HET GEHEIM VAN DE IJSGROT
Ons vervolgverhaal (2)
Beneden vindt Friedrich alleen tante Rita, die in de keuken aan het afwassen is.
„Goedemorgen, Friedrich, " groet ze opgewekt. „Goed geslapen? ”
„Prima, tante. Té goed bijna!" lacht Friedrich wat verlegen. „Ik heb een gat in de dag geslapen, geloof ik.”
Tante Rita lacht. „O, dat geeft niets, hoor. 't Is vakantie. Je bent nog niet erg aan deze lucht gewend, denk ik. Iedereen die hier voor het eerst is, doet niets dan slapen.”
Ze spreidt een linnen doek op tafel uit en zet dan brood, jam en koffie voor Friedrich klaar.
„Waar zijn de anderen? " vraagt Friedrich als hij gebeden' heeft.
„Karl en Jürgen zijn met m'n man naar het land. Liselot is even een boodschap doen.”
„Doen ze dat altijd, Karl en Jürgen? 't Is toch vakantie? ”
„Ja, meestal wel. Als het nodig is tenminste. Nu is iet hooitijd, dus " Ze gaat tegenover hem zitten sn kijkt hem aan. „Ja, Friedrich, " zegt ze clan, „er nullen in deze vakantie wel eens dingen voorkomen, : lie je niet gewend bent. Maar we zullen er wel /oor zorgen, dat je het toch goed naar je zin hebt. ïr staan heus nog wel wat uitstapjes op het programma, hoor. Wat deed je thuis altijd in de vacantie? ”
Friedrich kleurt even. „Nou ja meestal gingen we met z'n drieën naar het buitenland. Verder wat tennissen en zwemmen en een paar wandeltochten maken en zo.......”
Friedrich begrijpt opeens, dat hij — de stadsjongen, die overal over mee weet te praten — toch eigenlijk weinig begrip heeft van het boerenleven. Thuis ging hij op een dure school, waar alleen jongelui uit de „betere milieus" op zaten. Daar had hij ook z'n vrienden. Moeder wilde dat zo Friedrich weet dat moeder anders is dan vader — minder eenvoudig. Ze had ook niet graag, dat hij hier ging logeren.......
Friedrich brengt de morgen door met wat boodschappen te doen, een brief naar vader en moeder te schrijven en het dorp te verkennen. Na de middag vertrekt hij met Karl naar de Alp. Oom Franz is al vooruit gegaan. Na een uurtje zal Liselot ook nog komen om te helpen.
Langs een smal wandelpad klauteren' ze achter elkaar naar boven. Dit pad is korter dan de geasfalteerde weg, die ze met de jeep altijd nemen. Maar het is toch nog een heel eindje, vindt Friedrich.
„Vind je 't niet lastig, Karl, om zo ver van je werkterrein af te zitten? " vraagt hij.
„Och " Karl haalt z'n schouders op. „Ik ben er
aan gewend. We weten niet beter.
Kijk, ” wijst hij dan. „We zijn er bijna. Daar achter die bosjes, daar is het!”
Gelukkig, denkt Friedrich. Hij heeft het v/arm gekregen van het lopen. In de verte ziet hij de jeep staan. Nieuwsgierig bekijkt hij het land. Toch nog een heel stuk. Of zou 't niet allemaal van hen zijn?
„Zo jongens!" begroet oom Frans hen. „Ben jij ook meegekomen, Friedrich? Leuk! Kijk maar eens rond, zou ik zo zeggen.”
Dat doet Friedrich dan maar. Hij loopt langs de rand van de wei en neust eens in de oude, scheefgezakte hut. Veel is er echter niet te zien. Wat touwen, stro, gereedschap Op een schap staan bekers en flessen. Zeker om af en toe wat water te drinken uit de bak buiten. Als hij weer buiten komt, ziet hij dat nog iemand naar boven gekomen is. Het blijkt een kennis van oom Franz te zijn, die in de hooitijd wat komt helpen. Het is een oude - man met een verweerd gezicht. Karl noemt hem Peter. Friedrich gaat in het gras zitten' en leunt met z'n rug tegen de onderste planken van de hut. Hè, lekker zo in het zonnetje. Hij wordt er soezerig van. Wat een slaap heeft hij hier steeds, zeg! Hij staat weer op en klopt z'n kleren af. Nee, hij 'moet niet in slaap vallen. Wat zouden ze hem uitlachen.
„Zeg, waar is nu die ijsgrot eigenlijk? " vraagt hij aan Karl, die het hooi aan het verspreiden is.
Karl wijst. „Zie je daar bij die bomen een weg lopen? Daar moet je het bos in en dan naar boven klauteren. Maar we gaan straks samen wel even kijken, jö. Want je vindt het zo maar niet." „Best, " vindt Friedrich. Hij kijkt naar Karl, die zich schrap zet op het sterk aflopende land en rap in de weer is met een hooivork.
„Heb je voor mij ook niet zo'n ding? " vraagt hij. Dan kan ik je helpen. Ben je vlugger klaar.”
Karl kijkt z'n neef aan. Wil je dat? Je hóeft het niet te doen, hoor. Is het werk niet te zwaar? ”
„Wel nee, " lacht Friedrich. „Dat zal toch wel meevallen....”
Karl haalt voor Friedrich ook een hooivork en wijst hem waar hij kan beginnen.
Dat is voor het eerst van m'n, leven, denkt Friedrich, als hij de vork aanpakt. Het is geen zwaar werk, bemerkt hij. Alleen lastig. Het land is erg ongelijk en er liggen grote keien'. Het is moeilijk om gelijkmatig te werken, als je je ene voet een halve meter lager moet zetten als de andere. Af en toe kijkt hij schuin op naar Karl, die heel wat sneller werkt als hij.
Hij geeft er nog een schepje op. Ze moeten nu niet denken, dat hij een zwak juffertje is. Na een tijdje begint de steel van de vork te gloeien in z'n handen, maar hij werkt ijverig door. „Gaat het? " roept Karl van de andere kant.
„Best!” roept Friedrich terug. Maar als hij opkijkt, moet hij opeens even op de vor.k leunen. Is hij rou zo duizelig? , , 't Is alleen warm, hè!" Maar Karl schijnt niet veel last van de warmte te hebben.
Het valt Friedrich toch tegen. Hij ploetert verder, maar de gang is er uit. Zou hij even stoppen? Tersluiks kijkt hij omhoog naar Karl. Opeens ziet hij dat oude Peter bij hem staat en dat ze naar hem kijken en lachen. Lachen ze hem uit? Hij wordt opeens woedend. Zulke boeren moet je ze midden in de stad neerzetten, dan kunnen ze geen tien telleh. Nijdig steekt hij de vork in het halfdroge gras. Maar het gaat niet verder. Hij kijkt naar zijn handen de blaren komen er op. Hup dan maar! Hij gooit de hooivork neer, loopt naar de anderen toe en zegt luchtig: „Ik stop een poosje, hoor. 't Is zó heet........”
„Best!” zegt Karl. ; Maar oude Peter grinnikt. „Ja jochie, dat is wat anders als bloemetjes plukken in je moeders tuintje!" Er zit een treiterende klank in zijn stem.
Friedrich zegt niets terug. Hij ziet dat Karl wél lachen moeten en dat maakt hem neg bozer. Gelukkig komt Liselot hen te hulp. Vanuit de verte ziet ze haar komen over het land. Ze zwaait vrolijk met een ketel: koffie!
Ze gaan met z'n vijven zitten in de schaduw van de hut. Liselot haalt de bekers en! schenkt er voor ieder een vol. Dat smaakt!
Moe leunt Friedrich achterover. Oom Franz kijkt naar hem en zegt dan: „Gaan jullie zo meteen maar een poosje 't bos in, Karl. Dan kan Liselot het een poosje overnemen.”
Liselot maakt een grappig-beteuterde grimas en ze moeten allemaal lachen Een vrolijke meid, die Liselot!
Al gauw staat oom Franz weer op on aan 't werk te gaan. Peter en Liselol volgen hem. Jaloers ziet Friedrich hoe
behendig Liselot het werk doet. Die kan het beter als hij..........
„Zullen we gaan? " zegt Karl naast hem. Friedrieh staat op. Dat is waar ook de ijsgrot! Samen lopen ze naar de weg. Nog steeds heeft Friedrieh niets gezegd. Karl voelt zich wat bezwaard. Zou Friedrieh hebben gemerkt dat ze om hem moesten lachen?
Onder de bomen is het heerlijk koel. Hoe hoger ze komen, hoe ruiger het terrein wordt. Overal liggen tussen de struiken grote keien en rotsblokken.
Opeens zegt Karl: „Kijk, hier kun je in de grot kijken. Je loopt er nu als het ware boven. Hij trekt wat struiken opzij en Friedrieh leunt over een grote kei cm naar beneden te kijken. Hij tuurt gespannen in een' donkere ruimte, waaruit een koude lucht opsti'k Zie niets, het is te donker, " zegt hij spijtig.
Even later staan ze bij de ingang: een donker hol schuin naar beneden. IJzeren beugels zijn bij wijze van trap aangebracht in de steile rotswand.
Wat besluiteloos staart Friedrieh naar Deneden. Hij denkt na Een roekeoos plan komt opeens in hem op.
„Hé, zegt Karl dan ineens. „Er zijn nog neer mensen hier geweest. Zie je wel? " Blij wijst naar de drassige grond, waar iog voestappen te zien zijn. Aan de Deugels kleeft nog verse modder. Het tan niet lang geleden zijn. Of is er iog iemand in de grot? En wat voert lie „iemand" daar dan uit?
, Laten we eens even wachten, " zegt friedrieh en hij gaat op een grote kei : itten. Gespannen luisteren ze, maar dies blijft stil.
Ondertussen woelt dat vreemde planïetje nog steeds rond in Friedrieh. 't tfag niet — maar hier is zijn kans. Hier can hij bewijzen: Ik, Friedrieh Wessel, lurf heus wel wat Ik durf in de ; rot te gaan!
’k Geloof dat we voor niets zitten te /achten, " onderbreekt Karl zijn gelachten.
Ik denk het ook, Karl. Zeg.... zal ik r eens in 'gaan? ”
Hè? Wat? Maar maar dat kan toch iet!" stottert Karl verbaasd.
O, maar ik durf best, hoor. Een klein indje kan toch zo gevaarlijk niet zijn? )f durf je soms niet? ”
Karl zegt niets. Nee, Ihij durft niet. Taar dat zegt hij nooit!
Nou, ik ga even' dan, " zegt Friedrieh > sjes. Hij zet z'n voet op de beugel.
„Friedrieh, doe het niet!" Karl. waarschuwt
Maar FriedriCh luistert niet. Ik zal laten zien dat ik geen juffershondje ben, denkt hij koppig. Voorzichtig zoekt hij met zijn voet steeds een nieuwe beugel — totdat hij de bodem raakt. Hij lacht even omhoog naar Karl, maar z'n hart klopt in z'n keel. 't Is toch wel donker. En 't ruikt zo geheimzinnig. Hij begint voorzichtig te lopen, 't Valt mee. Nu hij aan het duister gewend is, 'kan hij tocih wat onderscheiden. Hier en daar komt van boven wat daglicht.
Au! Hij stoot z'n voet tegen een steen, 't Is uitkijken. Stel je voor dat hij iemand tegen komt! Voetje voor voetje gaat hij verder. De bodem loopt langzaam af. Het wordt kouder. Na nog een meter of vier kan hij geen 1 hand meer voor ogen zien. Een duister hol grijnst hem tegen.
Opeens overvalt hem een felle angst. Hoort hij daar geen voetstappen? En klettert er niet een steen naar beneden? Terug wil hij naar boven! Hij draait zich om en gaat terug. Gelukkig, hij ziet weer daglicht. Hij hoefde toch ook niet verder? Karl weet nu wel: Friedrieh staat z'n mannetje.
Al gauw is hij bij de uitgang. Daar ziet hij Karl, maar ook Liselot. Hij schrikt. Is oom Franz er soms ook? Die is er echter niet.
„Ik kom, hoor!" roept hij. Maar als hij zijn voet in de eerste beugel wil zetten, valt zijn oog opeens cp iets roods tussen de losse stenen. Wat is dat? Hij bukt zich en! kijkt. Een pakje! Een klein, fijn pakje ligt daar van maar enkele centimeters groot. Verwonderd pakt Friedrieh het en klautert vlug naar boven.
„Jongens: Ik heb wat gevonden! Kijk eens!”
Karl en Liselot buigen zich verwonderd over het pakje in zacht rood papier, dat op Friedrichs hand ligt. Ze vergeten dat ze eigenlijk een beetje boos zijn op hem. Zenuwachtig trekt Friedrieh het papier er af. Zie je wel: een klein doosje. Zo voelde het ook aan. Voorzichtig doet hij het open.
„Oooh!” roepen ze dan alledrie tegelijk. „Een ring!”
In roze watten schittert hen een witgouden ring tegen; met briljantjes ingezet.
„O Friedrieh, " zucht Liselot. Van wie zou die zijn? ”
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1976
Daniel | 18 Pagina's