WAT ZEGGEN DE JEHOVA’S GETUIGEN DAARVAN ?
Er wordt gebeld ....
Zondagmorgen. We maken ons klaar om naar de kerk te gaan. Dan wordt er bij de voordeur gebeld. Wat zou dat zijn op zondagmorgen? Twee jongens van ongeveer 16 jaar staan voor de deur. Aktetas onder de arm. „Goedemorgen, mijnheer, hoe bent U van plan vandaag de dag door te brengen? ", vragen zij. „Wel, wij wilden net naar de kerk gaan. Gaan jullie met ons mee? " Driftig wordt een brochure uit de tas gehaald en even later klinkt het: „De 'bijbel toont duidelijk aan, dat God in de godsdienstige systemen, die heden ten dage kerken genoemd worden, niet te vinden is. Derhalve moet 'deze beweging door Jehova's vijand, Satan, ingevoerd zijn. Duidelijk is met dit gesprek het uitgangspunt van de Jehovas's getuigen, wat de kerk betreft, weergegeven. Om de achtergrond hiervan samen eens na te gaan, is het nodig het ontstaan van deze sekte te onderzoeken.
Ontstaan.
Daarvoor moeten w r ij terug naar het einde van de vorige eeuw, naar de Amerikaan Charles Taze Russell, geboren in 1852 in Pittsburgh. Geboren en gedoopt als lid van de Presbyteriaanse kerk is hij Calvinistisch opgevoed. Al spoedig
verliet hij deze kerk en 'ging hij over naar de Congregationalisten, een groepering, die nauwelijks een kerkverband kent, en zich niet. stelt achter de belijdenisgeschriften. Waar botste het nu bij Russell binnen de kerk waar hij werd opgevoed? Er was zo heel veel, dat hij met zijn verstand niet begrijpen kon. Als „logisch denkend - ' mens kwam hij in strijd met veel zaken, waar de Christen gelovig „amen" op zegt. En daar ligt de oorsprong van veel dwalingen. Want de logica, het met het verstand redeneren, werd naast en in veel gevallen boven de Schrift geplaatst, waarbij zo nodig de bijbel werd aangepast. Als ooit duidelijk is, dat de volgelingen van Russell, onder leiding van Rutherford en Knorr een sekte vormen, is het wel daar, dat zij hun bestaan danken aan de gedachten van een enkel mens, die niet schroomde om Gods Woord van Zijn kracht te beroven, het verzoenend werk van Christus voor Zijn uitverkorenen te loochenen, waarbij ook de bediening van Christus door Zijn ambten geen plaats meer krijgt.
Het is daarom ook, dat wij de leer van deze sekte onder de loep willen' nemen in het licht van de ons door de kerk met zijn ambten overgeleverde apostolische geloofsbelijdenis. Mag daar, waar deze belijdenis taal van het hart geworden is, gebed gevonden worden, opdat de liefde van Christus ook dringen zou tot liefde voor de medemens, die, verstrikt en verward in een dwaalleer, verstoken is van de enige troost, die in Christus Jezus is.
I. Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde.
Dit eerste artikel geeft ons aanleiding de Jehovah's getuigen aan het woord te laten over de schepping. Zij leren, dat Christus het eerste schepsel was, als overste van de engelen; terwijl elke scheppingsdag 7000 jaar duren zou. Ook de zevende dag, vanaf de schepping tot aan het einde van het duizendjarig rijk duurt 7000 jaar. Vandaar dat het duizendjarig rijk reeds begonnen moet zijn. Bij dat alles komt duidelijk uit, dat het bij de Jehovah's getuigen niet is: „sola scriptura", alleen de schrift, zoals de Reformatie zo krachtig stelde, maar alleen de ratio, het verstand, de logica - heeft zeggenschap.
II. En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon, onze Heere.
Nergens wijken zij meer af van de leer van vrije genade, als daar waar het gaat cm Christus. De miskenning, dat Hij het eerste schepsel zijn zou, doet alle hoop, dat een verloren mensengeslacht Hem „onze Heere" noemen kan, benemen. Waarbij nog komt, dat daar zij Christus op één lijn stellen met de mens, door Hem de eerste te noemen van de 144.000, zij Christus van Zijn Goddelijke eer beroven en Hem de mensen gelijk maken.
III. Die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria.
Voor Christus' doop in 'de Jordaan was Hij gewoon mens. Van Zijn geboorte als Gods Zoon door de Heilige Geest willen zij niets weten. Pas toen de Vader bij de doop in de Jordaan de woorden sprak: Deze is Mijn geliefde Zoon, in dewelke ik Mijn welbehagen heb", werd Christus geestelijk geboren. Hoe blind is deze sekte voor het getuigenis van de twaalfjarige Jezus in de tempel: Wist gij niet, dat ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders? " (Luk. 2 : 49).
IV. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestoren en begraven, nedergedaald ter helle.
De trappen in de staat van Christus' vernedering, borgtochtelijk, in plaats der Zijnen, zoals Jesaja 53 daar zo treffend van getuigt, hebben geen plaats bij de Jehovah's getuigen. „De straf, die ons de vrede aanbrengt, was op Hem; door Zijn striemen is ons genezing geworden", is voor hen van geen betekenis. Het lijden van Christus was alleen ter genoegdoening van de ene zonde van Adam. Weg met alle troost voor een mens, overtuigd van zonde, gerechtigheid en oordeel. Als er in de Catechismus gevraagd wordt: „Is er dan nog een weg om de welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen? ", kan dan het antwoord alleen maar zijn: nee, zulk een borg en middelaar kennen wij niet! Is overigens deze vraag al de vraag van jullie hart geworden? En daarna: heb je er al antwoord op gekregen door Woord en Geest?
V. Ten derde dage wederom opgestaan van de doden. Ook daar moet het verstand komen in plaats van het geloof. Opstanding uit de
doden is niet te beredeneren, daarom langs allerlei kronkelwegeen een manier bedacht cm ook de opstanding van Christus te loochenen. Laat Paulus dan maar zeggen in 1 Kor. 15 : 20: Maar nu, Christus is opgewekt!"
VI. Opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders. Christus heeft in Zijn opstanding slechts schijnlichamen aangenomen om zich te openbaren aan Zijn discipelen (Thomas' belijdenis: Mijn Heere en mijn God, is blijkbaar het gevolg van bedrog). Maar daarom is Christus ook niet met lichaam en ziel ten hemel gevaren. Weg met de troost voor Gods kinderen, dat Hij ons vlees als een zeker pand daargebracht heeft, opdat ook zij eenmaal zouden zijn, waar Hij is.
VII. Vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Ook daarvan leert Gods Woord: Ziet, Hij komt met de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben." (Openb. 1 : 7m) Maar dan leren de Jehovah's getuigen, dat Christus reeds wedergekomen is, onzichtbaar, in 1914. De tijd van het oordeel is reeds aangebroken, niet voorbehouden aan de rechter van hemel en aarde, nee, alle 144.000 voor de koninkrijksklasse zullen met Hem heersen als koningen en rechters.
VIII. Ik geloof in de Heilige Geest.
Naast Christus is ook de Heilige Geest schepsel, zeggen zij. Vele schriftplaatsen worden er geloochend. We ncemen slechts 1 Joh. 5:7: ant drie zijn er, die getuigen in de hemel, de Vader, het Woord en de Heilige Geest, en deze drie zijn één. Mag ik hier ook de geloofsbelijdenis van Athanasius eens laten spreken, bijna in elk psalmbcekje te vinden: e Heilige Geest is van de Vader en de Zoon niet gemaakt, noch geschapen, noch gegenereerd, maar uitgegaan. Zo is er dan één Vader, niet drie Vaders, één Zoon, niet drie Zonen, één Heilige Geest, niet drie Heilige Geesten; en in deze Drieheid is niet eerst of laatst, niet meest of minst, maar de ganse drie Personen hebben gelijke eeuwigheid en zijn Zichzelf alleszins gelijk, zodat alom (gelijk nu gezegd is) de Eenheid in de Drieheid en de Drieheid in de Eenheid te eren zijn.
IX. Ik geloof een heilige, algemene, Christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen. Denkt U daar wel eens aan, als Jehovah's getuigen bij U aan de deur komen, dat dat Jonadabs zijn, mensen, die met heel veel moeite alleen nog een plekje op deze aarde bereiken kunnen. De koninkrijksklasse van 144.000 is reeds vol. Alle gelovigen in het Oude Testament, ook Abraham, de vader aller gelovigen, krijgen met de Jonadabs slechts een plaatsje op deze aarde. Probeert U hen er eens op te wijzen, dat zo lang de zon en de maan er zijn zullen, Zijn Naam zal worden voortgeplant van geslacht tot geslacht; dat de Heere Zijn kerk vergadert uit alle geslachten, volken, tongen en natiën, en dat het zal worden één kudde en één Herder.
X. XI, en XII. Vergeving der zonden, wederopstanding des vleses en een eeuwig leven.
Na al het bovenstaande rest mij alleen nog te wijzen op het Armageddon, het eindgericht waar alleen koninkrijksklasse en Jonadabs zullen gespaard blijven. Al de anderen zullen vernietigd worden. Een plaats der wening en knersing der tanden is er niet. Eens willen doen, wat goed is in Gods oog (lees: het oog der Jehovah's getuigen) is genoeg om het oordeel te ontgaan. Een onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd zijn tot alle kwaad kennen zij niet.
Samenvatting.
Twee dingen willen wij tegenover elkaar plaatsen tenslotte.
De leer der Jehovah's getuigen is een uitzichtsloze dwaalleer, het zij met nadruk vastgesteld! Zelf zijn het echter mensen met een ziel voor de eeuwigheid. Daar tegenover: voor ons geldt de opdracht: Bewaar het pand U toebetrouwd.
Daarbij komt dan voor ons allen de vraag: Kennen wij de enige troost, beide in leven en in sterven?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 oktober 1975
Daniel | 20 Pagina's