VERZOENING
Voorts is de belofte des Evangelies, dat een iegelijk, die in den gekruisigden Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.
Wie vandaag geen vreemdeling is cp kerkelijk erf weet dat de leer der verzoening in deze tijd in het centrum van de belangstelling staat.
Prof. Smits beruchte uitspraak: „geef mijn portie maar aan Fikkie", waarbij hij bedoelde het plaatsbekledende, verzoenende lijden en sterven van Christus belachelijk te maken, klinkt velen nog als godslasterlijk in de oren.
Ook de discussie, die in de gereformeerde kerken op gang gekomen is over de bijbelse leer der verzoening n.a.v. het in 1971 verschenen proefschrift van Dr. H. Wiersinga over een zogenaamde alternatieve verzoeningsleer, waarbij met de Schriftuurlijke verzoeningsleer wordt afgerekend mag als bekend worden verondersteld. Het is daarom van grote betekenis om ons juist vandaag te bezinnen over hetgeen Gods Woord en de daarop gegronde belijdenisgeschriften over de verzoening hebben te zeggen.
De oud-christelijke kerk
De verzoening is het hart van het Evangelie. Als we daaraan gaan tornen' blijft er van de blijde boodschap niet veel meer over. Door de eeuwen heen is er veel over de verzoening gesproken. Er is daardoor meer een caricatuur van de verzoening gemaakt.
In de eerste eeuwen kwam in de prediking de verzoening sterk naar voren: Christus' dood als offer voor de zonde, waarin verschillende Bijbelse noties een plaats kregen. Met name had de overhand het beeld van de verzoening als bevrijding van de banden van zonde, duivel en dood. (Apostolische vaders: ..Christus heeft Zichzelf uit liefde tot Zijn volk geofferd"). Anderen gebruikten meer verlossing van de macht van de zonde dan dat men sprak over de schuld van de zonde. In de Oosterse kerk zag men de verzoening voornamelijk als de overwinning van Christus op duivel en dood, en viel de nadruk op Christus als Vorst van Pasen, van leven en dcod. In de Westerse kerk lag het accent meer op het herstel van de rechtsverhcuding: Er was voldoeningnodig, boetedoening, de toorn van God moest gestild worden (Tertulianus). Augustinus noemt Christus Middelaar, Verzoener, Redder, Geneesmeester, die de schuld betaalde en de straf heeft weggenomen. Nicea (325): De Heere Jezus Christus is om ons mensen en om onze zaligheid nedergekomen uit de hemel en vlees geworden; is ook voor ons gekruisigd onder Pontius Pilaus, heeft geleden en is begraven, enz.
Op het concilie van Efeze (431) werd Christus beleden als de Hogepriester en Apostel van onze belijdenis.
Dordtse Leerregels
Hoofdstuk II, Art. V.
Anselmus
Het is met name Anselmus geweest die zich met het bijbelse begrip en kernwoord verzoening heeft beziggehouden. In 1033, in Aosta, een plaatsje dichtbij Turijn in N.-Italië werd Anselmus geboren. Zijn moeder probeerde hem godvrezend op te voeden. Na aanvankelijk een werelds leven te hebben geleid, kwam hij terecht in het klooster Bec in Normandië, waar hij veel gestudeerd heeft. Op 30-jarige leeftijd wordt hij reeds tot prior benoemd. Hij had veel leerlingen, die hij de ernst van het leven voorhield.
In 1093 wordt hij aartsbisschop van Canterbury. Hoewel dat aanvankelijk nogal wat voeten in de aarde had bij koning Willem II werd de verhouding langzamerhand vertrouwelijk en zelfs hartelijk.
Bewogen als hij altijd was met de problemen van de kloosterlingen en met de vraagstukken van zijn tijd stierf hij in het klooster, temidden van zijn leerlingen.
Cur Deus Homo
In 1098 liet Anselmus een boekje verschijnen: Cur Deus Homo (waarom God mens werd).
Als we het lezen vraagt het wel wat nadenken. Het bestaat uit twee delen en is in gespreksvorm geschreven.
Anselmus beschrijft een gesprek met zijn vriend Bozo over het bestaan van God. De grote waarde van het werk is dat Anselmus steeds het gewicht van de zonde heeft aangewezen. Daarom moest God mens worden. Dit was niet gewoon in die tijd. Anselmus ziet de zonde in het licht van Gods eer. Die eer moet worden teruggeven, maar er maet ook voldoening komen voor het ontnemen van de eer. Boetedoening, heilig leven, verbroken hart en verslagen geest kunnen nooit satisfactio (voldoening) geven. De redding kan alleen geschieden als iemand zich prijs geeft, die groter is dan alles wat onder God staat: het Goddelijk Wezen zelf. In „Cur Deus Homo" ligt er veel nadruk op de dood van Christus: de weg waarin God eerherstel ontvangt. God de Vader is daarmee tevreden en belooft Hem eeuwig leven; dat heeft Hij Zelf niet nodig, daarom schenkt Hij het aan de Zijnen. Hoewel er dingen aan te wijzen zijn die puur Rooms zijn en hier en daar de waarheid geen recht doen is het toch een belangwekkend werkje.
Op het werk van Anselmus is veel kritiek verschenen van toen af tot nu toe (o.a. Wiersinga is in zijn dissertatie uiterst kritisch).
Anselmus heeft met dit boekje over de verzoening een nadere bezinning: God moet öf de zonde straffen öf genoegdoening ontvangen. Abaelardus stemde wel toe dat Christus op aarde moest komen vanwege de zonde, maar we vinden bij hem een ernstige verzwakking van de zonde. Volgens hem is zonde pas zonde, als ze met instemming van de zondaar plaats vindt. Christus' lijden is niet zozeer ter voldoening, maar daardoor is de Goddelijke Liefde geopenbaard en God wil daardoor de mens tot wederliefde wekken. Het fundament is dan mijn veranderde gezindheid tot God. Er mankeert wel eens wat aan die wederliefde, maar wat wij tekortkomen vult Christus dan wel aan door Zijn lijden' en voorbede gerechtigheid van de mens.
Hoe moeten we denken als we over de verzoening spreken? Van God uit naar de mens, of ook vanuit de mens door het offer van Christus naar God? Anders gezegd: Is God alleen het subject of ook het object der verzoening?
Reformatie
Men zag de zonde als schuld voor God; er moest voldaan worden aan de Goddelijke gerechtigheid (Luther: „Fremde Gerechtigkeit"). De reformatoren hebben nooit de verzoening alleen op de dcod van Christus betrokken, maar heel zijn leven daarop gericht gezien. In verband daarmee worden vaak de volgende begrippen genoemd: Oboedientia Activa en Oboedientia Passiva, lijdelijke en dadelijke gehoorzaamheid; de Heere Jezus heeft de straf gedragen en ten volle aan de eisen van de wet voldaan.
Het is opmerkelijk, dat Calvijn het verzoeningswerk plaatst in het drievoudig ambt van Christus. Socinus was de grote bestrijder van de verzoeningsleer (In latere edities van de Institutie is in boek II hoofdstuk 17 toegevoegd als weerlegging tegen de opvatting van Socinus). Hij wil alleen maar spreken van Gods liefde en niet van Zijn recht. In de verhouding God-mens is geen satisfactio nodig: overblijfsel van de Roomse boetepraktijk.
Ds. Kersten vat het Socinianisme als volgt samen:
1. Voldoening is onnodig, want vergeving sluit alle voldoening uit.
2. Voldoening is ongerijmd, de onschuldige wordt gedood en de schuldige gaat vrijuit.
3. Voldoening is onmogelijk door borgstelling, borgstelling voor zedelijke schuld is uitgesloten.
4. De leer der voldoening is schadelijk, want zij cpent de deur voor alle goddeloosheid.
We zien dat tegenwoordig deze leer, onder wat andere bewoordingen, weer om de hoek komt kijken.
Calvijn spreekt duidelijk van een God, die bewegen is, toornen en liefhebben kan. Hij heeft nooit het recht van God ten koste van de liefde Gods naar voren gehaald, maar hij heeft beide in dezelfde God ten volle naar voren gebracht. Hij zag God als de Rechtvaardige, Die de zonde moet straffen en tegelijk vol van liefde en barmhartigheid (Joh. 3 : 16: lzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe).
In deze tijd spreekt men ook wel over het Patripassianisme en het Theopaschitisme, waarbij de verzoening alleen van God uit tot stand komt, God is alleen subject van de verzoening. Het Patripassianisme houdt in dat God, de Vader, aan het kruis leed. (o.a. Karl Barth). Het Theopaschitisme laat God zodanig lijden, dat in het hart Gods de verzoening wordt bewerkstelligd, zö dat het werk van Christus niet voldoende wordt gewaardeerd. In de Bijbel vinden we de verzoening, als van God uitgaand, God is subject: Hij gaf Zijn offer, Zijn eigen Zoon, waarin Zijn onmetelijke liefde openbaar komt, uit soeverein welbehagen. Maar in de Bijbel vinden we ook, dat God object is: Hij gaf niet alleen het offer, maar eiste ook het offer; Hij kan zonder dat offer Zijn liefde niet aan de mens wegschenken. Hierop spitsen de theologische diskussies zich heden ten' dage toe. In heilshistorisch verband komen we beide zaken tegen. God gaf Zijn Zoon (Kerstfeest) en laat Hem op deze aarde verkeren. Aan de andere zijde moet deze Zoon zorg dragen voor het volmaakte offer. Vanaf Zijn inkomen in de wereld, en in het bijzonder aan het eind van Zijn leven, heeft Hij de straf der zonde gedragen. Ook in ons persoonlijk leven vraagt God een volmacht offer. Dat gaat niet buiten Gods recht en Gods liefde om. We komen te staan op de puinhopen van ons leven. Bij dat stukgeslagen leven' komt Gods onmetelijke liefde openbaar, want Hij eist niet alleen een offer, maar schenkt het ook. Denk aan Jesaja 53: Plaatsvervangend lijden van Christus.
De verzoening is een zaak van God uit en een zaak vanuit de mens. We mogen niet spreken van één kant, maar van recht én welbehagen (de diepste wortel). Aan Gods strenge rechtvaardigheid moet worden genoeg gedaan. Gods toorn moet worden gestild. In theologische diskussies spreekt men heden ten dage liever van representatie dan van plaatsvervanging. Men wijst clan cp Rom. 5: dat Christus ook mij vertegenwoordigt, de eerste Adam representeerde zijn gehele nageslacht en de tweede Adam Zijn Gemeente. Als we willen spreken van representatie buiten plaatsvervanging om doen we aan de Bijbelse Waarheid tekort. Representatie vindt immers plaats door plaatsvervanging: Christus draagt de schuld, betaalt de straf en voldoet aan Gods eis. De verzoening noemt men ook wel eens Gods solidariteit. God is in Christus met ons solidair. Als we daarvan alleen spreken is er sprake van uitholling. Christus representeert, neemt onze plaats in en is daarin ook met ons solidair. („Met Hem sterven, begraven zijn en opstaan en met Hem gezet in de hemel").
God heeft vanuit Zijn souverein welbehagen, in Zichzelf bewogen het offer gegeven in Zijn eniggeboren Zoon ter verzoening.
Die verzoening moet ook voor ons persoonlijk een zaak worden van hart en leven.
„Laat u met God verzcen'èn, want Die, die geen zonde gekend noch gedaan heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, cpdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem".
De Heere zegene de prediking der verzoening, waaronder we nog leven mogen. Het is niet dan tot onze eeuwige schade wanneer we daarop geen acht geven. Welgelukzalig zijn diegenen, die God in Zijn Recht leerden toevallen en als verlorenen geleid werden tot de rijkdom der verzoening in Christus. Welk een verwondering doorstroomt dan het hart: Doch de HEERE heeft aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
Ds. L. Blok.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 13 september 1975
Daniel | 20 Pagina's