IETS OVER DE VERHOUDING KERK EN ISRAËL
Het is geen eenvoudige zaak vanuit de Schrift de verhouding tussen 1 Kerk en Israël te bepalen. Toch wil ik proberen er enkele dingen over te zeggen. Laat ik beginnen met een persoonlijke herinnering. Toen Israël na de zesdaagse oorlog in juni 1967 als overwinnaar uit de bus kwam, moesten ook onze predikanten wel iets over de toekomst van het volk Israël zeggen vanaf de kansel. Onze predikant zei toen ongeveer het volgende tegen de gemeente: denk nu niet dat er voor het volk Israël nog bijzondere beloften Gods zijn; de unieke positie van Israël is weggevallen door de 1 'komst van Christus; er zullen individuele Joden zalig worden', net zoals de Heere zijn uitverkorenen zal hebben uit andere volken. Ik herinner me nog goed hoe verontwaardigd ik toen was. O, zei ik, dat is de dogmatiek van Ds. Kersten na praten. Zien ze dan niet dat het in Rom. 11 helemaal niet gaat om Gods volk, het geestelijke Israël? Zien ze dan niet dat het in dat hoofdstuk gaat over het nationale Israël, en staat daar dan niet dat eenmaal geheel Israël tot bekering zal komen? (vs. 26)
Intussen is er wel wat veranderd. Als ik het goed zie, wordt de opvatting die ik zojuist heel kort omschreef lang niet meer door iedereen aangehangen. Wat de toekomst van Israël betreft neigt men ertoe over de opvattingen van „vader" Brakel en andere oude schrijvers te delen. Dat betekent dus: geloven dat Israël eens de Heere Jezus als de Messias zal aanvaarden met als gevolg een wonderlijke opbloei van de Kerk.
Ik moet evenwel bekennen dat er ook in mijn opvattingen een wijziging is gekomen. Na. langdurig 'Schriftonderzoek ben ik tot de overtuiging gekomen dat die dominee toen. in 1967 'gelijk had en dat wat Ds. Kersten in zijn dogmatiek hierover schrijft op de Schrift gegrond is. Dat betekent dus dat ik geloof dat de Kerk in de plaats van Israël gekomen is; dat er geen bijzondere (!) beloften meer voor Israël zijn; en dat de christelijke Kerk de vervulling is van de O.T.-ische beloften 1 aan Israël. Ik kan in het korte bestek van dit artikel geen volledige verantwoording geven van deze opvatting. Daarom zal ik me beperken tot een Schriftgedeelte dat wel heel erg belangrijk is in dit verband, n.1. Rom. 11.
Geheel Israël zalig?
Daarbij gaat het natuurlijk vooral om vs. 26: „En alzo zal geheel Israël zalig worden". Hoe moeten we dit opvatten? Gaat het hier om het geestelijke Israël, zo als, men vroeger vrij algemeen dacht, en zoals ook Calvijn het uitlegt? Of moeten we hier lenken aan het volk Israël en staat hier dan dus dat het volk der Joden eenmaal de Heere Jezus als Zaligmaker zal aannemen? Ik geloof dat Calvijn volkomen gelijk iad, toen hij dit „geheel Israël" verstaan wilde hebben! van de verzameling van alle
gelovigen uit Jood én heiden, dus als het geestelijke Israël. Hij verwees in zijn commentaar daarbij naar Gal. 6 : 16 waar gesproken wordt over het Israël Gods. Ik geloof dus dat Rom. 11 helemaal niet spreekt over een toekomstige bekering van het volk Israël. Ik ben van mening dat we dit Schriftgedeelte helemaal verkeerd lezen, als we er een dergelijke volksbekering in lezen.
Laat ik beginnen met te wijzen op een paar veel voorkomende fouten die in dit verband gemaakt worden. In de eerste plaats moet er dan op gewezen worden! dat het woordje „alzo" uit vs. 26 vaak opgevat wordt als „dan". De verharding is gedeeltelijk over Israël gekomen, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. (Maar dan zal geheel Israël zalig worden. Zo leest men hier dan. Op deze manier wordt er dus een tijdsmoment bijgehaald. Brakel redeneert ook zo. Hij vraagt zich af: anneer zal geheel Israël zalig worden? Plet antwoord is dan natuurlijk: ls de volheid der heidenen zal ingegaan zijn. We moeten er evenwel op wijzen dat er op deze manier iets ingelegd wordt v/at er niet staat. In het oorspronkelijke staat echt: n op die manier (alzo) zal geheel Israël zalig worden. We zullen straks zien dat dit van groot belang is. Een andere vrij algemeen voorkomende fout is de redenering dat Paulus in Rom. 11 : 26 wel op het volk Israël moet doelen, omdat hij in het voorafgaande met „Israël" steeds het nationale vol'k bedoelt. We krijgen dan zo ongeveer de volgende gedachtengang: et bestaat niet dat Paulus, in (het voorafgaande steeds over het volk Israël spreekt, en dat hij dan hier, dus in 11 : 26, ineens een „geestelijk" Israël zou bedoelen. Toegegeven moet worden dat deze bevolking veel mee heeft. We komen hiermee ook dichter bij de kern waar het om gaat. Toch geloof ik te moeten, stellen dat deze gedachtengang foutief is : . De vraag is nu: aarom?
Wel, men vergeet voor het gemak maar dat juist aan het begin van Paulus' betoog over het volk Israël een uitspraak voorkomt, waarin hij het wel degelijk over een geestelijk Israël heeft! Immers, direct aan het begin al, in hoofdstuk 9, staat daar die kardinale uitspraak: ie zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn! Kijk, het is duidelijk dat de apostel hier met twee begrippen Israëls werkt. Zijn bedoeling kan niet anders zijn dan deze: innen het volk Israël is een groep mensen die waarlijk Israël zijn, die werkelijk kinderen van God zijn. Israël is het volk van God, jawel, maar binnen de kring van het uitwendige volk is er een kleinere kring van mensen die naar God vragen en die Hem zoeken, en dat is het eigenlijke Israël (Ps. 24 : 6). Het wordt volkomen duidelijk wat de H. Geest ons hier bij monde van Paulus wil leren, wanneer we deze uitspraak overbrengen op onszelf, dus op de Kerk: iet allen zijn christen die christen genaamd worden! Dat er binnen het nationale Israël een geestelijk Israël was, bewijst het hele O.T. overvloedig. Paulus spreekt over dit geestelijke Israël ook, als hij zegt: Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen, maar de uitverkorenen hebben het verkregen " (Rom. 11 : 7). Het argument dat Paulus steeds spreekt over het volk Israël en dat dat dus ook wel zo zal zijn in 11 : 26 gaat dus niet op. Reeds in Rom. 9 : 6 heeft hij het over het eigenlijke Israël. De vraag is nu evenwel: s dit nu zo'n belangrijke constatering? Waarom, sprak ik zoeven over een „kardinale" uitspraak? Voor de beantwoording moeten we erop letten dat de uitspraak „Die zijn niet allen Israël die uit Israël zijn" niet geïsoleerd staat. Die staat daar niet zo maar plompverloren, nee, die staat in een bepaald verband. En dat verband is erg belangrijk. Lees het begin van Rom. 9 maar.
Paulus heeft met smart en droefheid geconstateerd dat zijn broeders naar het vlees van Christus verbannen zijn. En dat terwijl ze zovele voorrechten genoten! Paulus somt die voorrechten ook op. Maar nu lijkt het erop alsof het Woord van God uitgevallen is. D.w.z. alsof datgene wat God eenmaal heeft gesproken helemaal niet uitkomt. Immers, spraken alle profeten niet herhaaldelijk over de zaligheid van de komende Messias als bestemd voor Israël? Inderdaad, wanneer men de heerlijke profetische beloften., b.v. die over het Nieuwe Verbond, in het O.T. leest, dan wordt daar steeds gesproken' over Israël, of Jakofo, of het ganse huis Israël, of Efraïm en Juda, ; als degenen' die in dat heil eenmaal zullen delen. Alles wat in de profetie omtrent de toekomende zaligheid geprofeteerd wordt, is voor Israël.
Maar wat blijkt nu? De Messias is gekomen, de nieuwe tijd is aangebroken waar alle profeten 'met reikhalzend ver-
langen naar hébben uitgezien (1 Petr. 1 : 10—12; Hand). 3 : 24) en het merendeel van het volk Israël heeft Hem niet aangenomen. Hij is gekomen tot het Zijne, maar de Zijnen' hebben Hem niet aangenomen (Joh. 1 : 11). Hoe is dat nu mogelijk? Klopt dat Woord van God dan wel? Is dat dan eigenlijk wel betrouwbaar? Blijkt nu gewoon niet dat het Woord van God gesproken door < Mozes en de profeten uitgevallen, d.i. uitgeschakeld is?
Paulus toont nu evenwel aan dat van een „uitvallen" van het Woord van God geen sprake kan zijn. Jazeker, aan de Israëlieten is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de beloftenissen, enz. „Doch... niet, als of het woord Gods ware uitgevallen". Van wezenlijk belang is nu welke verklaring de apostel geeft van het feit dat het Woord van God niet uitgevallen is, ook al verhardt het merendeel der Joden zich. Wat laat Paulus volgen? Zegt hij dan: Niet alsof het Woord van God ware uitgevallen, want eenmaal zal totih gans Israël tot bekering koimen? Of: niet alsof het Woord van God ware uitgevallen, want na vele eeuwen zal Israël toch alsnog als volk de Messias, de Heere Jezus, aannemen? Nee, niets van dat alles. Hij zegt: Want die zijn niet allen Israël die uit Israël zijn!
Dus, dat er binnen Israël een groep mensen is die waarlijk Israël zijn, de uitverkorenen (11 : 7), is de verklaring voor datgene wat op het eerste gezicht een raadsel is, dat n.1. de Messiaanse profetieën met betrekking tot Israël niet schijnen' uit te komen. En het lijkt wel alsof Paulus voorvoeld heeft dat wij zijn bedoeling niet direct zouden begrijpen, want hij voegt er in vs. 7 en 8 nog aan toe: at betekent dat niet de kinderen des vleses werkelijk kinderen van God zijn, maar alleen de kinderen der beloftenis. En wie Rom. 9 dan verder leest, zal bemerken dat de kinderen der beloftenis, die dus tegenover de kinderen des vleses gesteld worden, geen anderen zijn dan de vaten der barmhartigheid waarover de apostel in vs. 23 spreekt. En over deze vaten der barmhartigheid zegt hij: Welke hij ook geroepen heeft, n.1. ons, nist alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen”.
Het geestelijke Israël
Uit dit alles blijkt dus wel dat hetgeen God in het O.T. profetisch beloofd heeft aan „Israël", vervuld wordt aan en in het geestelijke Israël, n.1. de Gemeente van het N.T. En tevens blijkt hier ook de wezenlijke eenheid tussen de gelovigen uit het O.T. en de gelovigen uit het N.T. Niet voor niets spraken onze Reformatoren met voorliefde over de Kerk die vanaf Adam bestaat (N.G.B., art. 27). Maar het begin van Paulus' betoog over Israël werpt ook licht op het eind. Want, als nu aan het begin reeds gezegd wordt dat het Woord van God geenszins uitgevallen is, ook al verwerpt het merendeel der Joden de Ohristus Gods, hoe is het dan mogelijk dat aan het eind van hetzelfde betoog een precies tegenovergestelde conclusie getrokken zou kunnen' worden? Als Paulus in (hoofdstuk 9 zegt dat het Woord van God niet uitgevallen is omdat de zaligheid uit Christus niet aan het natuurlijke Israël ten deel valt, maar aan het geestelijke; en als hij verder zegt dat niet de kinderen des vleses de kinderen van God zijn, maar de 'kinderen der beloftenis, hoe is het dan mogelijk, daar de Schrift toch niet gebroken kan worden, dat aan het eind, dus in hoofdstuk 11, zou staan dat geheel het natuurlijke Israël tot bekering zal komen? Dit zou fundamenteel met elkaar in strijd zijn! Het zou trouwens ook in strijd zijn met andere Schriftgedeelten, to.v. met Gal. 4 : 20—31, waar de H. Geest getuigt dat de zoon van de dienstmaagd, d.i. het Jeruzalem dat nu is. hetgeen dienstbaar is, niet zal erven met de zoon van de vrije, d.i. het Jeruzalem dat boven is, de kinderen der belofte.
Wat Paulus in 11 : 26 precies bedoelt, kan o.i. ook duidelijk worden' uit het hele kader van de Romeinenbrief. Kennelijk was er in de gemeente van Rome behoorlijk onenigheid tussen christenen uit de heidenen en christenen uit de Joden. De laatsten waren zwakke gelovigen, ze hielden neg vast aan allerlei spijswetten en feestdagen (lees hfdst. 14!), en' werden daarom door de heiden-christenen veracht. Vandaar dat de apostel deze heiden-christenen speciaal aanspreekt (11 : 3) en hen waarschuwt niet hooggevoelende te zijn en niet tegen de Joden te roemen (vs. 18-20). Maar de Joden-christenen „oordeelden" de anderen (hfdst. 2), konden niet geloven dat heidenen, gojim, de zaligheid ook deelachtig werden. Zij dachten: et heil is tcch voor Israël? Lees de profetieën. Zij vroegen zich af hoe het mogelijk was wat velen van hun
broeders naar het vlees de Heere Jezus verwierpen. De aeiden-christenen daarentegen zagen in de Joden, de kruisigers van Hem die hun dierbaar geworden was en 'hadden kennelijk de neiging het hele Joodse volk af te schrijven. Het is op deze vragen dat de apostel een antwoord geeft, speciaal ook in hfdst. 11. Tegen de heiden'-christenen betoogt hij dat de verharding maar voor een gedeelte over Israël gekomen is. Zij moesten niet denken dat God het oude bondsvolk geheel van de zaligheid uitgesloten had. Nee, totdat de volheid van de volkeren (dat is in dit verband een betere vertaling) zal zijn binnengegaan in het Koninkrijk Gods, d.w.z. totaan de jongste dag, zal er uit het volik Israël een overblijfsel zijn dat in Jezus Christus Zijn Borg en Zaligmaker zal begroeten. Totdat het tijdstip komt dat uit alle volkeren God Zijn uitverkorenen bijeenverzameld heeft, zal er steeds ook een overblijfsel der verkiezing uit het volk Israël bij zijn, net zoals dat er in Paulus' dagen reeds was. Als de volheid (het pléroma) der volkeren' binnengegaan zal zijn, dan zal hetj einde komen, leerde Jezus in (Matth. 24 : 14. Maar bij dit pléroma zal dus altijd een gedeelte van het volk Israël zijn. Dat is een eeuwig groot wonder, een wonder van Gods soevereine genade, want Israël had verdiend door Gods toorn verdelgd te worden, evenals Paulus zelf.
En op die manier (alzo) zal dan toch geheel Israël zalig worden. D.w.z. op die manier komen de profetieën over Israël, over gans Israël, > b.v. de profetieën die Paulus in vs. 26 en 27 citeert, toch uit. Een volheid uit alle volkeren, waarbij ook zal zijn een gedeelte van Israël, op die manier zal gans Israël zalig worden. Zo moeten jullie de profetieën opvatten, en niet anders. Jullie moeten daarbij dus niet denken' aan het natuurlijke Israël, de kinderen des vleses, maar aan het volk van God, het geestelijke Israël, de kinderen der belofte! Zo 'gezien staat er in vs. 25 precies het tegenovergestelde van wat men er tegenwoordig gewoonlijk in leest. 'Er staat dan totaan de laatste dag de verharding over Israël maar gedeeltelijk zal zijn.
We kunnen het hierboven gestelde ook nog van een andere kant benaderen. Er staat in 11 : 26 niet: n alzo zal geheel Israël tot bekering komen; of: n alzo zal geheel Israël de Messias Jezus aannemen, o.i.d. Nee, er staat wél: n alzo zal geheel Israël zalig worden. Dit „zalig worden" is een eschatologische notie, het wijst op de eeuwige gelukzaligheid. „Zalig zijn" heeft in de Schrift betrekking op dit leven, „zalig worden"' heeft betrekking op het toekomende leven. Als Paulus een volksbekering van Israël bedoeld had op een bepaalde tijd in de geschiedenis, dan zou hij andere woorden gebruikt hebben. Deze uitspraak staat op één lijn met andere Schriftwoorden, b.v. „Wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden" (Math. 24 : 13), en: Die geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden (Mark. 16 : 16). „Geheel Israël" is dan ook precies hetzelfde als „ieder die de naam des Heeren zal aanroepen" (Hand. 2 : 21), en: allen die imet hun mond de Heere 1 Jezus belijden', en met hun hart geloven dat God Hem uit de doden opgewekt heeft" (Rom. 10 : 9). Volgens mij moet Calvijn hierop gedoeld hebben, toen hij schreef dat Paulus in vs. 26 zinspeelde op de voleiding van het Rijk van Christus, en dat daarom aan het geestelijke Israël uit Jood én heiden gedaciht moest worden.
Israël en de gemeente
Tenslotte wil ik dan ook nog wijzen op het feit dat Paulus verwijst naar profetieën als Ps. 14 : 7, Jes. 27 : 9, 59 : 20, Jer. 31 : 31-34. Deze verwijzing op zichzelf reeds moet ons ervoor hoeden te denken aan het volk Israël. Het hele N.T. leert ons n.1. dat de profetie van het Nieuwe Verbond haar vervulling gevonden heeft in de Kerk, in
de Gemeente. Lees maar Hebr. 8 en ook hoe Paulus in 2 Cor. 6 : 16 - 7 : 1 de kernbeloften van het Nieuwe Verbond toepast op de Gemeente. En Sipn is N.T.-isch gezien het hemelse Jeruzalem, de stad van de levende God, de Gemeente van eerstgeborenen (Hebr. 12 : 22w.; Gal. 4 : 20-31). Sion, dat is de Kerk. Denk aan Ps. 87.
Wij komen dus tot de conclusie dat Rom. 11 helemaal niet spreekt over een toekomstige bekering van Israël. En dat kan ook niet. Want Paulus spreekt in Rom. 11 steeds over de Joden uit zijn eigen dagen, ruim tien jaar vóór de val van Jeruzalem in 70 n. Ghr. Daar moeten we ooik eens even goed op letten. Als wij Rom. 11 lezen, en zeker vs. 26, dan denken we vrijwel automatisch aan het Israël van nu, van na 1948, en we zeilen met een grote boog om al die miljoerien Joden uit de voorafgaande eeuwen heen. Maar Paulus denkt aan zijn, eigen tijd, heel concreet. Niet alleen doet hij dat aan het begin van Rom. 11, maar ook aan het eind. In vs. 5 zegt hij: „Alzo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden " Paulus probeert in de laatste jaren vóór de val van Jeruzalem en de verstrooiing zijn vlees tot jaloersheid te verwekken en enige (!) uit hen te behouden (vs. 14). En in vs. 31 getuigt hij: „Zo zijn ook dezen nu ongehoorzaam geworden, opdat door de u betoonde ontferming ook zij thans ontferming zouden vinden". Ik citeer hier de N.V., want de S.V. heeft het woordje „thans" niet. Toch staat er in het Grieks twee keer: nu!
We moeten dus wel concluderen dat Paulus helemaal niet een profetie uitspreekt over de Joden die na vele eeuwen verharding ineens tot bekering komen. Nee, opdat zij thans ontferming zouden. vinden. Dat is wat wij de uitwendinge roeping plegen, te noemen. Die kwam ook in Paulus' dagen reeds tot Israël. Maar de meesten hebben zich inderdaad verhard. En dat geldt helaas ook voor die miljoenen Joden uit het verleden 1 . En dat geldt ook voor Joden van vandaag de dag. Laten we toch alsjeblieft niet denken dat de Joden die ijverig zijn naar de wet en die tot God bidden, maar de Heere Jezus niet nodig hebben, nu wél in de hemel zullen komen! Ik kan in de terugkeer naar Palestina in 1948 geen vervulling van de O.T.-ische profetieën zien. Want de Schrift leert me alom dat de onmisbare voorwaarde voor deze vervulling is algehele bekering van hart en ziel tot God (lees alleen maar 1 Kon. 8 : 48-49). Wél is het zo dat aan Israël nog steeds de beloften toekomen (Hand. 2 : 39; Rom. 9 : 4). De Heere staat noig immer met uitgebreide armen tegenover een ongehoorzaam en tegensprekend volk dit zegt nog niets over het deelachtig zijn van de zaligheid.
Immers, de beloften moeten in de weg van geloof en bekering verwezenlijkt worden. Niet allen tot wie Petrus zei: komt de belofte toe en uw kinderen, namen het Woord gaarne aan, zodat ze toegedaan werden tot de Gemeente die zalig werd. De roeping van God is omber ouwelijk, en ook Zijn genadegift, d.w.z. Zijn genadeaanbieding is onberouwelijk. Israëls ontrouw maakt Gods trouw niet te niet (Rom. 3:3);
Kerk en Israël
We stelden hierboven: e Kerk is in de plaats van Israël gekomen. Inderdaad, Gal. 4:1-7 laat dat wel heel duidelijk zien. Israël en de Kerk, het is één en dezelfde persoon, met één en' dezelfde erfenis. Alleen Israël vertegenwoordigt het stadium van de onmondigheid en de onvolwassenheid, de Kerk daartegenover dat van de volwassenheid. Let eens op het gebruik van Ihet woord „wij" in deze pericoop! Alleen we moeten dan bij „Kerk" in eerste instantie denken aan het wezen van de'Kerk, niet aan de zichtbare gestalte ervan. De Kerk is niet allereerst eeri sociologische igrootheid, een instituut zoals er zovele zijn, maar veelmeer de verzameling van allen die hun heil en zaligheid van Jezus Christus verwachten. Dat wordt te vaak vergeten.
Helaas is er de laatste tijd zoiets als een Israëlcultus. Die vind ik erg gevaarlijk. Het gevaar bestaat dat geloven opgaat in geloven in de toekomst van Israël en gespannen uitzien naar gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Laten we toch oppassen om in verband met. het huidige Israël Schriftwoorden te ^gebruiken als: Wie u zegent, die zal gezegend worden. Ik geloof dat we elkaar niet lelijk moeten aankijken vanwege een bepaalde Israëlvisie, als die maar niet sektarisch wordt.
En laten we zeker de Joden niet vereren. Want al winnen ze alle oorlogen tegen de Arabieren, als ze niet in Christus geloven, dan blijft de toorn Gods op hen en gaan ze voor eeuwig verloren'. Laten we dan ook zó voor hen bidden zoals de apostel Paulus dat deed. Die bad voor hun zaligheid!! En laten we bovenal niet vergeten werkzaam te zijn met onze eigen zaligheid, opdat we eenmaal mogen behoren tot tiet ganse Israël dat zalig zal worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 maart 1976
Daniel | 18 Pagina's