JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

MOET KOTÄLLA VRIJ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MOET KOTÄLLA VRIJ?

10 minuten leestijd

De Duitse oorlogsmisdadiger Joseph Kotalla, 67 jaar oud, is onlangs in hoger beroep gegaan, omdat hij het kort geding tegen Minister Van Agt had verloren. De advokaten van Kotalla hadden geprobeerd strafonderbreking te verkrijgen. In 1972 heeft Kotalla een hersenbloeding gehad, waardoor hij nu bijna niet kan spreken en lopen. Hij zou dan nog een poosje thuis verzorgd kunnen worden.

Bijna elk jaar zijn de Drie van Breda, Kotalla, Fischer en Aus der Fünten, wel in het nieuws.

Wie herinnert zich niet meer het grote debat in de Tweede Kamer in 1972? De oorlogsmisdadigers hadden toen alle drie een verzoek om gratie gedaan aan de Koningin. Nadat de Hoge Raad gunstig had geadviseerd, deelde Minister Van Agt zijn voornemen tot vrijlating aan de Kamer mee. Hij had zeer zeker niet voorzien, wat een emoties dit in ons land zou oproepen. Er werd zelfs een hoorzitting georganiseerd. Allerlei organisaties, van verzetsstrijders tot Pax Christi toe, mochten hier hun mening kenbaar maken. Krant, radio en televisie zorgden ervoor, dat heel Nederland nauw bij deze zaak betrokken werd.

Voorstanders van vrijlating wezen erop, dat een langere straf zinloos was. Ook andere oorlogsmisdadigers waren reeds vrijgelaten. Bovendien betekent levenslange gevangenisstraf, waartoe de Drie veroordeeld waren, in ons land nooit letterlijk levenslang: hooguit een jaar of twintig.

De tegenstanders van vrijlating hadden als hoofdargument, dat vrijlating voor de oorlogsslachtoffers een slag in het gezicht zou zijn. Nog erger: velen zouden dit psychisch niet kunnen verwerken.

Aan beide kanten werden eerlijke en roerende getuigenissen afgelegd.

Een enkel voorbeeld. Al hadden deze misdadigers dan buitengewoon afschuwelijke daden gepleegd, er paste geen buitengewone straf, meende Abel Herzberg, een jcocl. Hij schreef letterlijk:

, , Ik pas voor zo'n redenering. Want deze legt verband tussen onze methode van handelen en die van de Nazi's. . . . Wij hebben onze eigen beginselen bij de strafmeiing te volgen eri doen er goed aan, wat wreedheid betreft, niet in concurrentie met de Nationaal Socialisten te treden. In dit opzicht erken ik hen gaarne als onze meerderen".

Een heel ander geluid bracht het kamerlid De Jong mee uit het Joods herstellingsoord in Den Dolder. De patiënten daar (allen ten gevolge van de martelingen in de concentratiekampen) gaven hem de volgende boodschap mee:

, , Laat dit alstublieft niet gebeuren, spaar ons voor deze bittere ontgoocheling. Ons gevoel van recht wordt hier geweld aangedaan. Zo pijnlijk, dat velen van ons dit niet zullen kunnen verwerken. Wij hebben levenslang gekregen en gratie is voor ons leed niet meer mogelijk. Gratie kan alleen God ons nog geven en laat God oordelen over deze onmenselijke misdadigers. Een vrijlating is een slag in ons gezicht. Wij zijn genoeg geslagen. Deze slag mogen zij ons niet toebrengen."

Na de hoorzitting begon de discussie in de Tweede Kamer. Uiteindelijk werd een motie aangenomen van de heer Voogd tegen vrijlating. De stemverhouding was 85 tegen 61.

Het woord was nu aan de Regering. Zij besloot af te zien van gelijktijdige in vrijheidstelling, maar stelde duidelijk dat de Kroon het recht tot individuele gratieverlening behield. Er zou een nader onderzoek ingesteld worden naar de aanvragen om gratie. Een groep deskundigen, waaronder mensen uit het verzet, zal voortaan eerst een oordeel mogen geven, vóór er tot eventuele invrijheidsstelling wordt besloten.

Zo werd de hele zaak in de doofpot gestopt. Telkens weet zij er echter aan te ontsnappen. Vooral rond nieuwjaar en' bij de behandeling van de begroting van Justitie halen de Drie van Breda weer de voorpagina's van de kranten. Ook dit voorjaar zijn weer voor-en tegenstanders van vrijlating aan het woord geweest.

Het begon, toen ide Duits-evangelische bisschop Scharf in zijn nieuwjaarspreek sprak over oecumenische initiatieven cm de Drie vrij te krijgen. Dadelijk verschenen er in Nederlandse kranten berichten, dat de Regering plannen zou hebben tot vrijlating. Minister-President Den Uyl moest er aan te pas komen om voor de radio te verklaren, dat de zaak van de Drie van Breda in het kabinet niet aan de orde was geweest.

De discussie laaide echter pas goed op, toen de oud-procrueur-generaal bij de Hoge

Raad Mr. Langemeijer een openlijk pleidooi voerde voor vrijlating. Zijn argumentatie was niet nieuw. Hij wees op het feit, dat in onze rechtsstaat levenslang nooit werkelijk levenslang, is, maar neerkomt op ongeveer 20 jaar.

Zijn pleidooi gaat daarom in wezen niet om die drie oorlogsmisdadigers. De doodstraf was volgens hem de enige juiste straf. Maar dat is niet gebeurd. Wij mogen hun straf nu niet zwaarder maken. Zowel de rechters als deze misdadigers wisten, dat toen in 1951 het doodvonnis werd omgezet in levenslang, dit in de praktijk nooit levenslang betekende. Wij zijn het daarom aan onszelf verplicht aldus Langemeijer aan deze principes vast te houden.

Deze redenering is op strikt juridische argumenten gegrond en er is geen speld tussen te krijgen'. Toch kreeg deze publicatie een stroom van kritiek. De hartstochten laaiden weer op. Een zeer aangrijpende , , open brief" publiceerde de joodse rabbijn D. L. Lilienthal. Ik neem daar enkele stukken uit over.

„Wanneer u stelt dat wij de Drie moeten vrijlaten om trouw te blijven aan onszelf, bekijkt u de problematiek slechts uit het oogpunt van de misdadiger, en vergeet u de rechten van de slachtoffers. U begint uw laatste alinea met te spreken over het zware psychische lijden dat mensen tot aan vandaag van de oorlog hebben overgehouden, en u twijfelt eraan of dat lijden dcor de vrijlating van de Drie echt zou verergeren. Ik twijfelde er ook aan, tot 1972. Ik ben immers in Zweden geboren, in de oorlcg, mijn ouders wisten op tijd te ontsnappen.(...) De Hitlerpericde en alles wat er gebeurd is, kende ik slechts uit boeken en verhalen. (...) Daarom huldigde ik het zelfde standpunt als u. En zo ging ik te werk in mijn gemeente de eerste dagen van het debat. En wat u ook moge denken over de instelling van de omgeving en het belang daarvan voor het al of niet aanvaarden van de vrijlating van de Drie door hun slachtoffers, door zo te handelen als u bepleit, heb ik aanzienlijk bijgedragen tot de verergering van het lijden van mijn gemeente. „Vergeef mij, Heer, voor wat ik uit onbegrip misdeed". (Ps. 19). In die dagen leerde ik dat de psychologische druk van de oorspronkelijke beslissing om de Drie vrij te laten, zo groot was dat enkelen niet met dat idee konden leven. Er was geen andere doodsoorzaak vast te stellen. Ik weet het omdat ik hen moest begragen. (...) Het toeval wilde dat ik het meest leerde van de verzetsstrijder bij wie ik het eerst in het ziekenhuis geroepen werd. Hij had de dag daarvoor een spoedoperatie ondergaan. Dezelfde spoedoperatie die hij moest ondergaan in 1945, direct na de bevrijding. Toentertijd was het de mishandeling door Kotalla die de oorzaak was. Nu was de reden zuiver psychisch — hij had in de krant gelezen dat de Drie vrij zouden komen, en zijn psychisch leed bleek groot genoeg om hem lichamelijk tot de kampsituatie terug te brengen. (...) sindsdien heeft hij regelmatig psychologische behandeling nodig. (...)

Het is niet te vermijden dat wij, op grond van onze beginselen, in een tegenstrijdige situatie komen. (...) In de situatie moet, lijkt mij, doorslaggevend zijn wie de misdadiger is en wie het slachtoffer. (...)

In dit geval zou men moeten kunnen stellen dat het de plicht is van de Drie om mee te helpen het leed van hun slachtoffers te verminderen, dan wel tenminste te verhinderen dat het verergert. Het moet dus de plicht van de Drie zijn om uit zichzelf in Breda te blijven."

Ik heb dit zo uitvoerig weergegeven, omdat wij als jongeren die de oorlog niet meegemaakt hebben, misschien ook te gauw geneigd zouden zijn om te zeggen: laat ze maar gaan, ze kunnen nu toch geen kwaad meer.

Ook de heer Langemeijer werd door deze brief aan het twijfelen gebracht. Hij schreef: „Ik gevoel het als mijn plicht te zeggen, dat het betoog van de heer Lilienthal bij mij twijfel wekt aan de juistheid van mijn betoog."

Politici in 1972 en in 1975

Van enkele politici hebben we nagegaan hoe hun mening was in 1972 en hen tevens gevraagd om hun huidige standpunt. Dit laatste met betrekking op de vraag of de gezondheidstoestand van de Drie een reden moet zijn tot ontslag uit gevangenschap.

Minister Van Agt.

Zijn standpunt in 1972 was zuiver gebaseerd op juridische gronden. Wat dat betreft, had hij volkomen gelijk. Zijn fout was (en met hem die kamerleden, die

om dit debat hadden gevraagd), dat hij de psychologische kant van de zaak onderschatte. Het was beslist niet alleen een schreeuw om wraak, die werd gehoord. Veelmeer een schreeuw om recht! Het laat duidelijk zien, dat ons strafrecht niet meer deugt. Niet Bijbels gefundeerd is. De doodstraf, die uitgesproken was, had uitgevoerd moeten worden.

Op onze vraag naar zijn standpunt nu, kon hij geen antwoord geven, cmclat cp het verzoek om gratie nog niot is beslist. Wel ontvingen we van hem het hele kamerdebat uit 1972 met het antwoord van de regering.

Kamerlid De Gaay Fortman (P.P.R.)

Hij is een principieel tegenstander van levenslange gevangenisstraf. Toch gaf dit principe niet de doorslag cm vóór vrijlating te stemmen. De doorslag gaf dat hij niet ken inzien, dat blijvende gevangenschap voor de oorlogslachtoffers minder smartvol zou zijn. Daarvoor zijn we nu te ver gekomen, meende hij. Bovendien zullen ze zo steeds weer in het nieuws zijn met alle pijnlijke gevolgen vandien. Wel erkende hij ruiterlijk dat hij zich schuldig achtte aan de situatie, omdat ock hij gevraagd had cm dit debat. Hij lijkt gelijk te krijgen. Toch zijn we 't niet met hem eens. Door vrijlating wordt er geen recht gedaan. Vcor hem gaf alleen cle afweging van leed de doorslag. Eenvoudiger zou zijn om alle publiciteit rond de Drie gewoon te verbieden.

Kamerlid Aaiitjes (A.R.P.)

Het grootste deel van de A.R.-fractie, waaronder ook de heer Aantjes, sprak zich uit vóór vrijlating (het is zeer opmerkelijk dat juist de christelijke partijen in hoofdzaak vrijlating voorstonden). De motivering van dit standpunt was, dat levenslang tot het bittere eind geen zinvolle straf was. Zeker nadat cle Hoge Raad gunstig had geadviseerd, moest in ons rechtsbestel hieraan gevolg gegeven worden. Omdat de zaak Kotalla op 't ogenblik in de rechtsmolen zit, kregen we geen antwoord over zijn standpunt nu. Ook niet cp de vraag of de gezondheidstoestand een rol moest spelen.

Kamerlid Van Rossimi (S.G.P.)

Tegen de hele gang van zaken in 1972 had de S.G.P. staatsrechtelijke bezwaren. Zij meende dat gratieverlening geen recht van de kamer was, maar van de Kroon. Toch weerhield haar dit niet om tegen vrijlating te stemmen. Woordvoerder van de partij was teen de heer Abma. Hij hield vast aan de rechtvaardigheid van de straf en betreurde het dat de doodstraf niet was uitgevoerd. Op het verwijt dat hij als Christen niet barmhartig zou zijn. antwoordde hij: „Ik heb op de vraag: Is dan God niet barmhartig? het antwoord geleerd: God is ook rechtvaardig".

Het standpunt van de heer Van Rossum komt hiermee overeen, ook nu nog. Ten aanzien van de gezondheidstoestand van één van de Drie zei hij: „Ja, er is een grens, maar niet zo gauw."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 september 1975

Daniel | 20 Pagina's

MOET KOTÄLLA VRIJ?

Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 september 1975

Daniel | 20 Pagina's