MAG IK.....?
Hetzij dat gij iets anders doet, doet het al tot eer van God. 1 Cor. 10 : 31.
In het laatste gedeelte van 1 Cor. 10 wordt gesproken over de Christelijke vrijheid. De christelijke vrijheid laat geen ruimte voor losbandigheid. Zij moet beheerst worden en cpkomen uit de liefde tot God en de naaste. Direkt volgt dan ook op vs. 31: Weest zonder aanstoot te geven en de joden' en de grieken en de gemeente Gods. Paulus zocht in alles te behagen, niet cm zelf de voorname man te zijn, maar opdat anderen behouden zullen w r orden. Dat is een zelfverloochenend leven.
Deze roeping rust ook cp ons jonge leven. Ook in onze vrije tijd hebben we dat te bedenken. Vrije tijd is ook tijd van God. In deze zin kan er dan ook strikt genomen geen sprake zijn van vrije tijd, waarover we zelf zouden mogen beschikken en doen wat wij willen. Ons rentmeesterschap strekt zich uit ever heel ons leven. Cver de arbeidstijd, zowel als over de studietijd, maar ook cver de rust.
Over alles wat wij doen, moet het zijn: doet het al ter ere Gcds. D.w.z. door ons doen en laten betonen dat wij niet onszelf maar God op het oog hebben. Dat is het kompas naar welke ons hele leven moet zijn gericht. Dan vragen we onszelf niet af: „hoe ver kan ik gaan? " maar: „wat is de wil des Heeren? " Dan worden de vragen „mag ik naar de film, mag ik dansles gaan nemen, een pilsje gaan drinken, mag ik ? ", vul zelf maar een reeks vragen in — tot nul gereduceerd. Als ons de eer Gods en het behoud van de naaste voor ogen staat dan willen we niet anders, dan naar de wil van God leven. Dan bezinnen we ons voor we aan iets beginnen. We magen maar niet „klakkeloos" leven. We mogen maar niet onbezonnen doen wat ons vcor handen komt. Wat wordt dat ondertussen veel gedaan. We doen waar we zin in hebben. We lezen wat wij mooi en spannend vinden. We gaan cm met wie wij leuk vinden en we doen in de omgang met elkaar datgene wat ons aangenaam is. Ook jonge mensen zijn eerrovers Gods en dienaren des vleses. Als Jozef gegrepen wordt door Potifar's huisvrouw, dan zegt hij: „Zou ik zulk een groot kwaad doen en zondigen tegen God? "
Onze onmacht ten goede maakt ons niet vrij van de opdracht: doet het al ter ere Gods. Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking valt. Laat je vrije tijd onder biddend opzien zo besteed worden, dat je gebed niet verhinderd wordt. We leggen de bede van Ps. 19 in je mond: Laat U mijn tong en mond en 's-harten diensten grond, toch welbehaaglijk wezen. O, Heer die mij verblijd — mijn rots en losser zijt — dan heb ik niets te vrezen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 september 1975
Daniel | 24 Pagina's