HET GEHEIM VAN DE IJSGROT
Ons vervolgverhaal (1)
De eerste dag
Hè, hè, eindelijk het laatste ritje! verzucht Friedrich Wessel in zichzelf. Puffend stapt hij het treintje in en bergt z'n koffers in het bagagerek. Gelukkig is het niet druk. 't Is evengoed al warm genoeg! Hij vindt een plaatsje bij het raam en kijkt wat dromerig naar buiten.
Nog even dan is hij er. Hij is toch wel wat nieuwsgierig, 't Is ook zo lang geleden dat hij bij oom Franz is geweest. Friedrich weet eigenlijk niet eens wannéér hij er voor het laatst was. Hij heeft maar flauwe herinneringen aan het huis en het gezin van oom Franz.
Gek eigenlijk, dat je als familie zo weinig bij elkaar komt. Er werd bijna nooit over gesproken thuis. En toch zijn vader en oom Franz broers. Komt het omdat vader zo'n geweldige carrière gemaakt heeft bij Swissair en dat oom Franz maar gewoon boer is gebleven? Vader zelf wipte er nog wel eens aan op een van zijn zakenreizen, maar moeder en hij kwamen er nooit.
Friedrich kijkt nadenkend naar het voorbijglijdende landschap. Kijk, het wordt meer bebost hier. Ze gaan nu ook langzaam omhoog. Friedrich voelt dat hij sterker achterover leunt tegen de bank. Tóch leuk om alles weer eens te zien. Al lang lag er die uitnodiging van oom Franz en tante Rita om eens te komen, logeren. „Onze kinderen willen graag weer eens cpnieuw met je kennismaken", hadden ze geschreven. Het kwam er steeds maar niet van. Maar nu vader en moeder een vliegreis van veertien dagen gingen maken, kreeg hij er opeens zin in. Binnen enkele dagen had hij antwoord cp zijn brief: „Je bent hartelijk welkom!”
Het treintje kruipt moeizaam de berg op. Wat is het hier eenzaam. Aan de ene kant ziet hij lange tijd niets dan een kale, steile rotswand en aan .de andere kant bossen', hier en daar afgewisseld door een schraal, rotsachtig weitje. Slechts af en toe ziet hij een huis, dat half verscholen is tegen de berghelling. Wél wat anders dan hun deftige villawijk.......
Even staat het treintje stil en schakelt knerpend over op het tandrad. Het zal nu niet lang meer duren. Boven cp de pas moet hij uitstappen, had tante Rita geschreven. Daar 'zou hij opgehaald worden. Hij heeft opeens geen rust meer en pakt z'n koffers vast. Een vreemd gevoel kriebelt in hem omhoog. Waar zal hij terecht komen? Als het niet leuk is, duren' veertien dagen lang!
De trein begint vaart te minderen. „Brünig" leest Friedrich op de borden langs de spoorbaan. Hij is er! Hij loopt vast naar de uitgang en speurt 'het perron af, maar hij kan tussen de wachtende mensen z'n oom niet ontdekken.
Even later staat hij op het perron op kijkt wat besluiteloos rond. Reizigers stappen in en uit en binnen enkele minuten is het perron weer zo goed als verlaten. Er is niemand voor hem! Wat nu? Hij zoekt in zijn zakken naar de brief, 't Klopt toch echt met de tijd:14.45 uur! Voorlopig maar even wachten. Hij ziet daar ook nog postauto's staan, daar kan hij ook altijd nog mee verder reizen.
Als Friedrich tien lange, warme minuten op het'blakende stationnetje heeft gewacht, komt er om de bocht opeens een oude jeep aanstuiven. Kijk, hij stept er wuift iemand. Friedrich ziet een bruin, lachend gezicht met heel veel rimpeltjes om' de ogen. .Maar dat is oom Franz! Komt hij hem nu met dat oude geval ophalen?
„Zo Friedrich! Ben je daar? Heb je wel een goede reis gehad? ”
„Dag oom Franz. Ja hoor, uitstekend, " antwoordt Friederich keurig.
„ ’t Spijt me dat ik zo laat ben, jó. Maar er was een mankementje aan de wagen. Geef die koffers maar hier. En ga jij hier zelf maar zitten " Met een brede zwaai wordt de andere zijdeur — of wat er cp lijkt — voor hem geopend. Gehoorzaam stapt Friedrich in en met een kalme vaart rijden ze weg. Friedrich zoekt naar wat zinnetjes om te zeggen, maar hij is opeens wat van z'n stuk gebracht. Tersluiks kijkt hij opzij. Toch lijkt oom Franz wel op vader, ziet hij. Maar wat is hij een echte boer! „Was het warm onderweg, Friedrich? " „Heel erg, oom Franz, " zegt Friedrich beleefd.
„Nou, hier op de berg is het meestal wel wat koeler, hoor. Draai het raampje nog maar wat verder open.”
Friedrich doet het en een heerlijk fris windje strijkt langs zijn gezicht. Wat verlegen kijkt hij naar buiten. De weg die ze rijden zit vol bochten. Het is er heerlijk koel door de bomen langs de kant. Na een' poosje naderen ze het dorp — een paar huizen, wat winkels en een kerkje. O kijk, nu slaan ze linksaf. Het weggetje wordt heel klein en smal. En wat is het hier stil! En dan — toch nog onverwachts voor Friedrich — draait de jeep een boerenerf op.
„We zijn er, Friedrich!" zegt oom Franz. Nieuwsgierig neemt Friedrich het huis en de schuren op. Ja, zo was het een klein oud huis, dat bijna schuil gaat onder de grote overkapping. Over de hele breedte is een verweerd bruin balkon vol bloembakken. Naast het huis onder een afdakje zijn met preciese hand honderden hakhoutjes opgestapeld.
Tante Rita komt hen tegemoet. Ze draagt een groot schort over haar kleren en een doek over haar blonde kroezelhaar.
„Gruëssi, Friedrich!" zegt ze met een zachte, vriendelijke stem. „Kom gauw binnen!" Bedrijvig neemt ze een van Friedrichs koffers en gaat hen voor naar de woonkeuken. Al pratend schenkt ze voor ieder een grote kom pepermuntthee in.
„Zo, Friedrich, dat zal wel smaken. En hoe gaat het thuis? Met vader en moeder ook alles goed?
„Heel goed, hoor tante. Dank u, " antwoordt Friedrich.
Tante Rita glimlacht even om dat keurige antwoord. Een echte stadsjongen, denkt ze. Ongemerkt neemt ze hem even op. Zijn kleren zijn eenvoudig, maar , ze moeten wel duur zijn. En dan die koffers die liegen er ook niet om. Ach ja, als je ook maar één zoon hebt
Het wordt avond voor Friedrich met alle leden van de familie kennis heeft gemaakt. Karl, de oudste, is evenals hij veertien jaar. Hij heeft het blonde haar van zijn moeder en is een echte boerenzoon. Verder is er Lieselot, die twee jaar jonger is. Zij is meer een Wessel met die donkere ogen. Dan is er nog de kleine Jürgen, die nog maar acht jaar is.
Na het avondeten lopen Friedrich en Karl wat rond op het erf.
„Kijk, ” vertelt Karl. „Hier is onze stal, zie je wel!”
Friedrich kijkt in een keurig schoongemaakt ruimte met een lege, cementen' vloer.
„Hebben jullie geen koeien? " vraagt hij verwonderd.
Karl moet even lachen. „Ja, natuurlijk wel! Maar die zijn nu boven op de Alp. Daar hebben we ook nog een stuk weiland. Ik zal het je wel eens laten zien. Maar de varkens zijn hier. Kijk maar. Leuke beesten, hè.”
Friedrich kijkt voorzichtig over het houten rek. Hij ziet drie dikke varkens behaaglijk knorren in het stro.
„Nou!” zegt : hij. „Leuk!" Hij probeert z'n stem zo enthousiast mogelijk te laten klinken. Maar hij kan in de verste
verte niets leuks aan die dikke beesten ontdekken.
Karl krabt een van de varkens achter het cor. „Tja, " zegt hij nadenkend. „Je zult wel geen varkens gewend zijn, denk ik, bij jullie thuis.”
„Nee, ” lacht Friedrioh. „Ik zie het al voor me! Een van onze kamers ingericht als varkenshok. Moeder zou het hele huis niet meer aankijken!" Karl vraagt z'n aandacht al weer voor iets anders. „En hoe vind je onze jeep? Die hebben we pas...”
„Pas? ” Friedrich kan het niet helpen dat het wat hooghartig-verbaasd klinkt. Zo'n oud geval 't Zou niet in z'n hoofd opkomen om zo iets te kopen. Karl zwijgt even. Dan zegt hij wat kortaf: Ja pas. Hij is ijzersterk. Auto en traktor tegelijk.
„Ja, dat is zo, " beaamt Friedrich vlug. Ik heb een stemme zet gedaan, bedenkt hij spijtig.
Zwijgend lopen ze terug naar het huis en gaan bij oom Franz en tante Rita zitten, die cp de tuinbank wat uitrusten. Het is een mooie avond. De besneeuwde toppen aan de andere kant van het dal lichten rossig op in de avondzon.
Opeens is er iets van heimwee in Friedrich. Heeft hij het slecht naar z'n zin? Toch niet, maar alles is zo anders Karl zit Friedrich van op zij te bekijken. Hij weet niet goed wat hij van hem denken meet. Maar hij is niet haatdragend van aard en hij zegt: „Zullen we morgen dan eens naar de Alp gaan, Friedrich? ”
„Ja hoor. Dat vind ik leuk, " antwoordt Friedrich wat stijfjes, maar toch blij. „Je moet je er niet te veel van voorstellen, hoor. 't Is gewoon een stuk weiland met een hut erop. Er is wel een ijsgrot in de buurt.......
„Een echte, ja? " vraagt Friedrich. Opeens is hij geïnteresseerd. Dat klinkt leuk en geheimzinnig.
Ja jö, heel echt. Je moet naar beneden klimmen langs ijzeren beugels in de wand. Dan kom je in een soort kloof in de rotsbodem. Eerst zie je af en toe nog daglicht, want hier en daar bestaat het „dak" uit struiken. Maar hoe verder je gaat, 'hoe donkerder en kouder het wordt.
„Lijkt me geweldig, zeg!" kemt Friedrich los. „Daar gaan we morgen in, Karl!”
Er valt even een stilte, als Friedrich dat gezegd heeft. Wat verbaasd kijkt hij rond. Waarom zegt nu niemand iets? Karl heeft een kleur gekregen. Wat moet hij nu zeggen? „Daar mag ik niet in van vader? " Staat ook even kinderachtig.
„’k Heb eigenlijk liever niet dat jullie er ingaan, " komt dan de stem van com Franz. Want het is er behalve leuk ook heel gevaarlijk. De bodem zit vol met diepe kuilen en plassen. Maar het ergste is dat het „plafond" niet te vertrouwen is. Regelmatig rollen er losse keien en brokstukken naar beneden. Waarschijnlijk omdat er vlak boven nogal eens gelopen word.”
„Hé, jammer!" zucht Friedrich. „Is het zo erg? ”
„Ja, vraag maar aan Karl, " zegt oom Franz lachend. Karl lacht ook, een beetje zuurzoet.
„Ik ten er een keer gevallen, " bekent hij. En toen verstuikte ik mijn enkel. M'n vriend meest toen hulp gaan halen en ik moest beneden blijven. Toen heeft vader me aan een touw naar boven gehesen, want ik kon m'n voet niet in de beugels zetten Nou ja, 't viel wel mee, hoor, " besluit hij branieachtig. Over die vreselijke angst toen hij daar lag, vertelt hij niets. Ieder ogenblik kon er een kei op z'n hoofd vallen en 't was z'n eigen schuld, want hij mocht er helemaal niet komen'. „Ik vertrouw er dus op dat jullie boven blijven, jongens, " zegt com Frans wat streng, maar toch ook goedgemeend. „Tja als 't zo staat, " zucht Friedrich. „Dan moet 't wel natuurlijk!”
Naar de Alp
De volgende morgen is Friedrich heel laat wakker. Kwart voor negen, ziet hij op z'n polshorloge. Hij schrikt er van. En dat vcor zo'n eerste morgen Wat zullen ze wel niet van hem denken? Hij springt uit bed en trekt de gordijnen open. De kamer baadt onmiddellijk in het zonlicht. Weer een warme dag Gehaast wast hij zich, kleedt zich aan en maakt z'n bed cp. Zo, dat is dat!
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 maart 1976
Daniel | 20 Pagina's