VAN ARMENZORG TOT WEL-ZIJNSWERK
In de ontwikkeling van de sociale arbeid — van armenzorg tot welzijnswerk — zijn verschillende uitgangspunten voor het dienstbetoon aan de naaste aan te wijzen.
De armenzorg in Israël
In Israël was neg geen sprake van een georganiseerde verzorging van de armen'. Wel had de Heere aan Zijn volk wetten gegeven, waardoor armoede van grote omvang niet voorkwam. Denk slechts aan het jubeljaar, wanneer het land weer in het bezit kwam van. de oorspronkelijke bezitter; aan het recht van lossingen aan de rentebepalingen.
Toch waren er nog wel armen in Israël. Oek voor de onderhouding van deze armen had het volk voorschriften ontvangen. De armen hadden recht cp de nalezing van de ccgst (Lev. 19 : 9); wat er in het sabbatjaar groeide was voor hen bestemd (Lec. 25 : 2); zij mochten aanzitten aan de offermaaltijden (Deut. 14 : 28) en aan de nooddruftige moest het Icon uitbetaald worden vcor de avond daalde (Deut. 24 : 15).
De wet droeg dus in het bijzender zorg voor de armen. Het stend vcor de Israëliet vast, dat barmhartigheid een eis van God was.
De armen werden in Israël anders beschouwd dan bij de omliggende heidense volken. Zij werden niet veracht, omdat ze arm waren.
God ontfermt zich over hen!
Het recht van God is het uitgangspunt vcor het dienstbetoon. Niet altijd handelde het volk naar Gods geboden.
Toch klinkt het altijd weer bij monde van Gods profeten: , .Hoort dit Wcord, Gij die de armen verdrukt!”.
Dienstbetoon bij de Grieken en Romeinen
Uitgangspunt bij de hulpverlening in cle Griekse en Romeinse tijd vormden de menselijke lotsverbondenheid.
De Grieken lieten zich met name leiden door de filantropia; de menslievendheid Bij de Grieken was de hulpverlening al enigszins georganiseerd. Men kende de landtcewijzing, de ziekenzorg en er waren reeds wettelijke maatregelen voor weduwen en wezen.
De Romeinse hulpverlening kenmerkte zich door de humanitas; de menselijkheid het erbarmen. Het was een menselijke deugd om medeburgers te helpen. De gezindheid van degene die de hulp verwachtte speelde daarbij een belangrijke rol.
De Nieuwtestamentische Gemeente: dienen door de liefde
Gezien tegen de achtergrond van de oudheid was het dienstbetoon (do caritas) vai de eerste christengemeente niets geheel nieuws. De liefde vormde de ondertoon
Uit de liefde waarmee Christus Zijn Gemeente heeft liefgehad, wordt ook de liefde tot de naaste geboren. Deze liefde tot de naaste was een radicaal andere dan de filantropia der Grieken of de humanitas van de Romeinen. Voor superioriteitsgevoel is geen plaats, want het is dezelfde nood, de hoop op dezelfde barmhartigheid Gods, die de christen met zijn naaste verbindt.
De gemeente, gedreven door de Heilige Geest, vertoonde de eerste tekenen van het herboren leven; er was onder hen niemand die behoeftig was.
De dienst der barmhartigheid, samengevat in de diakonia, werd door de gemeente in praktijk gebracht.
Dankbaar en vol lef schrijft Paulus in zijn brief aan de Romeinen over een bij name genoemde diacones, Feibe van Kanchrea; „Zij heeft velen, ook mij persoonlijk, bijstand verleend”.
De bijzondere gaven (Hand. 2 : 44, 4 : 35, Rom. 12 : 7, 8, Cor. 12 : 28) werden na de eerste tijd gebonden aan het ambt. Het diakenambt werd een zelfstandigambt naast dat van de presbijters (2 Cor. 8 : 4, 9 : 11).
In deze eerste tijd van de christelijke jaartelling stonden de christenen' er cm bekend dat zij juist die mensen hielpen naar wie de maatschappij niet omkeek; de ongeneeslijk zieken, de blinden, de lammen, de bedelaars enz. Zij deden dat, omdat Christus het hun had opgedragen, en Hij zei „In zoverre Gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt ge het Mij gedaan”.
De beweegreden was de beleving van Gods genade, de opdracht van Christus in Matth. 25 : 34-41 werd „het program" van de christelijke hulpverlening.
Middeleeuwen en Reformatie
Nadat de christelijke kerk dcor Constanstijn de Grote tot staatskerk wordt verheven komen de wereldlijke problemen ook binnen de kerk.
De zorg voor de naaste wordt massaler. Er is te weinig aandacht voor de enkeling. Meer en meer raakt de liefde op de achtergrond. Het is menselijk de nadruk op de gever van hulp schuift weer naar voren. Het oorspronkelijke deel (zorg voor de armen en behoeftigen) werd middel tot verwerving van eigen zieleheil. Door goed te doen trachtte men de hemel te verdienen. Van een omkeer is pas sprake als Luther en Calvijn ten strijde trekken tegen de goede werken-leer. De kerk wordt teruggeroepen tot het Wcord van Gcd. Ook het diakenambt wordt in eer hersteld.
De dienst der barmhartigheid wordt weer in het juiste licht geplaatst: geen middel tot genade maar wel een vrucht •van de genade.
Luther en Calvijn gaan in de praktische uitwerking echter wel verschillende wegen. Luther was de overtuiging toegedaan dat de armenzorg staatszorgdiende te zijn, terwijl Calvijn de nadruk legt op de roeping der kerk en staatsonthouding eiste.
Beiden leggen echter weer de nadruk cp het bijbelse beginsel van de liefde. Ook Luther toonde in zijn geschriften en prediking grote sociale bewogenheid en riep de Gemeente en de Christelijke overheid cp tot hulp van de naaste.
Nadere Reformatie en Reveil
Hoewel er in geeri enkele publicatie — voor zover mij bekend is — over de geschiedenis van de sociale zorg een plaats word ingeruimd voor de Nadere Reformatie wil ik in dit artikel toch niet aan deze beweging vcorbij gaan. De vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie beklemtoonden in de eerste plaats de praktijk der godzaligheid in persoonlijke godsvrucht, maar riepen daarbij direct op tot het zoeken „van des naasten heil”.
In de begintijd is het met name Jean Taffin, hofprediker van Prins Willem van Oranje, clie in zijn „Vermaninghe tot liefde ende Aalmeese" oproept cm de armen weldadigheid te bewijzen.
Ook bij Udemans komt de bewogenheid met armen en weduwen tot uiting.
Het „Deo Vivere", het ernst maken met Gods geboden drong hen tot dienst aan de naaste. 'Meer dan ooit was deze dienst van de naaste nodig in de 19e eeuw. Met het ontstaan van de industriële maatschappij kreeg de armoede in ons land een massaal karakter.
De werkende man was volstrekt afhankelijk van de werkgelegenheid in de industrie, maar ock van zijn vermogen tot werken. Als bijvoorbeeld de vader van een gezin overleed bleef zijn gezin noodlijdend achter. Helaas heeft de kerk in deze tijd lang niet altijd de goede weg bewandeld.
Er waren in deze tijd mensen die het zo arm hadden dat ze zich schaamden
om met hun schamele kleding naar de kerk te gaan. De kerkeraad van de Hervormde Gemeente te Delft wilde deze verhindering wegnemen door een gedeelte aan de kerk te touwen zodat ook de hinder van het zicht op de armen weggenomen zou zijn!
Nadat de zgn. Armenkerk in gebruik was genomen (1847) dienden alle bedeelden ter kerke te komen. Bij binnenkomst ontving men dan een kaart, die in de loop van de week bij het ontvangen van „de steun" moest worden getoond en ingeleverd. Bedeelden die de dienst niet bijwoonden, verloren alle aanspraak op hun bedeling!
In deze veertiger jaren van de 19e eeuw gebeurde er in ons land echter nog iets. Vanuit het Reveil, een geestelijke opwekkingsbeweging, klonk een krachtige oproep tot hulp van de arme. De Hemmense predikant ds. Heldring deed samen met de staatsman Groen' van Prinsterer een oproep tot bundeling van krachten.
Veel werk werd ter hand genomen. Werk voor de armen, de verdwaalden, voor verwaarloosde kinderen, ongehuwde moeders en vrouwen. Heldring zocht de armen op in hun „ellendige hutten", waar soms een huisgezin vertoefde van acht kinderen, zonder iets. Het vuur stookte men op de natte grond, waarbij de kinderen op hun buik lagen". De armen werden geholpen om zelf in hun behoeften te kunnen voorzien.
De ziekenverpleging werd als een dringende opdracht gezien en gestalte gegeven in het eerste Diakonessenhuis te Utrecht. Zonder naar volledigheid te streven noem. ik nog het christelijke sociale werk. Het is een legende als men beweert dat vanuit christelijke huize de sociale nood der arbeiders niet werd gezien. De namen van Talma en De Visser zijn er om dit te weerleggen'. Reeds lang voordat Van Houten in 1874 met zijn kinderwet kwam bepleitte Groen de afschaffing van. de kinderarbeid.
Daar waar ernst gemaakt werd met de eis „Zoekt eerst het koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid", werd ook de christelijke barmhartigheid weer beoefend.
Welzijnswerk
In de 20e eeuw wint de gedachte „armenzorg is staatszorg" geleidelijk aan meer veld. Helaas heeft een falend diakonaat van de kerken daar het nodige toe bijgedragen. Anderzijds zijn het de socialistische en liberale stromen in ons volksleven geweest, die er toe hebben geleid dat na de Tweede wereldoorlog de sociale arbeid zich steeds meer heeft losgemaakt van het christelijk dienstbetoon en zich ontwikkeld heeft tot de welzijnszorg zoals we die thans kennen. In tegenstelling tot vroeger, toen de sociale zorg veelal gericht was op het individuele aspect van de armoede, heeft deze zorg in onze tijd een veelomvattertder karakter gekregen. De sociale wetgeving heeft hierin een belangrijke rol gespeeld. De hulpverlening werd steeds meer verplaatst naar de zakelijke sfeer van de sociale verzekering, waarbij de plichten en rechten van het individu door collectieve maatregelen (gericht op groepen en categorieën) werd geregeld. Naarmate deze voorzieningen, tegenwoordig aangeduid als welzijnszorg, zich verder ontwikkelden, bleek dat de enkeling bleef aangewezen op individuele hulp. Een belangrijke taak voor het maatschappelijk werk!
Maatschappelijk werk
Omdat de samenleving een zeer ingewikkeld patroon is gaan vertonen, zijn de daaruit voortkomende noden' ook zo ingewikkeld. Dit maakte geschoolde hulp nodig. Deskundigheid is een belangrijke eigenschap van het maatschappelijk werk. In de benadering van de cliënt en in de behandeling van zijn problemen werkt de hulpverlener met eigen methodieken. Door middel van o.a. socialcasework en social-grcupwork (individuele en groepswijze gevalsbehandeling) wordt getracht hulp te verlenen. Er zijn langzamerhand allerlei specialisaties in het maatschappelijk werk opgetreden. Naast het algemeen m.w. is er het gezins-en bedrijfsmaatschappelijk werk, en het ingebouwd maatschappelijk werk in de reclassering, de kinderbtescherming e.a. Vanaf haar ontstaan is het maatschappijk werk in ons land veelal op levensbeschouwelijke basis georganiseerd. Ook vanuit de prot. chr. levensovertuiging zijn allerlei vormen van maatschappelijk dienstbetoon opgezet. Men begreep dat de enige juiste grondslag voor cleze arbeid de bijbelse opdracht tot dienstbetoon moest zijn. Helaas is onder de druk van overheidsmaatregelen door middel van schaalvergroting veel christelijk werk in algemene (zgn. neutrale) instellingen opgegaan.
Welzijn en diakonaat
Welzijnswerk wordt wel omschreven als het geheel van aktiviteiten die zich richten op het herstel en op de bevordering van de maatschappelijke ontplooiingsmogelijkheden. Het richt zich daarbij veelal op de buitenkant van het menselijk toestaan. In het welzijnsbeleid van de overheid staat het recht van welzijn voor iedereen centraal. Het hangt daarbij van de mens af of het leven leefbaar blijft. Helaas houdt men er geen rekening mee dat de mens door eigen schuld zijn staat van welzijn heeft verloren. Natuurlijk hebben we de opdracht om tot welzijn van onze naaste bezig te zijn. Er kan echter alleen sprake zijn van echt welzijn als de verbreken relatie met God hersteld is. Als dit ons uitgangspunt niet is, zal aan het echte welzijn van de mens schade worden toegebracht. Met het ocg cp deze ontwikkeling dient de christelijke gemeente weer opnieuw aandacht te schenken aan 'haar diakonale roeping. Diakonale arbeid is dienstbetoon aan de huisgenoten des geloofs, maar ock aan alle mensen. Ook in onze tijd kunnen nog „troostrijke redenen" gespreken werden. Er zijn cp het terrein van het maatschappelijk w 7 erk, de bejaardenzorg en de kinderbescherming — al of niet met overheidssubsidie — nog (hoe lang neg? ) mogelijkheden'. Intussen is het niet voor iedere werker in deze sektor mogelijk om bij een diakonale of christelijke instelling werk te vinden. We worden dan geroepen cm cok elders in wcord en daad ons christen-zijn gestalte te geven. Hulpverlening is geen evangelisatiewerk, , maar in het kentakt met onze medemens kan het moment aanbreken dat de hulpverlener mag wijzen cp Hem die het echte welzijn schenken kan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1976
Daniel | 20 Pagina's