BRAM’S VREEMDE KERSTFEEST
Ons vervolgverhaal (3)
Vier uur nadat we IJsland gepasseerd waren werd er een schip getorpedeerd. Een half uur later weer één. Het wemelde blijkbaar van U-boten. Bram wat was ik blij met de mist! Nu hadden we tenminste geen last van vliegtuigen. De jagers hadden druk werk. Ze gooiden kwistig hun dieptebommen, maar of ze een duikboot geraakt hebben is een vraag gebleven! Niets is echter zo veranderlijk als het weer. Toen ik de volgende dag aan het roer stond, scheen de zon. 'ik Geloof dat ik meer naar de heldere lucht keek dan naar mijn voorganger. Ik was ibang, jongen, doodsbang. Werd het maar gauw donker! Daar kun je zo hoog in het noorden' op die tijd echter niet op rekenen. Het blijft altijd licht. De zon gaat er immers niet onder! Tegen vijf uur die dag — ik had wacht van 4 tot 8 — kwam het zo gevreesde sein van de Commandant van het konvooi. „Torpedovliegtuigen en bommenwerpers naderen ons van achteren!" Bram, m'n hart stond stil. Daar kwamen ze! Hoeveel? Dertig? Veertig? Honderd! lik weet het niet, 't was een grote zwerm. Nooit vergeet ik meer het lawaai, dat toen losbarstte. De marineschepen schoten uit al hun stukken. Wij haalden een bommenwerper neer en ik hoorde onze bemanning juichen, toen hij brandend in zee stortte. Even dacht ik aan de mannen in dat vliegtuig, vreselijk om levend te verbranden. Maar ik had geen tijd en gelegenheid langer aan hen te denken, ik moest scherp een zig-zagkoers varen en dat, terwijl er zoveel schepen hetzelfde deden! Maar de vijand droop af! Tegen zo'n moorddadig afweervuur kon hij niet op. We verloren toch nog twee schepen, maar de bemanning kon worden gered. Tjonge Bram, wat een opluchting! Maar plotseling kreeg ik een wonderlijk bevel. „Roer stuurboord, we gaan verspreiden." Ik gehoorzaamde automatisch, hoewel ik er niets van begreep. Verspreiden? Maar 't werd nog onbegrijpelijker, toen de kapitein zei, dat elk schip uit het konvooi moest proberen op eigen gelegenheid de opgegeven bestemming te bereiken. „Koers Noord, Geurtsen, " zei de kapitein. Ik hoorde hem zachtjes mompelen: „Je reinste zelfmoord." Het zeewater bruiste door de vele schroeven, die op volle kracht draaiden. Ik kon maar net een aanvaring voorkomen met een fregat, dat op topsnelheid naar het Zuiden koerste. Het scheen even' een grote chaos te worden. Veel schepen bleven na het bevel van de Commandant van het konvooi nog in verband doorvaren. Maar het tweede sein was niet mis te verstaan; V-E-R-S-P-R-E-I-D-E-N.
Daar stoomden we heen, Bram. Helemaal alleen, zonder escorte, geen wapens aan boord tegen onderzeeërs. En wat te doen tegen een aanval van vliegtuigen? Het gonsde al spoedig van de S.O.S.-seinen. „Aangevallen door vliegtuigen!" „Worden aangevallen door U-boten." „Ben getorpedeerd." „S.O.S. ben zinkende." Op radiostilte werd niet meer gelet. Wanneer was het onze beurt? Waren dat vliegtuigen achter cns? Liep daar een bellenbaan van een torpedo? Soms werden de knokkels van m'n handen wit, zo kneep ik in het stuurrad. Stug koerste ik naar het Noorden. Maar al gauw liepen we tegen het ijs aan en moesten we oostelijk aanhouden. Konden we maar ergens wegkruipen, ergens waar het donker was.
Gezonken
Vanuit een vliegtuig was je doorvaren. Hoe verder naar cns verspreid hadden en op wat we al zo lang gevreesd We kwamen niet uit de kleren Bram. We durfden niet. Langs het ijs gingen we steeds verder naar het eesten. Er waren steeds diepe inhammen, maar nergens kon je wegschuilen. gemakkelijk te zien. De kapitein liet dan ook stevig het oosten, hoe beter. Een uur of zes, zeven nadat we eigeri gelegenheid verder waren gestoomd kwam, hadden. Ik had wat gerust
en stond weer aan het roer. De kapitein was niet van de brug afgeweest, 'k Weet nog hce ik me voelde, toen hij zei: „Daar heb je ze."
Met de zon in de rug doken' zes Junkers op ons af. Hun bommen suisden naar beneden en deden enorme waterfonteinen opspatten. Wij schoten met alles wat we hadden. Kanonnen, machinegeweren, de stuurman trok zelfs zijn revolver. Eén vliegtuig werd geraakt en gooide de rest van zijn bommen in zee. We zagen hem wegfladderen. Of hij zijn basis gehaald heeft zullen we wel nooit te weten komen. De andere vijf gingen weer „in de rij staan" om ons op de volgende lading bommen te trakteren. Die waren niet mis Bram. Op de brug ging alles aan scherven, het stuurmechanisme was kapot, de machinekamer kreeg een voltreffer, maar ieder bleef op zijn post en schoot door. En weer doken de Junkers en troffen hun bommen doel. Langzaamaan maakte de Saskia slagzij. Als er een voltreffer in het munitieruim kwam, zou niemand dit overleven.
„In de boten" klonk het bevel. De sloepen lagen spoedig langszij en als laatste verliet de kapitein het schip. De vliegtuigen bombardeerden gelukkig niet meer, misschien waren hun bommen cp. Ze cirkelden boven ons en toen we allen veilig in de boten waren, doken ze alle vijf recht cp ons af. Mijn hart stond stil. Zouden de vliegers wraak willen nemen, omdat we zo hardnekkig tegenstand hadden geboden? Ik trok m'n hoofd tussen de schouders en maakte me zo klein mogelijk. Alsof dat zou helpen! Een ogenblik van ondragelijke spanning, dan een gierend geluid van optrekkende motoren en daar gingen ze. Ik had een droge mond en een pijnlijke nek, zo diep had ik gebukt. We waren niet gemitrailleerd, we leefden nog. Toen we weer vrij durfden ademhalen en de verdwijnende vliegtuigen nakekert, hield de kapitein appèl. Vier matrozen gaven geen antwoord, toen hun namen w r erden afgelezen, ook de tweede machinist liet geen „present" horen. We hebben nog naar hen gezocht, maar helaas, niemand gevonden. Een half uur bleven we in de buurt van de zwaar slagzij makende Saskia. Toen gaf de kapitein bevel, weg te zeilen'. Toen we een kleine tien minuten op weg waren, keek ik even om. De Saskia was gezonken. Het werd heel stil in de boten, toen ieder het wist.
Twee lange, veelbewogen jaren hadden de meesten van ons op de Saskia doorgebracht. Nu lag ze in het koude water van de Noordelijke IJszee. En wij? Waar zouden we belanden?
Tot vanavond
Met rode oren van spanning heeft Bram geluisterd. „Waar bent u terecht gekomen? " vraagt hij. „Op Nova Zembla, daar zijn we door een Russisch vliegtuig naar één van de ziekenhuizen in Archangel gevlogen. We waren' toen 13 dagen onderweg geweest. Bijna ieder van ons had één of meer bevroren ledematen."
„En hoe bent u w 7 eer in Engeland terecht gekomen? "
„Dat is een verhaal apart, Bram. Als we gelegenheid hebben zal ik je dat nog wel eens vertellen." Geurtsen kijkt op zijn horloge. „Ik moet weer naar beneden, tot vanavond."
Maak dat je wegkomt of ik s c h i e t !
De morgen na het verhaal van de machinist wordt Bram met een schok wakker. Het is nog aardedonker in de hut en 'hij weet niet waar hij is. Het zweet staat in druppeltjes op zijn voorhoofd, zijn hart bonkt. Wat is er toch? Waar is die soldaat? Hij stond helemaal alleen cp een grote ijsvlakte. Overal om hem heen' was alles wit, zover je kijken kon. Plotseling was de ijsvloer onder hen gaan bewegen. Er kwamen diepe scheuren in, die vol met water liepen. Water zo koud als ijs, dat hoger en hoger kwam en over zijn voeten spoelde. De golvende beweging van de vlakte waar hij zich bevond, werd al heviger. Eensklaps dook er in de breedste scheur een onderzeeër op. In de toren stond een Duitse soldaat, die schreeuwde: „Maak dat je wegkomt of ik schiet!" Hij wilde hard weghollen, maar het ijs onder zijn voeten golfde zo hevig, dat hij met een smak voorover viel en wakker werd, zijn blote voeten stijf tegen de rand van het bed, cle dekens op de grond. Pff, wat een akelige droom was dat en wat heeft hij een koude voeten, Maar was het eigenlijk wel een droom? Is hij wel wakker? Alles beweegt, hij rolt van de ene kant van zijn bed naar de andere. O, wat is er toch aan de hand? Hij wil hard roepen, maar krijgt geen geluid uit zijn keel. Met bei zijn handen trekt hij aan het laken,
dat als een touw cm zijn hals zit gedraaid. Waar is hij toch, waarom Dan, ineens herinnert hij zich, dat hij midden cp zee is, dat hij in zijn hut ligt, dat de Arcadia geen ogenblik stil ligt. Hij hcort de wind te keer gaan en de machines stampen. Het waait, het waait heel erg, het stormt!
Bram slaakt een zucht van verlichting. Hij tast naar het knopje van het licht en krijgt het na enkele vergeefse pogingen te pakken. Ha, nou kan hij tenminste wat zien. Anneke ligt neg rustig te slapen, ze heeft geen weet van het slingerende en stampende schip, dat moeizaam zijn weg zoekt ever de woelige oceaan. Zou hij proberen r.cg wat te gaan slapen? Het is pas zes uur, ziet hij cp zijn horloge. Vader en moeder slapen zeker cok nog, hij hoort tenminste niets. Zou moeder weer zo naar zijn als in het begin van de reis? Teen maakte de Arcadia ook zulke onverwachte bewegingen, hoewel lang zo erg niet als nu. Bram maakt zich toch wel oen beetje ongerust. Maar hij rjtelt zichzelf gerust. Als het echt gevaarlijk was zou de kapitein wel waarschuwen. Hij zou clan naar vader toe gaan en zeggen: „Mister van Burgen, come out ycur bed." Bram moet even grinniken cm die mooie zin. Hij leert het al aardig. Net wil hij het lampje beven zijn hoofd uit doen, als de deur van de hut opengaat en vader zijn hoofd om een heekje steekt. Hij houdt zich stevig aan de deurpost vast. , , Ben' je wakker jongen? Wat waait het hard hè? Is Anneke niet wakker geworden? "
„Ik droomde zo raar, vader. Daar ben ik wakker van geworden, geloof ik. Nee, Anneke slaapt lekker docr. Is het gevaarlijk, vader? Heeft meneer Mac Donald u geroepen? "
„Nee hcor, blijf maar fijn in je kooi, Bram. Ik kwam zomaar eeno even kijken. 't Was wel te voorzien deze wind. Gister stond de barometer cp storm". „Is moeder niet zeeziek? "
„Zolang ze in bed blijft gaat het wel, Bram." Vader stept de dekens bij Anneke ekstra stevig in en probeert dan, zonder zich te stoten de hut uit te gaan. Bram doet het licht uit en kruipt warmpjes onder de dekens. Van slapen zal wel niet veel komen. Tjonge wat gaat de Arcadia te keer!
Wordt vervolgd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 december 1975
Daniel | 20 Pagina's