij weer: „Ja, ja."

Friedrich wil net vragen, hoe de burgemeester het te weten is gekomen van de ring, als Karl binnen komt, die door Jürgen geroepen is.

„Ga jij ook zitten, Karl!" De burgemeester steekt direkt van wal. „Ik wou jouw verhaal oolk even horen over die ring." „Ring? " Karl schrikt toch nog. „Hoe weet u ? "

„Dat doet er niet toe. Waar heb je hem gevonden? Vertel alles maar."

De burgemeester zucht van opluchting, als Karls versie precies blijkt te kloppen met dat van de anderen. Gelukkig, ze hadden geen kwade bedoelingen. Ze pakten' het alleen wat dom aan. Wél geeft hij ze nog een fiikse reprimande mee, maar die is wel verdiend, dat voelen ze wel.

En ja, een reprimande krijgen ze ook van oom Franz. Dat was te verwachten! Het ergste vindt hij dat Friedrich eigenlijk met z'n leven heeft gespeeld. „Ik hoop dat je nooit weer zoiets gevaarlijks doet, Friedrich, " zegt hij, toch erven ernstig. „Je bent wonderlijk bewaard gebleven. Besef je dat wel? "

„Ja „hapert Friedrich. , , 't Spijt me zo, oom Franz. Ik moest er steeds aan denken, dat het verkeerd was."

Toch voelt Friedrich zich na oom Franz's woorden wonderlijk opgelucht. O zeker, een beetje onbehaaglijk voelt hij zich wel na die uitbrander. Maar dat nare gevoel van stiekum en oneerlijk te zijn is nu weg. Karl is ook wat rustiger. Dat is duidelijk te merken. Eensgezind trekken' ze naar de schuur om wat te sleutelen, Friedrich in oude kleren van Karl. Gelukkig, alles is achter de rug!

Maar als ze een poosje bezig zijn, komt opeens Jürgens de schuur in en zegt geheimzinnig: „Jongens, er is iemand voor jullie. Een meneer. Van die ring, denk ik!"

Geschrokken lopen Friedrich en Karl mee. Wat nu? Nog een uitbrander? In de keuken zit een onbekende, niet meer zo jonge heer. Hij is druk in gesprek met oom Franz, tante Rita en Liselot. Ze kijken hen allevier lachend aan.

„Kijk, meneer Sohliemann, " plaagt oom Franz. „Daar zijn de boosdoeners!" De jongens geven hem een hand en voelen zich nog weinig op hun gemak. Maar dat wordt gauw anders, want meneer Schliemann zegt: „Ik heb gehoord, dat jullie degenen zijn, die m'n ring hebben gevonden. Want daar kom ik voor. Om jullie te bedanken'. Maar er is nog iets wat ik met jullie wil bespreken. De kwestie is dat ik morgen een dagje uit ga met de kinderen van de burgemeester. Nu wou ik jullie drieën vragen — 1 je zus weet er al van — of jullie meegaan. We gaan de Rothron op."

„Maar " stottert Karl. „Ik begrijp niet "

Meneer Schliemann lacht. „Nee? Iemand die iets vindt en weer terugbrengt moet toch beloond worden'? Of voelen jullie er niet voor? "

Ze knikken alledrie om het hardst. Daarna overleggen ze nog wat zakelijke dingen. Ze gaan met de auto en proviand hoeven ze niet mee te nemen. Om zes uur gaan ze al weg, anders is er geen wild meer te zien.

Pas nadat Herr Schliemann is vertrokken, komen de jongelui los. Liselot springt op en klapt in haar handen en praat onafgebroken. Karl rent naar boven en ze horen hem driftig in kasten rommelen op zoek naar rugzakken en bergschoenen. Alleen Friedrich staat wat stil uit het raam te kijken. Hij kan het allemaal niet verwerken. Wat is alles goed afgelopen!

„Wat is er, Friedrich? " vraagt tante Rita. „Ga je niet graag mee? "

Friedrich keert zich naar haar toe en z'n ogen staan zo blij, dat ze het antwoord al weet. Maar ze kan toch niet laten te vragen: „Bevalt het je hier wel, Friedrich? "

„O ja! Het is heerlijk hier." Hij zoekt naar woorden, die wat kunnen vergoeden voor de hartelijkheid, die hij hier ondervindt. „Tante Rita — mogen Liselot en Karl de volgende vakantie bij mij komen logeren? "

„Natuurlijk mag dat!" zegt tante Rita verrast. „Dat zullen ze fijn vinden, Vraag 'het hen maar, jong. Ga nu maar gauw je spullen bij elkaar zoeken. Wij hebben nog wel een rugzak voor je. Morgen is 't vroeg dag!"

Maar Friedrich is de deur al uit en roffelt de trap op naar boven. Dordrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1976

Daniel | 16 Pagina's

HET GEHEIM VAN DE IJSGROT

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 april 1976

Daniel | 16 Pagina's