JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

HET GEHEIM VAN DE IJSGROT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET GEHEIM VAN DE IJSGROT

Ons vervolgverhaal (3)

10 minuten leestijd

Speurtocht

Het is een zwijgende Friedrich, die aan het eind van de middag met de anderen naar huis loopt. Wat heeft hij veel te denken! Van wie is de ring, die hij gevonden heeft? Heeft iemand hem verloren of expres verstopt? Van wie zijn dan die voestappen bij de grot?

Ook Karl en Lieslot zeggen' niet veel. Friedrich is hen daar dankbaar voor. Als ze er wel over zouden praten, zou oom Franz ook meteen weten dat hij in de grot is geweest. En eerlijk gezegd schaamt hij zich daar nu toch wel voor. Had hij het maar niet gedaan! Hij voelt even' in z'n zak Ja, het doosje is er nog. Maar wat moet hij er mee? Vanmiddag hadden ze al van alles geopperd: Naar de politie brengen, weer terugleggen, of aan oom Franz geven Maar in alle gevallen zou het uit komen: Friedrich is „stout" geweest.

„Maar waarom deed je 't dan ook? " had Karl wat kregelig gevraagd.

„Ik ik wilde me waar maken, " zei hij toen blozend. En toen Karl vragend keek had hij opeens al z'n grieven verteld. Zomaar, zonder wat terug te houden. En nu was het Karl die een kleur kreeg. , ; Nou ja, " zei hij onhandig. „Ik meende het zo niet. Maar ik zal 't niet vertellen dat je in de grot geweest bent, hoor.”

„Maar die ring dan? " vroeg Liselot, die gretig de briljantjes betastte. Stel, dat er nooit iemand om kwam... „Tja, we kunnen zeggen, dat je hem in het bos hebt gevonden, " aarzelde Karl. Maar dat stond hen alledrie toch tegen. Tenslotte besloten ze eerst maar eens af te wachten. Wie weet of ze in het dorp wat hoorden over de eigenaar. Dan konden ze de ring stiekum teruggeven misschien

Die avond maken ze met z'n drieën een wandeling door het dorp. Het is niet druk. Hier en daar zitten mensen voor hun huis te genieten van de koele avond. Friedrich groet net als de anderen: „Gruëssi!" Maar hij voelt dat ze hem nieuwsgierig bekijken. Wie is die jongen, die bij de familie Wessel is?

En Friedrich zelf? Bekijkt hij niet iedereen even' nieuwsgierig? Van iedereen denkt hij: Kan dit de persoon zijn, die de ring heeft verloren? Maar ze zitten daar zo eenvoudig in hun sobere kleren, dat hij zich dat haast niet voor kan stellen. Af en toe komen ze wat toeristen tegen, die nog even een ommetje maken. Ook hen neemt Friedrich zorgvuldig op. Maar hij komt er niet uit.

Buiten het dorp barsten ze los. Liselot ratelt opgewonden: „O zeg, als er nou eens nóóit iemand om komt, Friedrich, dan ben je rijk!" Even denkt Friedrich: Dat

ben ik toch wel. Heeft zijn moeder niet juwelen in overvloed? Maar hij schaamt zich direct weer voor die gedachte.

„Hoe kan er nu iemand om komen, " bromt Karl. „Niemand weet toch dat Friedrich die ring heeft. Dat is nu weer echt meisjespraat."

„Nou jö, " zegt Liselot wat beledigd. Weet jij dan een oplossing? "

„Misschien kunnen we toch beter alles aan je vader vertellen, " weifelt Friedrich. Maar daar is Karl niet voor te vinden. Dan zal vader ook kwaad op hém zijn, omdat hij Friedrich er eigenlijk toe heeft uitgelokt.

„Laten we een paar dagen wachten, " stelt hij voor. „Intussen kunnen we wat op onderzoek uitgaan. We kunnen weer een's bij de grot kijken. Iemand die wat verloren heeft, gaat ook zoeken."

„We kunnen eens proberen dat spoor van die voetstappen te volgen, vult Friedrich aan.

En Liselot zegt: „En bij het politiebureau gaan kijken op het aanplakbord of er aangifte is gedaan. „Haar ogen schitteren. Wat een avontuur!

Karl blijft staan. „Die voestappen, " zegt hij langzaam. , , Die moeten we dan eigenlijk nu nog onderzoeken. Als het morgen regent is alles weg."

Liselot kijkt bedenkelijk. Nu nog? Maar Friedrich is er wel voor te vinden. Even' beraadslagen ze en dan draaien ze zich om en slaan een bergpad in. Ze doen het! Karl en Liselot lopen zo hard dat Friedrich hen bijna niet bij kan houden. Het pad stijgt snel en zijn adem gaat met korte stoten. Toch valt de afstand hem mee. Ze blijken al een eind in de goede richting te zitten. Al gauw wijst Liselot op een donker bos. „Daar is het. We ikomen nu van de andere kant”.

„Eigenlijk moeten we ons verspreiden, " vindt Karl, die veel spannende jongensboeken heeft gelezen.

„Nee!” haalt Liselot uit. Stel je voor, zij alleen daar in dat donkere bos! Toch vindt Friedrich het een goed idee. Ze besluiten dat Karl de grot van de andere kant zal benaderen en dat Liselot en Friedrich hier het bos in gaan. Het is nog donkerder onder de bomen dan Friedrich gedacht heeft. Ongemerkt beginnen hij en Liselot tegen elkaar te fluisteren. Maar Liselot weet goed de weg en al gauw hebben ze de grot bereikt. Karl is er al. Dat heeft hij even vlug gedaan! Teleurgesteld schudt hij het hoofd en' wijst op de voetstappen.

Het spoor is maar een paar meter te volgen.

„Jammer, " zucht Friedrich. Is hun tocht nu tevergeefs geweest?

„Laten we maar gauw naar huis gaan, " dringt Liselot aan. , , 't Wordt al donker." Ja, dat lijkt de jongens ook het beste. Ze verspreiden zich weer en Friedrich haast zich achter Liselot aan het bos uit. De stilte is beklemmend onder die hoge bomen vindt hij. Maar als ze aan de rand van de eerste wei komen, houdt Liselot hem opeens staande.

„Daar, Friedrich... daar loopt iemand!" fluistert ze opgewonden.

Friedrich speurt in de schemer. Ja, er loopt een man door de wei. Hij lijkt nog niet zo oud. Hij loopt met het hoofd wat gebogen. Zoekt hij iets? Even overleggen ze. Dan gaan ze zo vlug ze kunnen op hem af. Ze zullen hem vragen of hij iets zoekt. „Ken je 'm? " vraagt Friedrich neg gauw aan Liselot. Ze schudt haar hoofd. Ze kent hem niet. Friedrich haalt de vreemde man het eerst in.

Ik zal 't opknappen, denkt hij, want het is mijn schuld!

„Meneer hijgt hij. , iMeneer, zoekt u iets”

De man heeft zich bij het geluid van hun voetstappen al omgedraaid. Nu kijkt hij hen verbaasd aan. „Ik? Zoeken? " vraagt hij. „Ja, m'n koeien.......”

Friedrich kijkt wat verslagen naar Liselot. Dan zegt hij: „Hebt u soms iets verloren dan? Wij hebben namelijk iets gevonden....”

De man voelt in z'n zakken en schudt ontkennend het hoofd. „Nee, ik ben niets kwijt. Wat hebben jullie gevonden? " „Dat kunnen we niet vertellen, meneer, zegt Friedrich.

„Zo, kun je dat niet. 'k Zou maar naar de politie gaan als ik jullie was." „Dat doen we dan maar. Dank u wel, meneer. Ga je mee, Liselot? ”

„Dag meneer!" zegt Liselot verlegen. Tegen Fdriedrichs vlotte manieren kan zij niet op. Achter elkaar hollen ze naar de weg, waar Karl al staat te wachten. „Wie was die man? " vraagt hij nieuwsgierig. „Had hij de ring verloren? ”

Liselot vertelt rap het hele verhaal, , , 'k Denk dat het die nieuwe boer is, die aan de andere kant van de Alp is komen wonen, " besluit ze.

Wat stil gaan ze terug. Ze lopen nog even naar het politiebureau, maar er staat niets op het aanplakbord. Friedrich zucht. Dus dat is ook niets!

Tante Hanne

De volgende dag is het zondag. Ze slapen wat langer allemaal en maken zich dan klaar om naar het dorpskerkje te gaan. Tante Rita draagt nu de klederdracht van de streek, en ze ziet er keurig uit, vindt Friedrich. Netter dan oom Franz, die ondanks z'n zondagse kleren tóch eeri boer blijft.

Het kerkje is klein en helemaal van hout, ook van binnen. Friedrich zit er niet rustig. Telkens dwalen zijn gedachten af van de preek. Hij dwingt zich soms tot luisteren rnaar dan is er weer die stem, die in hem klinkt: Friedrich, vertel alles! Wees eerlijk! Maar hij duwt die gedachten weg en stelt uit: Neg niet, nog niet!

Als bij het uitgaan van de kerk de oude dominee hem een hand geeft, kost het hem moeite: hem aan te kijken. „Een goede zondag, jongeman, " wenst de dominee hem toe en een warme glimlach trekt de rimpels over zijn gezicht.

„Dank u, " mompelt Friedrich. Zijn hart bonst onrustig. Wat moet er allemaal niet gebeuren voor het écht een goede zondag wordt.

Toch is het gezellig die dag. 's Avonds drinken ze met elkaar koffie onder de kersenbomen opzij van het huis. Kleine Jürgen' mag ook nog een poosje opblijven. Hij nestelt zich zo stil mogelijk met een boek in een van de tuinstoelen. Misschien vergeet moeder hem. Ze praten niet veel. De stilte wordt bijna alleen verbroken door het hardgrondig genies van Liselot.

„Heb je ïkou gevat, Liselot? " tante Rita. vraagt

„’k Denk het, moeder, " zegt Liselot. Gisteren in het bos misschien, denkt ze, maar ze zegt het niet.

Opeens klinken er voetstappen op het erf. Friedrich kijkt op. Wie ko-mt daar? wat is hij schrikachtig op het ogenblik. „Goedenavond, luitjes, " klinkt een vriendelijke stem. Een kort, dik vrouwtje verschijnt om de hoek van het huis. Ze draagt een linnen schort met geborduurde randen. Een echte moeke, denkt Friedrich.

„Dag tante Hanne!" groeten de anderen enthousiast. „Gezellig dat u komt!" „Ja, 'k dacht dat het weer eens tijd werd, niet? Maar jullie hebben een gast zie ik.”

„O, maar tante Rita, kent u die niet? " Liselot is er natuurlijk weer als de kippen bij om alles precies te vertellen.

„Friedrich van oom Heinz!" Het vrouwtje slaat haar handen ineen van verbazing. „Wel, wel, ben jij Friedrich? Ik dacht dat je nog maar zó groot was..." Ze houdt haar hand een onwaarschijnlijk klein eindje van de grond af. Ze lachen allemaal.

Oom Franz zegt: „En nu meet jij nog vertellen, wie je eigenlijk bent, Hanne!" Tante Hanne zakt neer in een tuinstoel, die onheilspellend begint te kraken.

„Wel Friedrich, " begint ze, „ik ben Hanne, de vriendin van tante Rita. Ik heb vroeger bij je vader in de klas gezeten. Wat was het een belhamel, zeg" Lise haalt koffie met kersencake voor haar. „Lekker!" smult ze. Om haar lijn schijnt ze zich niet druk te maken. „Je cake is heerlijk, hoor Rita!”

„Je doet je er tenminste best te goed aan, plaagt oom Franz. „Net of er in de keuken bij de burgemeester nooit eens wat voor je afvalt ...”

Tante Hanne lacht smakelijk. „Nou, daar maak ik heus wel eens een restje op. Dat kan je toch wel aan me zien? ”

„Tante Hanne werkt bij de burgemeester in de huishouding, verklaart oom Franz aan Friedrich. Al zo'n vijfentwintig jaar, is 't niet, Hanne? "

„Zevenentwintig jaar en tien maanden, Franz. Maar in al die zevenentwintig jaar heb ik nog nooit zo iets meegemaakt als deze week.”

„Vertellen, tante Hanne!" dringt Karl aan. Ze gaan er allemaal gemakkelijk voor zitten. Misschien weer zo'n sappig verhaal!

„Nou, we hebben een gast, hè. Een heel rijke heer, die stenen verzamelt. Wat iemand er nou toch aan vindt om stenen te verzamelen, weet ik niet. Hier zijn geweldige stenen te vinden 1 , zegt hij. Hij is ook in de ijsgrot geweest. Wat wou ik nu eigenlijk ook weer zeggen? O ja, die heer hè die had een kadootje gekocht voor z'n vrouw. Een ring met briljanten. En nu is hij die ring toch kwijt. Ik snap niet dat zo'n man niet beter oppast

Alsof Friedrich gestoken is, zo veert hij op. „Een ring? " vraagt hij vol spanning.

Maar tante is zo in haar verhaal verdiept, dat ze geen aandacht schenkt aan Friedrichs nervositeit.

(Slot volgt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1976

Daniel | 16 Pagina's

HET GEHEIM VAN DE IJSGROT

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 april 1976

Daniel | 16 Pagina's