BRAM’S VREEMDE KERSTFEEST
ONS VERVOLVERHAAL (1)
„We zullen Bram toezingen het laatste vers van psalm 121."
Op het bankje vcor het bord in de zesde klas staat een jongen. Hij weet niet goed hoe en waarheen hij kijken moet. Onder zijn arm klemt hij een grote platte doos. Achter zijn rug hangt de wereldkaart. Vanaf Nederland loopt een dunne zwarte draad ; Via Engeland en Ierland naar Newfoundland, het 'eiland voor de ingang van de Golf van St. Laurens. Dan gaat de draad weer een klein eindje terug om vervolgens ten zuiden van de Newfoundlandbanken naar zuidwestelijke richting te lopen naar Halifax en Boston. Af en toe is de draad vastgezet met een stukje plakband. Waarom staat die jongen daar? En hoe komt het dat hij toegezongen wordt?
„Meester, we gaan emigreren."
„Meester, we gaan emigreren!"
„Zo Bram, wat zeg je me nou! Wanneer en waar-
heen? " „Naar Nocrd-Amerika, meester, naar Clifton. We vertrekken 10 december en kunnen dan 29 december in Clifton aankomen."
„Joh, dat duurt toch geen 19 dagen zo'n reis."
„Nee 'meester, maar wij gaan met een vrachtboot en die doet er veel langer over dan een passagiersschip. Vader moet vcor de zaak in Londenderry en Halifax zijn en dat kan dat meteen. Hij heeft dit jaar geen vakantie kunnen nemen, omdat het veel te druk was. Nou kan hij fijn uitrusten op de boot. Het is een vrachtboot met passagiersaccomodatie, " voegt hij er gewichtig aan toe.
Meester van Rijn moet even lachen om Bram's waterval van woorden.
„Ja, ja Brammetje, ik zal je missen jongen. hoe moet dat nou met de taal." Zeg
„O dat leer je vanzelf, " zegt de aanstaande emigrant. „Ik ken al een heleboel woordjes."
Een schip is lang zo g e v a a r 1 ij k niet.
En zo was het begonnen. Het was september, toen Bram met het grote nieuws kwam. De dagen zijn omgevlogen. Nu staat hij hier op het bankje voor in de klas en is zijn laatste uurtje cp school aangebroken. Hij heeft getrakteerd, ieder een grote sinaasappel en de meester een dikke sigaar. Alle kinderen hadden wat geld meegebracht en meester van Rijn had ook wat gegeven. Ze hebben een mooie puzzel voor hem gekocht, een groot passagierschip. Het vaart in volle zee en dikke witte wolken zeilen mee. Bram moet even slikken. Er zit zo'n rare brok in zijn keel. „De Heer' zal u steeds gadeslaan, " zingt de klas. Ja, 't is een verre reis, die hij gaat maken, samen met vader en moeder en Anneke, zijn kleine zusje. Maar gevaarlijk is zo'n tocht niet met een boot. Als 't nou met een vliegtuig was. O, ze zijn klaar. Wat onhandig springt hij van het bankje en loopt vlug naar zijn plaats. De meester gaat eindigen. Hij vraagt of de Heere de familie van Bergen wil bewaren eri veilig op de plaats van bestemming
brengen. Na het Amen blijft het even heel stil. Bram kijkt strak vcor zich. Tersluiks kijken zijn klasgenoten naar hem. Een beetje jaloers zijn ze wei geweest. Tjonge, zo'n fijne reis helemaal naar Amerika en daar gaan wonen en Engels leren spreken'. Maar ncu, nee. Nu het zo dichtbij komt willen ze toch niet met Bram ruilen. Wat schutterig en lacherig geven ze hem een hand. Kwasi onverschillig klinkt hun stem. , , Nou 't beste hoor." „Word maar niet zeeziek!" „Krijg ik een kaart van je? " De meisjes weten' zich niet goed een houding te geven, 't Is cck zo raar. Wie geeft er nou een jongen uit je eigen klas een hand!
„Kijk nog maar eens goedrond. ”
„Toeoeh! Toeoeh! Toeoeh!" Langzaam maakt de grote vrachtboot zich los van de kade. Twee driftige sleepboten trekken hem de brede rivier op. Een derde slaat met zijn schroef dapper achteruit en houdt het achterschip in de goede koers.
„Toeoeh!" Op de kade staat een dertigtal kinderen met hun onderwijzer de boot na te zwaaien. Hoog cp het achterschip wuift Bram terug. Dat was me een verrassing! Toen hij uit de grote loods kwam, waar hun tassen en koffers werden gecontroleerd, werd hij begroet door zijn klas. Bram schreeuwt zijn keel schor. Hij steekt allebei zijn armen omhoog. De afstand tussen de kade en' het schip wordt steeds groter, 't Is net alsof de vrachtboot stilstaat en de wal achteruit gaat. Bram blijft zwaaien tot hij niemand meer kan onderscheiden. Dan draait hij zich om. Moeder is met Anneke naar beneden gegaan. Het viel niet mee vcor haar om afscheid te nemen van de familie, die nog even cp de boot is geweest. Dapper heeft ze teruggewuifd en haar tranen teruggedrongen. Anneke danste op haar arm van plezier om al die drukte. , .Da, da!" riep ze met haar hoge stemmetje. „Anneke weg!"
„Kijk nog maar eens goed rond, Bram, " zegt vader naast hem. „Als je hier weer terug mag komen, zul je wel een paar jaartjes ouder zijn, jongen." Stil staan ze aan de hoge reling. De sleepboten hebben hun werk gedaan, de kabels worden losgegooid en op eigen kracht vaart de „Arcadia" nu verder. Eenmaal buiten de pieren zal de kapitein op volle kracht laten varen, koers Engeland. „We gaan naar binnen, Bram, 't wordt hier veel te koud."
Achter vader aan loopt Bram de smalle trap af naar het tussendek waar de hutten voor de passagiers zijn.
„We shall pray, mister van Bergen."
„Toeoeh, Toeoeh!" Langzaam wordt de „Arcadia" weggetrokken van de hoge loswal. Driftig puffen twee sleepboten, de kabels strakgespannen, voor de vrachtboot uit. De haven van Plymouth ligt vol schepen, kustvaarders, oceaanreuzen en vrachtboten. Hoog op het achterdek staat Bram de drukte in de haven aan te zien. Is het nog maar één dag geleden, dat hij hier cp dezelfde plaats stcnd te zwaaien naar zijn klasgenootjes? Hij heeft vannacht wat onrustig geslapen. Alles was zo vreemd. Anneke slaapt in dezelfde hut. Zij heeft nog geen weet van emigreren en afscheid nemen. Toen moeder haar gisteravond naar bed bracht en ze net als thuis lekker werd toegedekt, sliep ze bijna direkt. in. 't Was ook zo'n vreemde drukke dag voor haar geweest. Maar hij kon niet zo gemakkelijk in slaap komen. Er was zoveel gebeurd. Toen de gong w y as gegaan als teken, dat ze konden eten was hot een hele toer geweest om de eetzaal te vinden. Vader had hem voorop laten gaan. „Toe maar Brammetje, laat maar eens zien of je weet, waar hij is." Hij was twee keer verkeerd gelopen. Ze aten samen aan één tafel met de kapitein en de eerste stuurman. De stuurman was een Griek en de kapitein kwam uit Amerika. Ze spraken alleen maar Engels. Even had hij geaarzeld: hoe meest het nou met bidden? Vader bad altijd hardop, maar dat kon nou toch niet. Misschien vonden ze het wel raar, als ze zagen, dat hij zijn handen vouwde. Met een gevoel van opluchting hoorde hij de kapitein zeggen: „We shall pray, mister van Burgen." „Pray", dat verstond hij wel, dat betekende: bidden. Ze zouden in de hut lezen. Nou hij begreep best, dat het een beetje moeilijk was om dat aan tafel t.e doen. Uit welke Bijbel moest vader dan lezen? Hij verstond immers geen Engels en de kapitein en' de stuurman kenden geen woord Nederlands! Hij had nog net gezien vóór hij zijn ogen sloot, dat de eerste stuurman een kruis maakte. Moeder had net als thuis Anneke's handjes in de hare genomen en hardop gebeden: „Heere, zegen deze
spijze, om Jezus wil, Amen." „Amen, amen, " had Anneke gehoorzaam gezegd. Ze zei thuis ook altijd twee keer „amen". De stuurman had vriendelijk naar haar gelachen en Anneke had met haar lepeltje naar hem gewezen en' met een lief stemmetje gevraagd: „Aai? " De zeeman had haar niet begrepen, maar moeder wel. Ze kreeg een kleur en zei: „Nee Anneke, eerst eten." Zoet liet Anneke zich voeren, maar toen de maaltijd afgelopen was, wees ze weer naar de stuurman en vleide: „Aai? " Moeder probeerde haar wat af te leiden, maar de kleine meid hield vol: „Anneke aai? " „What's the matter? " vroeg de vriendelijke Griek. En toen zei moeder het: „She likes to chuck your beard."
De stuurman en de kapitein schoten in de lach. De stuurman stak zijn armen uit en Anneke trok kraaiend van pret aan zijn mooie zwarte baard. Ze had voorgoed het hart van de donkere Griek gestolen, die haar hoog op zijn schouders zette en! de hele eetzaal ronddraafde, hinnikend als een paard. Bram is zo in zijn gedachten verdiept, dat hij niet ziet hoe de sleepboten met een wijde boog terugkeren naar de haven. Ze hebben hun taak volbracht en stomen op volle kracht naar een ander schip. De koude wind doet hem huiveren en wat verwonderd kijkt hij de beide sleepboten na. Hé daar heeft hij niets van gemerkt! Brrr, wat is het koud en wat jagen de wolken door de grijze lucht! „De barometer daalt, " had vader gezegd. „We krijgen storm, zet je maar schrap." Nou maar hij werd niet zeeziek, hoor. Bram kijkt eens naar de golven', die uit zee komen aanrollen. Ze hebben witte kcppen, die schuimend omkrullen. Als hij ziet hoe het voordek behoorlijk op en neer gaat, voelt hij ock ineens de bewegingen van het grote schip. Leuk is dat, net alsof je op een schommel zit.
„Ijsbergen? Kom nou!”
Met z'n knieën op een dik kussen zit Bram aan tafel te puzzelen. Het valt niet, mee de stukjes, die bij elkaar horen uit te zoeken. Tussen het blauw van de lucht en de zee is bijna geen verschil. Eerst heeft hij alle kantstukjes opgezocht. Als hij maar eenmaal de rand in elkaar heeft volgt de rest vanzelf wel. j
Wordt vervolgd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 november 1975
Daniel | 20 Pagina's